PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03688
Zitting 27 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Namens de verdachte heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Voordat ik overga tot bespreking van het middel, ga ik kort in op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, dat is ingesteld op 3 oktober 2024.
Uit de stukken van het geding volgt dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend. De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2024. Ik heb uit de stukken niet kunnen afleiden dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van deze terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De mededeling uitspraak is evenmin in persoon aan verdachte betekend. Wel bevat het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden dossier een aan de verdachte toegezonden brief van 27 september 2024 afkomstig van de afdeling executie van het openbaar ministerie. In die brief staat vermeld dat de onderhavige zaak (met parketnummer 21-001394-24) ten onrechte als onherroepelijk was aangemerkt, dat dit is gecorrigeerd en dat hierover telefonisch contact met de verdachte is geweest. Niet vermeld staat wanneer dit telefonisch contact met de verdachte heeft plaatsgevonden. Evenmin volgt uit deze brief (dat met de verdachte is besproken) wat de inhoud is van de uitspraak in de onderhavige zaak, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte eerst op of na 27 september 2024 op de hoogte is geraakt van de inhoud van de uitspraak. Gelet op het bepaalde in art. 432 lid 2 Sv is de verdachte dan ook ontvankelijk in het cassatieberoep.
3. Het middel
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de verdachte geen bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van de enkelvoudige strafkamer van 1 augustus 2024 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De voorzitter deelt mee dat de dagvaarding op correcte wijze aan verdachte is betekend. De voorzitter deelt verder mee dat er geen bezwaren zijn ingediend en dat verdachte geen advocaat heeft.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik verzoek verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.”
De aantekening mondeling arrest van het hof van 1 augustus 2024 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
Bij de stukken bevindt zich de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de rolzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 augustus 2024, teneinde in hoger beroep terecht te staan. Volgens de daarvan opgemaakte akte is deze dagvaarding aan het openbaar ministerie uitgereikt en is op 8 juli 2024 een afschrift verzonden aan het op de akte vermelde adres van de verdachte. Deze appeldagvaarding vermeldt onder meer:
“LET OP: DIT BETREFT EEN ROLZITTING
Deze rolzitting is bedoeld om te inventariseren of en zo ja, welke bezwaren er leven tegen het vonnis dan wel of de reeds ingediende bezwaren worden gehandhaafd. Daarna zal de behandeling van de strafzaak direct worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Bij niet verschijnen kan de zaak direct door het hof worden afgedaan, met niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het hoger beroep.
(…)
Neem tijdig contact op met uw raadsman!
Uitstel van behandeling wordt slechts verleend indien er naar het oordeel van de voorzitter sprake is van overmacht. Als zich naar uw inzicht een zodanig geval voordoet, wordt er van u een schriftelijke uitleg verwacht.
Let op: Legitimatie verplicht. U dient een geldig legitimatiebewijs te kunnen overleggen op zitting.
LET OP: DIT BETREFT EEN ROLZITTING
Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een rolzitting van het hof omdat door of namens u hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Deze zitting is bedoeld om uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven en onderzoekswensen in te dienen, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Daarna zal de behandeling van de strafzaak direct worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Indien uw cliënt of u niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient uw cliënt er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, ingevolge artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens u ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, zodat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 12 weken tot 30 weken na de datum van de rolzitting is afdoende.”
Art. 416 Sv luidt voor zover hier relevant:
“1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
In de toelichting wordt door de steller van het middel aangevoerd dat uit de dagvaarding volgt dat op 1 augustus 2024 de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld, maar dat dit op een nadere datum zou plaatsvinden. Een en ander brengt mee dat op de nadere inhoudelijke zitting de zaak zal worden voorgedragen door de advocaat-generaal en de verdachte dan de gelegenheid heeft om de grieven tegen het vonnis op te geven. De steller van het middel wijst in dit kader op rechtspraak van de Hoge Raad. Het hof heeft de verdachte aldus ten onrechte reeds op de rolzitting niet-ontvankelijk verklaard.
In de tekst van de aan de verdachte toegezonden appeldagvaarding staat met hoofdletters vermeld dat de zitting op 1 augustus 2024 een “ROLZITTING” betreft en dat deze rolzitting is bedoeld om te inventariseren of en zo ja, welke bezwaren er leven tegen het vonnis dan wel of de reeds ingediende bezwaren worden gehandhaafd. Verder houdt de tekst in dat de behandeling van de strafzaak daarna direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk zal worden behandeld. Daarnaast vermeldt de dagvaarding dat bij niet verschijnen de zaak direct door het hof kan worden afgedaan met niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het hoger beroep. De verdachte is, hoewel geldig gedagvaard, niet op de rolzitting van 1 augustus 2024 verschenen.
Daarmee verschilt de onderhavige zaak op een wezenlijk punt van de in de schriftuur aangehaalde rechtspraak. Zo was in de zaak die leidde tot het arrest van 25 mei 2010 in de bijsluiter in het geheel niet gewezen op de mogelijkheid dat bij niet verschijnen het hof de zaak direct afdoet en de verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het hoger beroep. De Hoge Raad overwoog dat de tekst van de bijsluiter bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan dat de strafzaak in ieder geval op een latere terechtzitting verder – en dan voor de eerste maal inhoudelijk – zal worden behandeld. In het arrest van 17 april 2012 werd eveneens in de begeleidende brief de indruk gewekt dat de strafzaak in ieder geval op een latere zitting inhoudelijk zou worden behandeld. Uit de begeleidende brief volgde namelijk onder meer dat de voordracht van de zaak achterwege blijft, er geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt en dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte op de rolzitting in beginsel niet noodzakelijk is. De Hoge Raad achtte in deze zaak het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep onbegrijpelijk, nu het hof eraan heeft voorbijgezien dat de mededeling dat op een nadere terechtzitting de inhoudelijke behandeling van de zaak zal volgen, meebrengt dat eerst op die nadere terechtzitting de zaak zal worden voorgedragen en de verdachte alsdan op de voet van art. 416 lid 1 Sv de gelegenheid zal hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
In de onderhavige zaak is weliswaar in de appeldagvaarding opgenomen dat na de rolzitting – waarop wordt geïnventariseerd of en zo ja welke bezwaren er leven tegen het vonnis – de zaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk zal worden behandeld, maar daaropvolgend staat expliciet vermeld dat bij niet verschijnen de zaak direct door het hof kan worden afgedaan met niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het hoger beroep. Overigens vermeldt de appeldagvaarding, anders dan in de door de steller van het middel aangehaalde rechtspraak, niet dat de voordracht van de zaak achterwege blijft en dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte niet noodzakelijk is. Daarmee is de verdachte toereikend geattendeerd op de mogelijkheid dat bij niet verschijnen de zaak direct kan worden afgedaan met een beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep, in welk geval de behandeling van de strafzaak dus niet zal worden aangehouden.
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Volgens de steller van het middel zou de beslissing van het hof te meer klemmen nu de verdachte geen rechtsbijstand had in hoger beroep en aan hem in eerste aanleg een gevangenisstraf was opgelegd. In dit verband wijs ik erop dat in de (geldig betekende) appeldagvaarding is opgenomen dat tijdig contact moet worden opgenomen met een raadsman. Indien de verdachte niet was voorzien van rechtsbijstand (en dit wel had gewild), had het aldus op de weg van de verdachte gelegen om daarin actie te ondernemen.
4. Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG