ECLI:NL:PHR:2026:841

ECLI:NL:PHR:2026:841

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 24/04556
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Betekeningsperikelen. M1 keert zich tegen het oordeel dat de appeldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend. M2 houdt in dat het hof de behandeling van de zaak ten onrechte niet heeft aangehouden om een afschrift van de appeldagvaarding te doen verzenden naar het in de machtiging tot het instellen van h.b. opgegeven adres. M1 slaagt, omdat de akte van uitreiking zodanig dubbelzinnig is ingevuld dat het oordeel dat de appeldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend niet zonder meer begrijpelijk is. M2 slaagt gelet op art. 36g lid 1 aanhef en onder c jo. 36n lid 3 Sv. Strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de appeldagvaarding.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04556

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 29 november 2024 (rolnummer 22-000143-24) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van 15 januari 2024 voor een vijftal feiten veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 17 januari 2024 hoger beroep ingesteld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2024 is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsman was daar wel aanwezig, maar gaf te kennen niet gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding geldig is betekend en heeft verstek tegen de verdachte verleend. De verdachte is vervolgens ingevolge art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, waaraan het hof ten grondslag heeft gelegd dat geen schriftuur houdende grieven zijn ingediend, evenmin mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en geen aanleiding bestaat om het hoger beroep ambtshalve inhoudelijk te behandelen. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. De tweede deelklacht houdt in dat het hof de behandeling van de zaak ten onrechte niet heeft aangehouden teneinde een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te doen verzenden naar het in de machtiging tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres van de verdachte.

3. Het middel

Alvorens over te gaan tot bespreking van de deelklachten, geef ik de processuele gang van zaken weer.

Uit de aan de Hoge Raad op de voet van artikel 434 lid 1 Sv gezonden stukken blijkt het volgende:

i) Volgens de aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2024 is de verdachte in de zaak met parketnummer 10-277258-23 wegens 1. “mishandeling” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, en in de zaak met parketnummer 10-319049-23 wegens 1. “wederspannigheid”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en Munitie”, bij verstek veroordeeld. Voor alle feiten in de zaak met parketnummer 10-277258-23 en de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-319049-23 is aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen opgelegd. Ten aanzien van feit 3 in de zaak met parketnummer 10-319049-23 is de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

ii) Blijkens de appelakte van 17 januari 2024 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. In deze akte zijn als gegevens van de verdachte onder meer opgenomen “wonende te [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ” en “domicilie kiezende te [b-straat 1] , [postcode 2] te [plaats] ”.

iii) In de aan de griffie gezonden schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van mr. [betrokkene 1] van 17 januari 2024 is “als adres voor de ontvangst van de dagvaarding/aanzegging” het adres “ [b-straat 1] , ( [postcode 2] ) te [plaats] ” opgegeven.

iv) Op de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2024 staat als adres van de verdachte “ [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] ” vermeld.

v) De aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte akte van uitreiking, met als opschrift “Niet in persoon”, vermeldt als adres van de verdachte “ [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] ”. Op de voorzijde is aangevinkt dat aldaar niemand bereid of aanwezig is om de brief in ontvangst te nemen en dat de bezorger de brief niet heeft uitgereikt, met invuldatum 7 oktober 2024. Op de achterzijde is aangekruist dat de medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (hierna: IPKD) de brief aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs heeft uitgereikt, met invuldatum “15 oktober 2024” en adres en plaats van handeling “UBR IPKD [c-straat 1] [postcode 3] [plaats] ”. De volgens de instructie op de akte in te vullen personalia en handtekening van de ontvanger van de brief, en de soort en het nummer van diens identiteitsbewijs (invulvelden 5 t/m 7), ontbreken. De personalia en de handtekening van de IPKD-medewerker (invulvelden 1 t/m 4 en 8) zijn wel genoteerd.

vi) Uit een informatiestaat SKDB-persoon van 14 december 2023 volgt dat de verdachte met ingang van 6 december 2023 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven is op het adres “ [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] ” en dat hij niet gedetineerd is. Eveneens volgt eruit dat de verdachte daaraan voorafgaand, van 26 juni 2023 tot 6 december 2023, ingeschreven stond op het adres “ [b-straat 1] [postcode 2] [plaats] ”.

vii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2024 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen, dat zijn raadsman wel is verschenen maar niet gemachtigd was om de verdediging te voeren en dat het hof, na vaststelling dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, verstek heeft verleend tegen de verdachte.

viii) Bij arrest van 29 november 2024 heeft het hof de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat geen schriftuur met grieven tegen het vonnis is ingediend, evenmin ter zitting mondelinge bezwaren daartegen zijn opgegeven en het hof ambtshalve geen aanleiding heeft gezien om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen.

In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is over (de betekening van) de dagvaarding in hoger beroep opgenomen:

“De voorzitter deelt mede dat de raadsman heeft aangegeven dat hij niet gemachtigd is, en niet verwacht dat de verdachte zal verschijnen.

De voorzitter deelt mede dat op 7 oktober 2024 is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte, namelijk de [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] . Dit is een opvangadres. Daar was niemand aanwezig of bereid de akte in ontvangst te nemen. Op de tweede pagina van dat document staat bovenaan dat een medewerker van de IPKD de dagvaarding heeft uitgereikt aan de geadresseerde met een geldig identiteitsbewijs. De dagvaarding is geldig in persoon betekend.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”

Eerste deelklacht

Ter onderbouwing van de eerste deelklacht voeren de stellers van het middel aan dat op de akte van uitreiking de naam en de handtekening van de ontvanger van de brief en de soort en het nummer van diens identiteitsbewijs ontbreken. Aangezien het hof er geen blijk van zou hebben gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt, zou het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig – te weten: in persoon – is betekend, onjuist, althans onbegrijpelijk, zijn.

Bij de bespreking van de eerste deelklacht zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang, zoals deze golden tot 1 juli 2025:

Artikel 36e

1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.

(….)

Artikel 36h

1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:

(…)

c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;

(…)

2. Wordt met de gerechtelijke mededeling gehandeld overeenkomstig de tweede volzin van artikel 36e, tweede lid, aanhef en onder b, dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het is bestemd.

3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

(…)

Artikel 36n

1. De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.

(…)”

Uit de voorzijde van de akte van uitreiking volgt dat op 7 oktober 2024 door een bezorger is gepoogd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte, maar dat daar niemand bereid of aanwezig was om deze in ontvangst te nemen. Op de achterzijde van de akte is aangevinkt dat een medewerker de brief “aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs” heeft uitgereikt. De op de akte aan de medewerker gerichte instructie is om in dat geval velden 1 t/m 6 in te vullen, te tekenen bij veld 8 en de ontvanger te laten tekenen bij veld 7. Velden 1 t/m 4, betreffende de gegevens van de medewerker, zijn conform de instructie ingevuld. Bij veld 8, aangeduid met “[h]andtekening medewerker”, is een handtekening gezet. Velden 5 t/m 7, gereserveerd voor de soort en het nummer van het identiteitsbewijs van de ontvanger en diens voorletters, naam en handtekening, zijn niet ingevuld. Aldus is de akte in het geval van uitreiking “aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs” inderdaad niet volledig volgens de daarop vermelde instructie ingevuld. De vraag is wat hiervan de consequenties zijn voor de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding.

Art. 36h lid 1 Sv bevat een opsomming van de gegevens die iedere bij een betekening op te maken akte van uitreiking moet bevatten. In onderdeel d van dat artikellid is “de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt” opgenomen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat onder meer heeft geleid tot wijziging van art. 589 (oud) Sv, de voorloper van het huidige art. 36h Sv, is over de ratio van vermelding in de akte van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt, vermeld: “[a]chteraf zal desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen”. De strekking van het voorschrift wordt daarmee in de sleutel geplaatst van uitreiking aan een ander dan de verdachte op het BRP- of feitelijke woon- of verblijfadres van de verdachte zoals bedoeld in het huidige art. 36e lid 2 onder a Sv. HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1738, NJ 2025/11, r.o. 2.4, houdt in dat het verzuim om de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt in de akte van uitreiking te vermelden – in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen – in beginsel nietigheid van de betekening van de dagvaarding tot gevolg heeft. Tegelijk is overwogen dat de rechter van nietigverklaring kan afzien “als anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan wie de dagvaarding is uitgereikt”. Opmerking verdient dat ook dit arrest betrekking heeft op uitreiking aan een ander dan de verdachte op het van de verdachte bekende adres in de zin van art. 36e lid 2 onder a Sv.

Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de Hoge Raad zich er niet over uitgelaten of deze rechtspraak ook van toepassing is op een uitreiking aan de verdachte zelf in persoon. Ik meen dat dit niet zonder meer het geval is, voor zover de verdachte voldoende concreet als geadresseerde op de akte is aangeduid. In die situatie bestaat immers geen onduidelijkheid over de vraag aan wie de dagvaarding zou zijn uitgereikt, terwijl het verkrijgen van duidelijkheid daaromtrent de strekking van het voorschrift van art. 36h lid 1 onder d Sv is. De vermoedelijke ontvanger is dan namelijk reeds identificeerbaar aan de hand van de vermelding dat het stuk aan de geadresseerde is uitgereikt in combinatie met het opschrift van de personalia van de geadresseerde bovenaan de akte. Nu dit in de onderhavige zaak aan de orde is, was het hof mijns inziens niet gehouden de betekening in hoger beroep nietig te verklaren vanwege het nalaten van de IPKD-bezorger om de voorletters en de achternaam van de ontvanger van de dagvaarding op de akte in te vullen.

Voor het ontbreken van de handtekening van de ontvanger van de dagvaarding geldt dat zodanige handtekening geen gegeven is dat ingevolge art. 36h lid 1 Sv in de akte moet worden opgenomen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 36h Sv blijkt dat er uitdrukkelijk van is afgezien om de ontvanger van het gerechtelijk schrijven te verzoeken de akte te ondertekenen. De daarvoor opgegeven reden is dat het “[o]nwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt”. Hieruit volgt dat de handtekening van de ontvanger van de dagvaarding geen constitutief vereiste is voor een rechtsgeldige betekening en het ontbreken ervan op de akte geen rechtsgevolg heeft.

De soort en het nummer van het identiteitsbewijs van de ontvanger van het gerechtelijk stuk worden evenmin in art. 36h lid 1 Sv genoemd als gegevens die in de akte dienen te worden vermeld. Wel bepaalt art. 36h lid 3 Sv dat de identiteit van de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt “zo mogelijk” aan de hand van een identiteitsbewijs wordt vastgesteld. Het gebruik van de woorden “zo mogelijk” geeft er blijk van dat identificatie aan de hand van een identiteitsbewijs geen verplichting is. Ook dit brengt mee dat het noteren van de soort en het nummer van het identiteitsbewijs van de ontvanger van het gerechtelijk stuk op de akte niet noodzakelijk is. Aan het ontbreken van deze informatie op de akte hoeft derhalve geen rechtsgevolg te worden verbonden.

Hoewel elk van de op de akte missende gegevens op zichzelf dus niet tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding leidt, meen ik dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend niet zonder meer begrijpelijk is. De reden daarvoor is dat de akte op zodanig dubbelzinnige wijze is ingevuld dat op grond daarvan mijns inziens met onvoldoende zekerheid valt vast te stellen dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend. Daarbij is het volgende van belang.

Op de achterzijde van de akte heeft de medewerker het hokje aangekruist bij uitreiking “Aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs”. Daaronder staan twee hokjes die de medewerker in plaats van het hokje betreffende uitreiking aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs had kunnen aankruisen. Beide hokjes hebben betrekking op de situatie dat de dagvaarding niet door de medewerker is uitgereikt aan de geadresseerde, te weten die waarin a) de brief na zeven dagen nog niet is afgehaald en die waarin b) de mogelijkheid tot afhalen überhaupt niet is aangeboden. In allebei de gevallen instrueert de akte de medewerker om de brief uit te reiken aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan en om zelf velden 1 t/m 4 in te vullen en te tekenen bij veld 8. Dat zijn precies de velden die de medewerker heeft ingevuld dan wel getekend. Daar staat tegenover dat de akte in het geval van de aangekruiste uitreiking “aan de geadresseerde met geldig identiteitsbewijs” juist niet volledig in lijn met de instructie is ingevuld aangezien de akte niet de door het formulier geïnstrueerde invulling onder 5 (identiteitsbewijs soort + nummer), 6 (voorletters en naam ontvanger) en 7 (handtekening ontvanger) vermeldt, zoals uiteengezet onder randnummers 3.2 (onder v.) en 3.6.

In zijn overwegingen omtrent de betekening van de dagvaarding is het hof niet ingegaan op het gebrek aan eenduidigheid waarmee de akte is ingevuld. In het licht van het grote belang dat toekomt aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte maakt een en ander dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, en wel aan de verdachte in persoon, niet zonder meer begrijpelijk is.

De eerste deelklacht is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zou kunnen overwegen om de nietigheid van de betekening van de appeldagvaarding zelf uit te spreken.

Tweede deelklacht

Subsidiair wordt geklaagd dat het hof de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet heeft aangehouden om een afschrift van de appeldagvaarding te doen zenden naar het in de volmacht tot het instellen van appel vermelde adres van de verdachte.

Voor de bespreking van de tweede deelklacht zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang, zoals deze golden tot 1 juli 2025.

“Artikel 36g

1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

2. De verdachte kan het adres, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.

3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:

a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;

b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;

c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt;

d. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.

(…)

Artikel 36n

(…)

3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, tenzij:

a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel

b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.”

In de bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van appel van 17 januari 2024 is als adres van de verdachte [b-straat 1] , [postcode 2] in [plaats] opgenomen. De appelakte van 17 januari 2024 vermeldt, naast dat de verdachte woonachtig is op een andersluidend adres, eveneens het adres [b-straat 1] , [postcode 2] in [plaats] . Dit laatste adres is waar de verdachte blijkens de akte domicilie heeft gekozen. Voor de toepassing van de regeling van art. 36g lid 1 Sv heeft dit adres te gelden als een adres in de zin van art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is gezonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. Evenmin kan uit die stukken worden opgemaakt dat verzending van een afschrift op grond van art. 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. In dat verband is relevant dat zich niet een situatie voordoet zoals bedoeld in art. 36g lid 3 aanhef en onder c Sv. Weliswaar is het adres [b-straat 1] , [postcode 2] in [plaats] een voormalig BRP-adres van de verdachte dat per 7 juni 2023 is gewijzigd naar het adres [a-straat 1] , [postcode 1] in [plaats] , maar die wijziging heeft niet plaatsgevonden nadat hij een adres heeft opgegeven als bedoeld in art. 36g lid 1 Sv. Dientengevolge kon niet worden aangenomen dat het op de voet van art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv opgegeven adres achterhaald was. In aanmerking genomen dat ’s hofs oordeel dat de appeldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend niet zonder meer begrijpelijk is, kon ook niet zonder meer worden geoordeeld dat sprake is van een geval als bedoeld in art. 36g lid 3 aanhef en onder d Sv. Dat leidt ertoe dat het hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. Van zo’n onderzoek is niet gebleken.

Ook de tweede deelklacht treft doel.

4. Afronding

Het middel slaagt in al zijn onderdelen.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand