ECLI:NL:PHR:2026:853

ECLI:NL:PHR:2026:853

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 24/04776
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet. M1: slagende deelklacht dat hof niet heeft gerespondeerd op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat i.v.m. vreemdelingrechtelijke consequenties moet worden afgezien van onvoorwaardelijke straf. Tweede deelklacht dat het hof niet heeft gereageerd op verweer dat in eerste aanleg redelijke termijn is geschonden faalt. M2: behoeft geen bespreking wegens slagend M1. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04776

Zitting 22 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] in 1974,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 13 december 2024 (rolnr. 22-003781-21) veroordeeld wegens “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”. Het hof heeft daarvoor een taakstraf opgelegd voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De verdachte is in hoger beroep onder meer veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf. In hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de kans groot is dat de verdachte geen verblijfsvergunning krijgt als een onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd. In cassatie wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat hierover is ingenomen. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Ten slotte verzet het cassatieberoep zich tegen de schending van de inzendtermijn in cassatie.

Deze conclusie houdt in dat het eerste middel slaagt en dat het tweede middel daarom geen bespreking door de Hoge Raad behoeft.

3. Het eerste middel

Het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarin is aangevoerd dat moet worden afgezien van een onvoorwaardelijke straf. Daarnaast bevat het middel de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de straf moet worden gematigd in verband met de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2024 blijkt het volgende:

“De raadsman van de verdachte deelt omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mede:

Mijn cliënt heeft voorlopig nog geen verblijfsrecht in Nederland. De eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen in verband met deze strafzaak. Cliënt zit nog in een bezwaarprocedure. Wat ik heb begrepen van de advocaat die mijn cliënt daarin bijstaat, is dat de uitkomst van deze strafzaak wordt afgewacht. Het zal er om gaan of er een voorwaardelijke of een onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd. In dat laatste geval is de kans erg groot dat hij geen verblijfsvergunning krijgt. Bij een voorwaardelijke straf is die kans wel groot.

[…]

De advocaat-generaal vraagt aan de raadsman of hij het heeft over een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of over een onvoorwaardelijke straf in het algemeen.

De raadsman deelt daarop mede:

Nee, dat ziet ook op een onvoorwaardelijke taakstraf. Het is puur voorwaardelijk of onvoorwaardelijk.

De voorzitter vraagt de raadsman of het dan niet ook nog om de hoogte van de desbetreffende strafmodaliteit gaat.

De raadsman deelt daarop mede:

Dat is volgens mij een beetje een glijdende schaal in zijn situatie, gezien artikel 3.77 lid 1 onder c van het Vreemdelingenbesluit, dat nader is uitgewerkt in artikel 4.4 onder b van de Vreemdelingencirculaire.

[…]

De advocaat-generaal voert hierna het woord overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte requisitoir en draagt de schriftelijke vordering voor.

De raadsman voert het volgende bij pleidooi aan:

[…]

Omtrent de strafmaat is een aantal punten van belang. Cliënt is first offender. Hij heeft niets meer met deze winkel of soortgelijke zaken te maken. Hij mag op dit moment niet werken. Hij heeft destijds, net als de medeverdachte, de financiële gevolgen van deze strafzaak ondervonden. De redelijke termijn is zowel in eerste als in tweede aanleg overschreden; we zijn inmiddels 3 jaar verder. Dat zou tot strafvermindering moeten leiden. Een ander belangrijk punt is het verblijfsrecht van mijn cliënt in Nederland. Cliënt wil graag in Nederland blijven. Zijn vrouw en vier kinderen wonen in Nederland. Ik heb begrepen dat er een aanvraag is ingediend voor een verblijfsvergunning. Die aanvraag is in eerste instantie afgewezen, met name vanwege deze strafvervolging. Er loopt nog een bezwaarprocedure. Als een vreemdeling is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke straf, dan is dat een omstandigheid die er vrijwel zeker toe zal leiden dat cliënt geen verblijfsvergunning krijgt. Voorwaardelijke straffen worden bij de beoordeling van een aanvraag van een verblijfsvergunning niet meegenomen Ik verzoek u daarom te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.”

Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging het volgende in:

“Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, gedurende ruim twee jaren schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten aanzien van bepalingen in de Opiumwet. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Bovendien leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. Blijkbaar heeft de verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële voordeel en lijkt hij het laakbare van zijn handelen - ook ter terechtzitting in hoger beroep - niet voldoende in te zien.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Echter, het hof weegt mee dat de bewezen verklaarde feiten dateren uit de periode vanaf april 2017 tot en met juli 2019 en dat de verdachte daarna niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Namens de verdachte is op 28 december 2021 hoger beroep ingesteld. Nu het hof eerst op 13 december 2024 arrest wijst, is de redelijke termijn overschreden met ongeveer 1 jaar.

Op grond daarvan is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer op zijn plaats is en dat - alles afwegende - en gelijk de vordering van de advocaat-generaal een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Het voorwaardelijke strafdeel dient de verdachte ervan te weerhouden niet andermaal met politie en/of justitie in aanraking te komen.”

Eerste deelklacht

In HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de motiveringsvoorschriften van de strafoplegging:

“3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.

De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.

Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.

Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.

Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”

De toelichting op het middel houdt kort gezegd in dat aan de hand van concreet en specifiek genoemde relevante vreemdelingrechtelijke voorschriften is aangevoerd dat en waarom, gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan, zou moeten worden afgezien van een onvoorwaardelijke straf. Het hof zou vervolgens − in strijd met art. 359 lid 2 tweede volzin Sv − een onvoorwaardelijke (taak)straf hebben opgelegd zonder hierop te responderen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aangevoerd dat de verdachte nog geen verblijfsrecht heeft in Nederland, dat de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen in verband met deze strafzaak, dat de verdachte nog in de bezwaarprocedure zit en dat de raadsman heeft begrepen van de advocaat die de verdachte daarin bijstaat dat de uitkomst van deze strafzaak wordt afgewacht, specifiek of een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd en dat bij een onvoorwaardelijke straf de kans erg groot is dat de verdachte geen verblijfsvergunning krijgt. Op de vraag van de voorzitter of het [ik begrijp: bij de beoordeling van de verblijfsvergunning, PHvK] ook om de hoogte van de strafmodaliteit gaat antwoordt de raadsman dat dit “een beetje een glijdende schaal [is] in zijn situatie, gezien artikel 3.77 lid 1 onder c van het Vreemdelingenbesluit, dat nader is uitgewerkt in artikel 4.4 onder b van de Vreemdelingencirculaire.” Ook in zijn pleidooi voert de raadsman de omstandigheid van de verblijfsvergunning aan en stelt hij dat een onvoorwaardelijke straf er “vrijwel zeker” toe leidt tot dat de verdachte geen verblijfsvergunning krijgt. De raadsman verzoekt het hof daarom te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

In het bestreden arrest onder het kopje “Strafmotivering” overweegt het hof ten eerste dat “in beginsel” niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het hof legt daaraan ten grondslag dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land, dat door harddrugs de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en dat drugs tot vele andere vormen van criminaliteit leiden, dat de verdachte alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financiële voordeel en het laakbare van zijn handelen ook ter terechtzitting in hoger beroep niet voldoende inziet. Daaropvolgend overweegt het hof dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter niet meer op zijn plaats is gelet op de omstandigheid dat de verdachte niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie en gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met 1 jaar. Het hof legt dan “alles afwegende – en gelijk de vordering van de advocaat-generaal een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf” op.

Met het oog op de beoordeling van de vraag of het door de verdediging aangevoerde verweer kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede volzin Sv, sta ik kort stil bij rechtspraak waarin eveneens een strafmaatverweer is gevoerd over de vreemdelingenrechtelijke consequenties van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf.

In HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4744 had de raadsman aangevoerd dat de verdachte door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opnieuw in vreemdelingendetentie zou belanden en “mogelijk [zal] worden uitgezet naar een ander land” of “zo mogelijk nog erger, tot ongewenst vreemdeling [zal] worden verklaard”. De Hoge Raad overwoog dat het niet onbegrijpelijk was dat het hof het onderdeel van de pleitnota dat betrekking had op de “mogelijke” vreemdelingrechtelijke consequenties kennelijk niet had opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.

Ook in HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:737 achtte de Hoge Raad het niet onbegrijpelijk dat het hof het aangevoerde kennelijk niet had opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De raadsman had naar voren gebracht dat de verdachte een asielzoeker was, dat hij hoger beroep had ingesteld om zijn kansen op asiel reëel te houden en dat een gevangenisstraf de toekenning van een asielaanvraag negatief zou kunnen beïnvloeden, op grond waarvan hij verzocht om oplegging van een taakstraf. De Hoge Raad overwoog dat de raadsman niet aan de hand van relevante voorschriften van het vreemdelingenrecht concreet had aangeduid tot welke andere gevolgen de oplegging van een vrijheidsbenemende straf voor de asielaanvraag van de verdachte leidde of kon leiden dan de oplegging van een taakstraf.

In zijn conclusie voor HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:430 kwam A-G van Wees tot de slotsom dat het verweer van de raadsvrouw geen responsieplichtig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt opleverde. De raadsvrouw had verzocht om toepassing van art. 9a Sr en daarbij slechts aangestipt dat een veroordeling voor een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden een beletsel vormde voor de afgifte van een verblijfsvergunning, dat de verdachte reeds lange tijd in voorarrest had doorgebracht en dat hij al jaren in Nederland woonde en hier een leven had opgebouwd. Volgens de A-G ging het om een niet nader gespecificeerd beroep op mogelijke vreemdelingrechtelijke consequenties waarop het hof niet gehouden was te reageren. De Hoge Raad deed het middel af met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Wel voldoende onderbouwd was het standpunt in HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360 m.nt. Schalken. De raadsvrouw had aangevoerd dat de verdachte wegens zijn ongewenstverklaring Nederland had moeten verlaten, maar dat hij na 5 jaar in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Voorts had zij onder verwijzing naar paragraaf 4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 onderbouwd dat deze termijn van 5 jaar pas zou aanvangen als de verdachte zijn straf volledig zou hebben uitgezeten, dat dit zou erop neerkomen dat de verdachte bij terugkeer naar Nederland eerst zijn openstaande straf zou moeten uitzitten, dat daarna pas de termijn zou beginnen te lopen en dat hij dan plaats van 5 jaar, 10 jaar zou moeten wachten op gezinshereniging. Om die reden zou volgens de raadsvouw een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak niet gepast zijn. De Hoge Raad overwoog dat de raadsvrouw haar standpunt had onderbouwd door te wijzen op de vreemdelingenrechtelijke consequenties die de oplegging van een onvoorwaardelijke straf voor de verdachte zou meebrengen en dat het betoog bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat het hof hiervan was afgeweken en daarbij in strijd met art. 359 lid 2 Sv had volstaan met een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ook in HR 8 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0542, NJ 1997/45 ging het om een responsieplichtig verweer. De raadsman had onder meer aangevoerd dat de verblijfsvergunning van de verdachte als gevolg van de onderhavige detentie niet was verlengd, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou leiden tot een definitieve ontzegging van het voortgezet verblijf en tot ongewenstverklaring, en dat de verdachte Nederland na zijn detentie zou moeten verlaten zonder terug te kunnen keren, met bijgevoegd een afschrift van het desbetreffende deel van het Vreemdelingencirculaire. De Hoge Raad overwoog dat het hof “gelet op de inhoud van het verweer, daartoe strekkende dat de verdachte bij oplegging van een gevangenisstraf van meer dan achttien maanden na ommekomst van de straf als ongewenst vreemdeling uit Nederland zou worden verwijderd” er in zijn strafmotivering blijk van had moeten geven dat verweer in zijn beschouwingen te hebben betrokken.

In HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5162 voerde de raadsman aan dat de verdachte ongewenst was verklaard en verwees hij naar paragraaf A.5.2. van de Vreemdelingencirculaire waaruit volgde dat een ongewenstverklaring aan de orde is bij een gevangenisstraf van meer dan één maand. De Hoge Raad achtte het betoog van de raadsman over de vreemdelingenrechtelijke consequenties van een gevangenisstraf van langer dan een maand aan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren was gebracht. Het hof was hiervan afgeweken zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hadden geleid.

Ten slotte HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4987. Ook in die zaak was volgens de Hoge Raad sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De raadsvrouw had gesteld dat “iedere onvoorwaardelijke veroordeling funest” was voor een verblijfsvergunning en verzocht om een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf, onder vermelding van de relevante passages uit de toelichting bij de Vreemdelingencirculaire. Het hof legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zonder nadrukkelijk in te gaan op dit verweer. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 tweede volzin niet in het bijzonder de redenen had opgegeven die tot afwijking van het standpunt hadden geleid.

Terug naar de onderhavige zaak. Het betoog van de raadsman houdt het standpunt in dat het hof moet volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf omdat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vrijwel zeker leidt tot het niet-verlenen van een verblijfsvergunning. De raadsman heeft dit verzoek onderbouwd door toe te lichten dat de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning reeds vanwege deze strafzaak is afgewezen, dat in de procedure voor de verblijfsvergunning de uitkomst van de strafzaak wordt afgewacht en dat doorslaggevend is of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk wordt opgelegd. De raadsman heeft in dialoog met de voorzitter van het hof ook verwezen naar “artikel 3.77 lid 1 onder c van het Vreemdelingenbesluit” en “artikel 4.4 onder b van de Vreemdelingencirculaire” – waarin onder meer is bepaald dat de IND een aanvraag voor een verblijfsvergunning afwijst bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of tot een taakstraf − en daarover gezegd het in het geval van de verdachte “een beetje een glijdende schaal is”. Hoewel de raadsman de “glijdende schaal” niet nader heeft geconcretiseerd, heeft hij uiteindelijk naar specifieke en relevante bepalingen uit het vreemdelingenrecht gewezen. Deze onderbouwen zijn standpunt dat als een vreemdeling is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke straf, dat een omstandigheid is “die er vrijwel zeker toe zal leiden dat cliënt geen verblijfsvergunning krijgt”. Gelet op de onder 3.9-3.15 besproken rechtspraak meen ik dat het door de raadsman aangevoerde redelijkerwijs dient te worden verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede volzin Sv omtrent de consequenties die de oplegging van een onvoorwaardelijke straf heeft voor de verblijfstatus van de verdachte.

Het hof is van dit standpunt afgeweken door een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid. Hoewel uit de strafmotivering blijkt dat het hof de ernst van het feit zwaarder heeft laten wegen dan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, was het hof – gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak – gehouden om nadrukkelijk te reageren op het door de verdediging gevoerde verweer.

De eerste deelklacht slaagt.

Tweede deelklacht

Vooropgesteld moet worden dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM omschreven recht op berechting binnen een redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. De rechter dient in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen blijkt te geven van dit onderzoek. Dat is onder meer het geval als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

De steller van het middel voert aan dat het hof wel heeft gereageerd op het verweer waarin is aangevoerd dat in hoger beroep de redelijke termijn is geschonden, maar niet op het verweer waarin is aangevoerd dat in eerste aanleg de redelijke termijn is geschonden.

De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 2024 over de schending van de redelijke termijn aangevoerd: “De redelijke termijn is zowel in eerste als in tweede aanleg overschreden; we zijn inmiddels 3 jaar verder. Dat zou tot strafvermindering moeten leiden.”

Het hof overweegt in het bestreden arrest dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM, dat namens de verdachte op 28 december 2021 hoger beroep is ingesteld en dat − nu het hof eerst op 13 december 2024 arrest wijst − de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 1 jaar.

Uit het bovenstaande volgt dat het hof heeft gereageerd op het deel van het verweer dat betrekking heeft op de schending van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof heeft wat de raadsman heeft aangevoerd over de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moest worden gegeven. Dat is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman – nadat hij heeft aangevoerd dat de redelijke termijn in zowel de eerste aanleg als in de tweede aanleg is overschreden − over het tijdsverloop slechts heeft aangevoerd “we zijn inmiddels 3 jaar verder”. Het hof is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat dit slaat op het tijdsverloop in hoger beroep, nu het hoger beroep is ingesteld op 28 december 2021 en het hof op 13 december 2024 arrest wijst, en er dus 3 jaar zijn verstreken. Nu aan de zijde van de verdediging een onderbouwing ontbreekt van de gronden waarop de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden en in dat verband slechts is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, was het hof mijns inziens niet gehouden tot een uitdrukkelijke beslissing daarover.

De tweede deelklacht faalt.

4. Het tweede middel

Het middel houdt in dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden omdat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

Op 27 december 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 september 2025 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met 21 dagen. Het middel klaagt daarover terecht.

Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel slaagt, hetgeen dan moet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging, zal de Hoge Raad aan de bespreking van het tweede middel niet toekomen. Voor het geval de Hoge Raad anders oordeelt, merk ik op dat dan kan worden volstaan met een constatering van de termijnoverschrijding gelet op de beperkte omvang daarvan.

5. Afronding

Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft daarom geen bespreking.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand