ECLI:NL:PHR:2026:854

ECLI:NL:PHR:2026:854

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 24/03467
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Middel verzet zich tegen bij tbs gestelde voorwaarden. Klachten dat beslissing om verdachte op te nemen in een zorginstelling in handen wordt gelegd van de reclassering, falen. Klacht over contactverbod is tevergeefs voorgesteld. Verbod om contact “te hebben of zoeken” moet namelijk zo worden verstaan dat hof de verdachte heeft bevolen zich te onthouden van contact. Ambtshalve constatering dat redelijke termijn in cassatiefase is overschreden. Gelet op opgelegde maatregel en omstandigheid dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest uitkomt op nihil kan worden volstaan met constatering. Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03467

Zitting 22 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 30 augustus 2024 (parketnr. 21-000156-23) veroordeeld wegens onder 1, 2 en 4 “eendaadse samenloop van belaging, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en onder 5 en 6 telkens “smaadschrift”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 174 dagen met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de in het arrest genoemde voorwaarden en dat de tbs maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Verder heeft het hof de in beslag genomen nog niet teruggeven telefoontoestellen verbeurd verklaard. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] toegewezen. Voor de toegewezen bedragen heeft het hof telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

Het hof heeft – net als de rechtbank – tbs met voorwaarden opgelegd. Het cassatieberoep verzet zich tegen drie van de daarbij gestelde voorwaarden. Die voorwaarden zouden in strijd zijn met art. 38 lid 1 Sr en art. 38a lid 1 Sr dan wel niet het gedrag van de verdachte betreffen en/of onvoldoende duidelijk zijn.

Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3. Het middel

Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht is gericht tegen de onder 3 geformuleerde voorwaarde. Deze voorwaarde houdt kort gezegd in dat “indien de reclassering het nodig vindt en de verdachte daarmee instemt” de verdachte zich voor een time-out moet laten opnemen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of een andere instelling. De tweede deelklacht is gericht tegen de voorwaarde onder 5 waarin het hof opname “op aanwijzing van de reclassering” in een zorginstelling als voorwaarde stelt. De derde deelklacht verzet zich tegen het onder 9 geformuleerde contactverbod dat inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze “contact zal hebben of zoeken” met een viertal personen.

Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:

Aanvullende overweging ten aanzien van de motivering van de oplegging van straf en maatregel door de rechtbank

[…]

Aanvullende rapportages

Het hof heeft naast de rapportages die in de fase bij de rechtbank zijn opgesteld ook kennisgenomen van de volgende aanvullende rapportages die in het kader van deze strafzaak, en na de zitting in eerste aanleg, zijn opgesteld:

- het aanvullend psychologisch onderzoek door [deskundige 1] , psycholoog, van 23 september 2023 en het aanvullend psychiatrisch onderzoek door [deskundige 2] , psychiater, van 23 augustus 2023;

- een advies vordering voorlopige verpleging van 29 februari 2024;

- een consult strafrechtspleging van 1 maart 2024;

- een advies omzetting naar dwangverpleging van 21 maart 2024;

- een voortgangsverslag van 1 februari 2024, 18 april 2024, 16 mei 2024 en 19 juli 2024;

- reclasseringsadvies (inzake hoger beroep) van 13 augustus 2024.

Uit het aanvullend psychologisch onderzoek van 23 september 2023 volgt dat [deskundige 1] adviseert dat behandeling mogelijk is in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf. Dat advies is mede gebaseerd op de positieve ontwikkelingen die betrokkene tijdens zijn klinische behandeling heeft doorgemaakt. [deskundige 2] , psychiater, heeft zich bij dat advies aangesloten. Ten aanzien van de diagnostiek en toerekenbaarheid zijn de deskundigen bij de eerdere conclusies gebleven, zoals dat er bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en dat de feiten betrokkene in verminderde mate zijn toe te rekenen.

Uit het laatste reclasseringsadvies van 13 augustus 2024 volgt onder meer het verloop van de tbs-maatregel tot nu toe, zoals dat verdachte enige tijd klinisch verbleef bij FPA de Wier+ en dat verdachte zou uitstromen naar een beschermde woonvorm, maar werd aangehouden wegens overtreding van het contactverbod. Daarvoor is er op 10 juni 2024 een omzettingszitting geweest, die niet heeft geleid tot omzetting naar dwangverpleging. Volgens de reclassering is De Wier+ positief over het verloop van behandeling en heeft betrokkene binnen de behandeling vooruitgang laten zien. De reclassering verwijst ook naar de afsluitende brief van FPA de Wier+, waaruit volgt dat betrokkene zich heeft gecommitteerd aan de behandeling en daarvan heeft geprofiteerd. Nadat doorstroming naar een begeleide woonvorm geen doorgang kon vinden, is besloten dat betrokkene zich vestigt bij familie totdat er voor hem een geschikte klinische plek is gevonden. Sindsdien is betrokkene volgens de reclassering in contact gebleven, liet hij zich adviseren, werkte hij mee aan controle op middelengebruik en deed hij op eigen initiatief een intake bij de taakstrafunit. De reclassering beschrijft daarnaast dat betrokkene heeft aangegeven dat hij zich zal blijven houden aan de opgelegde voorwaarden en dat hij openstaat voor een nieuwe klinische opname om van daaruit toe te werken naar verdere resocialisatie. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld-hoog. Ten aanzien van het opleggen van een regulier voorwaardelijk kader heeft de reclassering opgemerkt dat er, indien nodig, in dat geval geen mogelijkheid bestaat om middels behandelinterventies tot beperking van het recidiverisico te komen. Uit dit advies volgt ook dat met verdachte is afgesproken dat hij bij elk contact vanuit aangeefster contact opneemt met de reclassering. Verder volgt uit dit advies nog dat er tot op heden geen geschikte plek voor betrokkene is gevonden, maar dat er hoop is dat betrokkene een positief advies zal krijgen, na een intakegesprek van Trajectum op 21 augustus 2024.

Oordeel van het hof

Het hof komt - net als de rechtbank - tot het opleggen van tbs met voorwaarden en overweegt daarover in aanvulling op de motivering van de rechtbank het volgende.

Het hof merkt op dat aan de voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan, zoals de rechtbank dat op juiste wijze heeft gemotiveerd in haar vonnis.

Het hof heeft kennis genomen van de verschillende rapportages. Het hof stelt vast dat verdachte niet alle noodzakelijke, relevante informatie met de rapporterende deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] heeft gedeeld en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, zoals over het contact met zijn ex-vriendin met wie hij in het kader van deze strafzaak een contactverbod heeft en een (eenmalige) terugval in cannabisgebruik. Het hof overweegt dat het advies en de inschatting van het recidiverisico door de deskundigen mede is gebaseerd op de informatie die tijdens het onderzoek aan de deskundigen is verstrekt. Uit het aanvullend psychologisch onderzoek volgt dat [deskundige 1] , psycholoog, de risicotaxatie omlaag heeft bijgesteld, vanwege de positieve ontwikkelingen waarbij betrokkene zich positief inzette tijdens behandeling en is gerapporteerd dat betrokkene sinds oktober 2022 abstinent is van softdrugs. [deskundige 2] , psychiater, heeft gerapporteerd dat het behandeltraject hand in hand is gegaan met het bereiken van abstinentie van middelen en dat betrokkene reeds langere tijd geen contact meer heeft gezocht met aangeefster en niet aan haar dacht. Het hof constateert dat de deskundigen daarbij relevante en tevens delictgerelateerde informatie misten op het moment dat een inschatting moest worden gemaakt van dergelijke risico’s als recidive. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij, nadat hij vrij is gekomen, eenmaal heeft geblowd en dat in de tussentijd - ondanks het contactverbod - contact is geweest tussen hem en aangeefster. Verdachte heeft ook erkend dat hij open had moeten zijn tegen de reclassering en dat hij het contact in eerste instantie voor haar heeft stilgehouden.

Uit het recente reclasseringsadvies van 13 augustus 2024 volgt daarnaast dat betrokkene op een afgenomen urinecontrole van 23 juli 2024 en 30 juli 2024 (licht) positief scoorde op cannabis (THC). Verdachte blijft echter bij zijn verklaring dat hij slechts één keer heeft geblowd na zijn detentie en is ook in hoger beroep bij die verklaring gebleven. De reclassering beschrijft het middelengebruik als indirect delictgerelateerd en als een risico verhogende factor. De reclassering heeft aangegeven daar aandacht voor te hebben en dat te blijven monitoren.

Het hof weegt die omstandigheden mee, nu en ook dat het advies en de inschatting van het recidiverisico van de deskundigen tot stand is gekomen zonder dat de rapporterend deskundigen ook over die relevante informatie beschikten. Hoewel het hof ook heeft gelezen dat verdachte tijdens zijn behandeling bij Wier+ openheid lijkt te hebben gegeven, benadrukt het hof nogmaals het belang dat verdachte volledige openheid van zaken geeft. Verdachte heeft dat tijdens het gedragskundige onderzoek - hoe dan ook - niet gedaan, hij heeft tijdens dat aanvullende deskundigenonderzoek bijvoorbeeld op een vraag zelfs meegedeeld niet meer aan aangeefster te denken terwijl wel degelijk opnieuw contact bestond.

Verdachte heeft over zijn huidige persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep in aanvulling op hetgeen is voorgehouden naar voren gebracht dat hij momenteel bij zijn broer verblijft en dat het goed gaat en dat hij een nieuwe relatie heeft. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zich zal houden aan de voorwaarden die aan hem worden opgelegd, ook in het geval dat in het kader van tbs met voorwaarden is.

Het hof is van oordeel dat een tbs met voorwaarden in de gegeven situatie onontkoombaar is. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende basis om het recidivegevaar op verantwoorde wijze in te perken in het kader van voorwaarden bij een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht de huidige situatie - hoewel verdachte positieve stappen lijkt te zetten, zich openstelt voor behandeling en begeleiding en bereid is om zich aan voorwaarden te houden - niet dermate stabiel om de voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen. Het hof heeft daarbij de hiervoor beschreven omstandigheden in aanmerking genomen. Het hof heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte tijdens een lopende proeftijd waarbij voorwaarden golden hardnekkig heeft gerecidiveerd. Het hof heeft ook de benodigde duur van de behandeling en begeleiding in aanmerking genomen. Het hof is alles afwegend van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen ook nu nog eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld waarbij voorwaarden aan het gedrag van verdachte worden gesteld.

Het hof zal bij de oplegging van tbs met voorwaarden de geadviseerde voorwaarden uit het recente advies van de reclassering van 13 augustus 2024 overnemen, waardoor sprake is van een wijziging van enkele voorwaarden ten opzichte van het vonnis van de rechtbank. Het hof zal de voorwaarden in het vonnis daarom niet overnemen en neemt de geldende voorwaarden op in het dictum van dit arrest. In het bijzonder gaat het om de volgende wijzigingen ten opzichte van de voorwaarden in het vonnis:

Een andere formulering van de voorwaarden:

3. ‘meewerken aan een time-out’

5. ‘Opname in een zorginstelling’

7. ‘begeleid wonen of maatschappelijke opvang’

10. ‘locatieverbod’

Daarnaast is de bijzondere voorwaarde onder 6. ‘ambulante behandeling’ toegevoegd. In het vonnis van de rechtbank was deze voorwaarde geïntegreerd in de voorwaarde onder 5 ‘Opname in een zorginstelling’, terwijl verdachte op dit moment niet klinisch opgenomen is. De reclassering heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van tbs met voorwaarden geadviseerd nu de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Het hof acht dat advies op basis van de inhoud van het dossier navolgbaar en neemt dat over.

Het hof zal in het dictum de beslissingen met het oog op de executie van het arrest volledig weergeven.

[…]

BESLISSING

[…]

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

1. verdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht door:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de reclassering te helpen aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, die nodig is voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- mee te werken aan huisbezoeken;

- inzicht te geven aan de reclassering in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- zich niet op een ander adres te vestigen zonder toestemming van de reclassering;

- mee te werken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

3. als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

5. verdachte laat zich op aanwijzing van de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling, ook als dit inhoudt, het innemen van medicatie. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

6. verdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

7. verdachte verblijft aansluitend aan zijn verblijf in een zorginstelling in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

8. verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

9. verdachte zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact hebben of zoeken met:

- [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum] 1986,

- [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ;

- [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ;

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;

10. verdachte bevindt zich zolang reclassering dit noodzakelijk vindt niet binnen een straal van twee kilometer van de [a-straat 1] , [postcode] te [geboorteplaats] . Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.

Beveelt dat de opgelegde tbs maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.”

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

− Art. 38 lid 1 en lid 5 Sr

“1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in art. 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

5. Een voorwaarde kan de rechter slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarde.”

− Art. 38a lid 1 Sr

“De voorwaarden bedoeld in het eerste lid van artikel 38 kunnen inhouden dat de ter beschikking gestelde zich in een door de rechter aangewezen instelling laat opnemen, zich onder behandeling stelt van een in de uitspraak aangewezen deskundige, of door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de behandelend arts aan hem worden toegediend.”

− Artikel 6:6:10a lid 1 en lid 4 Sv

“1. Indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechter-commissaris op vordering van het openbaar ministerie een bevel tot tijdelijke opname van de ter beschikking gestelde geven voor de duur van maximaal zeven weken in een door de rechter aangewezen instelling.

4. De tijdelijke opname kan plaatsvinden zonder bereidverklaring van de ter beschikking gestelde.”

De voorwaarden waarover het cassatiemiddel klaagt, maken deel uit van een reeks van bij de beslissing dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, opgenomen voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte. Een klacht over afzonderlijke voorwaarden moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het geheel van de gestelde voorwaarden, die onmiskenbaar strekken tot een doeltreffende behandeling van de verdachte en dus ook tot het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast moet het volgende voorop worden gesteld. Ingevolge art. 38a Sr kan als voorwaarde bij een terbeschikkingstelling de opneming van de veroordeelde in een, door de rechter in zijn uitspraak aan te wijzen, instelling worden gesteld. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een instelling en, zo ja, in welke instelling, is voorbehouden aan de rechter. Zonder rechterlijke toetsing is zo’n opname slechts mogelijk als de verdachte daarmee instemt op het moment dat die opname aan de orde is. Ontbreekt die instemming op dat moment, dan biedt artikel 6:6:10a Sv de mogelijkheid dat de rechter-commissaris een tijdelijke opname beveelt als aan de in die bepaling gestelde eisen is voldaan.

Verder is nog van belang dat een maatregel van terbeschikkingstelling op grond van art. 38d lid 1 Sr geldt voor de termijn van twee jaar. Die termijn kan door de verleningsrechter, op vordering van het openbaar ministerie telkens hetzij met een jaar, hetzij met twee jaar worden verlengd, waarbij de maximale duur van de terbeschikkingstelling een periode van 9 jaren niet te boven mag gaan. Bij gelegenheid van die verlenging kan een gestelde voorwaarde door de verlengingsrechter worden aangevuld, gewijzigd of opgeheven. In het wettelijk systeem ligt daarom besloten dat, als de rechter een voorwaarde stelt die strekt tot opname in een instelling en hij daarbij niet een concrete duur van die opname bepaalt, die duur in elk geval is beperkt tot de termijn van de terbeschikkingstelling. Daarbij wordt de duur van die termijn bij een mogelijke verlenging van de maatregel opnieuw door de rechter getoetst.

Eerste deelklacht

De toelichting op de eerste deelklacht houdt in dat de onder 3 gestelde voorwaarde onverenigbaar is met art. 38a Sr, omdat het de beslissing of de verdachte zich voor de duur van maximaal zeven weken tot maximaal veertien weken moet laten opnemen in een instelling (primair) in de handen legt van de reclassering terwijl die beslissing kort gezegd is voorbehouden aan de rechter. Subsidiair houdt de toelichting op het middel in dat de voorwaarde geen voorwaarde betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde is dan wel dat deze te onduidelijk en onvoldoende concreet is, omdat het instemmen met een opname of het verlaten van de instelling kennelijk vrijblijvend is en het niet duidelijk is waar de verdachte zich aan moet houden en in welke gevallen de voorwaarde wordt overtreden.

Het hof heeft in het bestreden arrest onder 3 de volgende voorwaarde gesteld:

“3. als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar”

Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat de onder 3 gestelde voorwaarde onverenigbaar is met art. 38a lid 1 Sr omdat de beslissing tot opname in een instelling in handen wordt gelegd van de reclassering in plaats van de rechter, faalt het omdat de voorwaarde de eis stelt dat de verdachte instemt met de opname. Gelet op het onder 3.5 vooropgestelde is een opname zonder rechterlijke toetsing mogelijk als de verdachte daarmee instemt op het moment dat die opname aan de orde is.

Ook voor zover het cassatiemiddel inhoudt dat niet duidelijk is wat het gevolg is als de verdachte de instelling voortijdig zou verlaten treft het geen doel nu in de voorwaarde is bepaald dat de “time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt”. Hierin ligt besloten dat wanneer de verdachte de opname zelf beëindigt, dit geen overtreding van de voorwaarde behelst. In dat verband is van belang dat de voorwaarde niet tot doel heeft de verdachte tot medewerking te verplichten, maar een grondslag biedt voor forensische zorg. Verder gaat ook deze klacht eraan voorbij dat een opname zonder rechterlijke toetsing mogelijk is als de verdachte daarmee instemt op het moment dat die opname aan de orde is. Het hof heeft de opname ook bij dergelijke instemming er nader van afhankelijk gesteld dat de reclassering de opname nodig vindt, terwijl het hof bovendien verdere beperkingen van de mogelijke duur van de opname heeft bepaald. Mede erop gelet dat de voorwaarden bedoeld in art. 38 lid 1 Sr betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde op grond van art. 38a lid 1 Sr kunnen bestaan in het opnemen van de ter beschikking gestelde, staat er geen rechtsregel aan in de weg dat het hof het onder 3 bepaalde in het kader van de voorwaarden heeft opgenomen.

Ten overvloede merk ik op dat de rechter-commissaris op basis van art. 6:6:10a lid 1 Sv – zonder bereidverklaring van de ter beschikking gestelde − een tijdelijke opname kan bevelen indien de ter beschikking gestelde een voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist.

De eerste deelklacht faalt.

Tweede deelklacht

De toelichting op de tweede deelklacht houdt in dat de onder 5 gestelde voorwaarde bepaalt dat dat de verdachte zich “op aanwijzing van de reclassering” laat opnemen in een zorginstelling voor zolang als de reclassering dat nodig vindt, terwijl ook die beslissing tot opname in een zorgstelling en voor welke duur is voorbehouden aan de rechter.

Het hof heeft in het bestreden arrest onder 5 als voorwaarde gesteld:

“5. verdachte laat zich op aanwijzing van de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling, ook als dit inhoudt, het innemen van medicatie. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing”

De opname in een zorginstelling is een onderdeel van de tbs-behandeling van de verdachte die bestaat uit een opname in een zorginstelling (voorwaarde 5), het zich laten behandelen door een zorgverlener (voorwaarde 6) en het aansluitend − op het verblijf in de zorginstelling − verblijven in een instelling voor beschermd wonen of een maatschappelijke opvang (voorwaarde 7). Voor zover het middel inhoudt dat de beslissing tot opname in handen wordt gelegd van de reclassering faalt het omdat de voorwaarde inhoudt dat de verdachte zich laat opnemen in een zorginstelling en deze beslissing dus reeds door het hof is genomen. In het wettelijk systeem ligt daarnaast besloten dat de duur van die opname in elk geval is beperkt tot de termijn van de terbeschikkingstelling. De omstandigheid dat de opname “op aanwijzing van de reclassering” plaatsvindt doet aan het voorgaande geen afbreuk. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de reclassering de verdachte instrueert bij de uitvoering van die opname.

De tweede deelklacht faalt eveneens.

Derde deelklacht

De toelichting op de deelklacht houdt in dat voor zover de voorwaarde onder 9 inhoudt dat het voor de verdachte verboden is “contact te hebben” met een viertal personen, dit niet uitsluitend betrekking heeft op het gedrag van de verdachte maar ook situaties bestrijkt waarin de ander het initiatief tot het contact neemt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zou volgen dat de aangeefster contact bleef/blijft zoeken met de verdachte. Een duidelijke formulering van het contactverbod zou daarom noodzakelijk zijn.

Het hof heeft in het bestreden arrest onder 9 de volgende voorwaarde gesteld:

“9. verdachte zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact hebben of zoeken met:

- [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum] 1986,

- [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ;

- [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ;

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ; zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht”

Het hof heeft bij het stellen van de voorwaarde dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal “hebben of zoeken” met [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [betrokkene 1] , kennelijk willen aansluiten bij de in art. 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr omschreven beslissing. De beslissing van het hof moet daarom zo worden verstaan dat het hof de verdachte heeft bevolen zich te onthouden van contact met [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [betrokkene 1] . De verdachte heeft daarom geen belang bij de klacht.

De derde deelklacht is tevergeefs voorgesteld.

4. Afronding

De middelen falen.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 september 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Gelet op de aard van de opgelegde maatregel en op de omstandigheid dat de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest op nihil uitkomt, kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM.

Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand