PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01803 E
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 april 2024 door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag wegens in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 83-261242-21 onder 1 en 2 telkens "feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.2 van de Wet dieren, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 3 en in de zaak met parketnummer 83-261217-21 onder 1 en 2 telkens "feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.2 van de Wet dieren, gepleegd door een rechtspersoon” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01801 ( [medeverdachte] ). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben J.L. Baar, advocaat in Arnhem, en M.M. Kuyp, advocaat in Laren, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘voor landbouwdoeleinden gehouden dieren’.
Aan de verdachte is – kortgezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van diverse voorschriften, gesteld krachtens art. 2.2 lid 10 van de Wet dieren, gepleegd door een rechtspersoon. Het gaat hierbij om overtreding van voorschriften die zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van dit besluit betreffende het houden van dieren voor landbouwdoeleinden.
In hoger beroep is namens de verdachte het verweer gevoerd dat de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren niet van toepassing zijn op de dieren die door de [medeverdachte] werden gehouden. Het hof heeft het betreffende verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De verdediging heeft overeenkomstig de door haar overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen betoogd dat het Besluit houders van dieren voor zover dat ziet op de bepalingen over het houden van dieren voor landbouwdoeleinden (hoofdstuk 2) niet van toepassing is. De dieren van de Stichting worden namelijk niet voor landbouwdoeleinden gehouden. De Stichting zet zich in voor de natuur en het behouden van zeldzame rassen. De begrazing door schapen en runderen en het omwroeten van de grond door de varkens komt de biodiversiteit ten goede. Dat de dieren ook enkele producten opleveren, is een prettige bijkomstigheid, doch slechts nevengeschikt aan het natuurbeheerdoel. Van intensieve veehouderij of productie is geen sprake.
[…]
Het hof overweegt als volgt. De bepalingen waarop het verweer van de verdediging ziet, betreffen de tenlastegelegde bepalingen 2.20 lid 2 en 2.26 van het Besluit houders van dieren. Deze bepalingen, die zien op de huisvesting en watervoorziening van varkens, zijn opgenomen in paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit. Deze paragraaf heeft als opschrift ‘het houden van varkens voor productie’. De overige tenlastegelegde feiten betreffen overtredingen van hoofdstuk 1 van het Besluit dat algemene bepalingen bevat. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze bepalingen van toepassing zijn. Voor de onderhavige zaak is derhalve, gelet op de tenlastelegging, relevant de vraag in hoeverre de varkens van de Stichting worden gehouden voor productie.
Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake. Uit de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat hij varkens is gaan houden mede omdat het heideschaap mager vlees heeft en hij vet nodig had om worst te maken. Uit de gegevens van de RVO volgt dat in de periode 21 juli 2015 tot en met 26 februari 2021 11 varkens van de Stichting zijn geslacht. Uit de opgave aan de RVO volgt dat de Stichting in 2020 in totaal één big, zeven vleesvarkens en 12 fokvarkens hield. In 2021 waren dat 20 vleesvarkens en vier fokvarkens. Hieruit leidt het hof af dat de varkens minst genomen mede voor productiedoeleinden zijn gehouden. Het hof merkt op dat paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren niet bepaalt dat deze paragraaf alleen van toepassing is in gevallen waarin een (minimum) aantal varkens wordt gehouden. Dit is wel het geval ten aanzien van enkele andere diersoorten waar het Besluit zich op richt. Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit echter dat deze paragraaf zich niet alleen richt op bedrijven waar grootschalige intensieve veehouderij wordt toegepast binnen de reikwijdte daarvan vallen. Immers bevat de paragraaf ook bepalingen die zien op zogenaamde RE-bedrijven, Dit zijn bedrijven waar ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden, oftewel hobbybedrijven. De Stichting is, zoals eerder naar voren gebracht, ook als RE-bedrijf geregistreerd. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de bepalingen uit paragraaf 4 van het Besluit houders van dieren in de onderhavige zaak van toepassing zijn.”
Art. 2.20 lid 2 van het Besluit houders van dieren luidt:
“De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:
a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2;
b. voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m2;
c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m2;
d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m2.”
Art. 2.26 van het Besluit houders van dieren luidt:
“1. Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.
2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.
3. Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.”
Naar aanleiding van een geconstateerde overtreding van art. 2.20 lid 2, aanhef en onder a, van het Besluit houders van dieren heeft het hof in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“De [medeverdachte] in de periode van 30 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te [plaats] , in de gemeente [plaats] ,
als houder van een varken op de locatie [a-straat 1]
opzettelijk,
er geen zorg voor heeft gedragen dat een beer die jonger was dan 12 maanden over een staloppervlakte van ten minste 4m2 beschikte, immers was de oppervlakte maar 1,83 m2, zulks terwijl voornoemde overtreding plaatsvond in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden
aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven”.
Naar aanleiding van geconstateerde overtredingen van art. 2.26 van het Besluit houders van dieren heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
- in de zaak met parketnummer 83-261200-21 onder 1 dat:
“De [medeverdachte] in de periode van 23 maart 2020 tot en met 6 april 2020, te [plaats] in de gemeente [plaats] en te [plaats] in de gemeente [plaats] ,
als houder van 9 varkens (te [plaats] in het kassencomplex op de locatie [b-straat 1] ) en een wolvarken (te [plaats] op de locatie [a-straat] ) opzettelijk
er geen zorg voor heeft gedragen dat die 9 varkens en dat wolvarken die ouder dan twee weken waren, permanent beschikten over voldoende vers water zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden
aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;”
- in de zaak met parketnummer 83-261217-21 onder 1 dat:
“De [medeverdachte] op 4 januari 2021 te [plaats] , in de gemeente [plaats] ,
als houder van meerdere varkens op de locatie [c-straat] naast de watertoren
opzettelijk,
er geen zorg voor heeft gedragen dat
3 varkens die ouder dan twee weken waren, permanent beschikten over voldoende vers water
zulks terwijl voornoemde overtreding plaatsvond in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden
aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven”.
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de varkens van de Stichting werden gehouden voor productie en dat daarmee in de onderhavige zaak de bepalingen van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren betreffende het houden van varkens voor productie, en meer in het bijzonder art. 2.20 lid 2 en art. 2.26 van dit besluit, van toepassing zijn.
De stellers van het middel voeren aan dat hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren, dat voorschriften bevat voor het houden van dieren voor landbouwdoeleinden, enkel van toepassing is op zogenaamde productiedieren, terwijl daarvan – anders dan het hof heeft geoordeeld – in de voorliggende zaak geen sprake is. Er werden wel eens dieren geslacht, maar het doel van productie stond niet voorop. Het doel van de stichting was natuurbeheer en het behoud van bijzondere rassen.
De stellers van het middel doen in dit verband een beroep op richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren, omdat deze richtlijn aan het Besluit houders van dieren ten grondslag ligt en in art. 2 een dier in de zin van die richtlijn wordt gedefinieerd als “een dier (dat) voor de productie van voedsel, wol, huid of pels, of voor andere landbouwdoeleinden wordt gefokt of gehouden”. Zij wijzen erop dat deze richtlijn op zijn beurt uitvoering geeft aan de Europese overeenkomst inzake de bescherming van landbouwhuisdieren.
De stellers van het middel lijken te miskennen dat het Besluit houders van dieren weliswaar uitvoering geeft aan richtlijn 98/58/EG, maar dat art. 2.20 en art. 2.26 lid 2 van dit besluit niet op die richtlijn zijn gebaseerd. Deze bepalingen zijn immers gebaseerd op art. 4 van richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (en de bijlage waarnaar dit artikel verwijst).
De preambule van richtlijn 2008/120/EG houdt in (met weglating van voetnoten):
“(1) Richtlijn 91/630/EEG van de Raad van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.
(2) De meeste lidstaten hebben het Europese Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren geratificeerd. Ook de Gemeenschap heeft dit Verdrag goedgekeurd bij Besluit 78/923/EEG van de Raad.
(3) Bij Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren, zijn voor alle gekweekte dieren communautaire voorschriften vastgesteld met betrekking tot de huisvesting van de dieren, isolatie, verwarming en verluchting, en keuring van de voorzieningen en van de dieren zelf. Meer gedetailleerde voorschriften ter zake moeten worden vastgesteld bij deze richtlijn.
(4) Varkens komen, als levende dieren, voor op de lijst van producten vermeld in bijlage I bij het Verdrag.
(5) Het houden van varkens maakt een integrerend deel uit van de landbouw. Deze activiteit vormt voor een deel van de landbouwbevolking een bron van inkomsten.
(6) Verschillen waardoor de mededingingsvoorwaarden kunnen worden vervalst vormen een belemmering voor een goede werking van de gemeenschappelijke marktordening voor varkens en producten van de varkenshouderij.
(7) Derhalve moeten gemeenschappelijke minimumnormen worden vastgesteld ter bescherming van fok- en mestvarkens, teneinde een rationele ontwikkeling van de productie te garanderen.
(8) Varkens moeten kunnen beschikken over een omgeving die beantwoordt aan hun behoeften inzake lichaamsbeweging en exploratief gedrag. Het welzijn van de varkens lijkt nadelig te worden beïnvloed door een stringente beperking van hun bewegingsvrijheid.
(9) Als varkens in een groep worden gehouden, dienen passende beheersmaatregelen ter bescherming van de dieren te worden getroffen om hun welzijn te bevorderen.
(10) Zeugen hebben vooral sociaal contact met andere varkens als zij zich vrij kunnen bewegen en een afwisselende leefomgeving hebben. Het permanent opsluiten van zeugen in kleine ruimten moet bijgevolg worden verboden.
(11) Het couperen van de staart en het knippen en vijlen van tanden veroorzaken bij de varkens vaak onmiddellijke pijn en in enkele gevallen langdurige pijn. Castratie veroorzaakt meestal langdurige pijn die nog groter is wanneer er weefsel wordt gescheurd. Dergelijke praktijken tasten derhalve het welzijn van de varkens aan, vooral wanneer zij worden toegepast door onbekwame en onervaren personen. Bijgevolg moeten regels worden vastgesteld om een goede toepassing te garanderen.
(12) Er moet een evenwicht worden gevonden tussen de verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, namelijk welzijn en gezondheids-, economische en sociale overwegingen en het milieueffect.”
Uit de preambule van richtlijn 2008/120/EG blijkt aldus dat deze richtlijn meer gedetailleerde voorschriften bevat ten opzichte van richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. Het bevat gemeenschappelijke minimumnormen ter bescherming van varkens die worden gehouden voor de fokkerij of de mesterij. Uit de preambule blijkt daarnaast dat de gemeenschappelijke minimumnormen zeker niet alleen zijn ingegeven door economische overwegingen en de bescherming van de interne markt waarnaar de stellers van het middel verwijzen, maar ook door welzijn en gezondheidsoverwegingen betreffende fok- en mestvarkens.
De stellers van het middel zijn – in de kern genomen – van oordeel dat de voorschriften betreffende de permanente beschikbaarheid van voldoende vers water en de minimale beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer in het onderhavige geval niet gelden, omdat de dieren niet voor de fokkerij of mesterij (en dus voor de productie) werden gehouden en de producten die van deze dieren afkomstig zijn een bijkomstigheid zijn, maar geen doel op zich. Het hof denkt hier anders over. Daarbij neemt het hof in overweging dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de varkens is gaan houden mede omdat hij vet nodig had om worst te maken. Verder stelt het hof vast dat in de periode van 21 juli 2015 tot en met 26 februari 2021 11 varkens van de stichting zijn geslacht en dat de stichting volgens opgave aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2020 in totaal één big, zeven vleesvarkens en 12 fokvarkens hield, terwijl dat in 2021 20 vleesvarkens en vier fokvarkens waren. Gelet hierop en tegen de achtergrond van het onder de randnummer 2.12 en 2.13 van deze conclusie weergegeven doel van richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens geeft het oordeel van het hof dat de varkens minst genomen mede voor productiedoeleinden zijn gehouden en dat de bepalingen die zijn neergelegd in paragraaf 4 van het Besluit houders van dieren in de onderhavige zaak daarom van toepassing zijn geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de strafbaarheid van het bewezenverklaarde toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
Gelet op hetgeen ik onder 2.11 heb opgemerkt, meen ik dat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor de Europese Unie over de uitleg van richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren geen aanleiding is.
3. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de door het hof opgelegde straf ‘verbazing’ wekt en de strafoplegging (daardoor) onvoldoende met redenen omkleed is.
Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is als veehouder bij herhaling in meerdere opzichten tekort geschoten in de verzorging van het van hem afhankelijke vee. Ondanks bestuursrechtelijk optreden, waaronder een last onder bestuursdwang opgelegd aan de Stichting vanwege geconstateerde onvolkomenheden op het gebied van dierenwelzijn, zijn in de periode daaropvolgend opnieuw ernstige tekortkomingen geconstateerd bij de Stichting van de verdachte. De bij het proces-verbaal gevoegde foto’s laten zien hoe ernstig de situatie voor de dieren was en bevestigen de beschreven schrijnende situatie. Vanwege hun zeer slechte conditie is een aantal dieren zelfs ter plekke geëuthanaseerd. Het hof overweegt dat de verdachte verantwoordelijk is voor de zorg van de dieren. De verdachte lijkt de bestaande problemen niet te herkennen of wil deze niet herkennen, en neemt hierin onvoldoende verantwoordelijkheid.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 maart 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Een verbod om op te treden als bestuurder van de [medeverdachte] of enige andere organisatie die zich bezighoudt met dieren voor duur van 1 jaar, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, acht het hof (vooralsnog) niet geboden.”
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
De feitenrechter is niettemin wel gehouden om te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de strafoplegging. Een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte levert evenwel niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een (responsieplichtig) uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.
Gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.Slechts indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen. Daarvan kan sprake zijn als de straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden, verbazing oproept. In een dergelijk geval is extra motivering vereist. Van verbazing kan ook sprake zijn als in hoger beroep veel zwaarder wordt gestraft dan in eerste aanleg, zonder dat die verhoging wordt gemotiveerd. Een ander geval dat verbazing kan oproepen is het geval dat de bewezenverklaring in appel minder (ernstige) feiten omvat dan in eerste aanleg, terwijl de opgelegde straf (vrijwel) hetzelfde blijft.
De economische politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld zonder oplegging van enige straf of maatregel. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De stellers van het middel menen dat de strafoplegging van het hof ‘verbazing’ wekt. Het hof heeft anders dan de rechter in eerste aanleg in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met een eerdere veroordeling voor een strafbaar feit. Het hof heeft tevens – anders dan de economische politierechter – niet expliciet in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij geen winstoogmerk had. Het hof heeft de aard en ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan kennelijk anders gewogen en beoordeeld dan de economische politierechter en is daarom tot een andere strafoplegging gekomen. Daarmee wekt de door het hof opgelegde taakstraf van 80 uren nog geen verbazing. Bovendien is deze toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het middel klaagt dat sprake is van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de inzendtermijn in cassatie is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering.
In geval een zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen. Door of namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep niet aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden, zodat de klacht dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden daarop afstuit.
Met betrekking tot de schending van de redelijke termijn van inzending in cassatie merk ik op dat op 6 mei 2024 beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 december 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen meebrengt dat de redelijke inzendtermijn in cassatie is overschreden. De klacht is daarmee terecht voorgesteld.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat het beroep in cassatie is ingesteld op 6 mei 2024, zodat de redelijke termijn van berechting in cassatie is overschreden.
Nu een taakstraf voor de duur van 80 uren is opgelegd, behoeft de schending van de redelijke termijn – waaronder de inzendingstermijn mede is begrepen – niet te leiden tot vernietiging van de duur van de opgelegde taakstraf en tot verlaging daarvan en kan de Hoge Raad volstaan met een constatering van de schending.
5. Slotsom
Het eerste en tweede middel falen en het derde middel is ten dele terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot constatering van de overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG