PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00153 Bv
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager 1] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
[klager 2] , advocaat in Den Haag, voorheen kantoorhoudende aan de [a-straat 1] op het kantoor van [A] ,
[klager 3] , advocaat in Den Haag, kantoorhoudende aan de [a-straat 1] op het kantoor van [A] ,
hierna: de klagers
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 17 oktober 2025 (parketnr. 82.253096-21, raadkamernr. 25-013700) het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klagers dat zich – kort gezegd – richt tegen het uitblijven van de teruggave van een in beslag genomen mobiele telefoon en tegen de kennisneming en het gebruik van de daarop opgeslagen gegevens, waaronder verschoningsgerechtigde gegevens, deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard.
Het cassatieberoep is blijkens de “herstelakte instellen cassatie” op 29 oktober 2025 ingesteld door de officier van justitie. [naam 1] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt opgekomen tegen de door de rechtbank aan het Openbaar Ministerie gegeven opdracht om de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën, te verzegelen en aan de rechter-commissaris te verstrekken, opdat onder auspiciën van de rechter-commissaris de digitale filtering/schoning zal plaatsvinden van geheimhoudersinformatie uit de digitaal vastgelegde gegevens en de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens zullen worden vernietigd. In het tweede middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het Openbaar Ministerie onvoldoende heeft aangetoond dat de filtering van gegevens zonder kennisneming daarvan kon geschieden.
Namens de klagers hebben J.S. Nan en B.F.M. de Koning, beiden advocaat in Den Haag, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het eerste middel slaagt en dat het tweede middel geen bespreking behoeft.
2. Wat aan het cassatieberoep vooraf is gegaan
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
In het onderzoek “Ramallah60” (parketnr. 82.253096-21) is klager [klager 1] op 21 september 2021 aangehouden, waarna hij in voorlopige hechtenis verbleef. Op 2 juni 2022 is de voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst.
In de periode van 5 tot en met 14 maart 2025 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen klager [klager 1] plaatsgevonden.
Op 9 mei 2025 is klager [klager 1] aangehouden met het oog op de opheffing van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis (art. 84 Sv). Bij die aanhouding is onder hem een iPhone in beslag genomen.
Op 9 mei 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van klager [klager 1] , afgewezen. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat de voorwaarden die aan de schorsing zijn verbonden, niet zijn nagekomen en dat onvoldoende is gebleken van vluchtgevaar.
Op 22 mei 2025 is door/namens de klagers een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan klager [klager 1] van de onder hem in beslag genomen iPhone. Het klaagschrift richt zich verder tegen de kennisneming en het gebruik van de op de iPhone opgeslagen gegevens, meer in het bijzonder van de zich daarop bevindende geheimhouderinformatie.
Op 28 mei 2025 is de in beslag genomen telefoon aan klager [klager 1] teruggegeven.
Op 3 juni 2025 is klager [klager 1] in het onderzoek Ramallah60 door de rechtbank Oost-Brabant voor witwassen, valsheid in geschrifte, gebruik maken van en/of voorhanden hebben van valse ID-bewijzen/reisdocumenten, deelname aan een crimineel samenwerkingsverband en medeplegen van de invoer van bijna 5.000 kg cocaïne veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Klager [klager 1] en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Op 29 september 2025 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk gereageerd op het klaagschrift van de klagers.
Op 3 oktober 2025 heeft de meervoudige raadkamer van de rechtbank het klaagschrift behandeld.
Op 17 oktober 2025 heeft de rechtbank op het klaagschrift beslist. In de – in cassatie bestreden – beschikking heeft de rechtbank hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Beklag
Door klagers wordt verzocht om opheffing van het beslag op de van de telefoon gekopieerde data die verschoningsgerechtigde gegevens bevatten en om vernietiging van deze data. Aan dat verzoek wordt ten grondslag gelegd dat de rechtbank op 3 juni 2025 uitspraak heeft gedaan in de zaak tegen klager [klager 1] met bovengenoemd parketnummer, waardoor het strafvorderlijk belang voor voortduring van het beslag op de gegevens niet meer aanwezig [is]. Klagers hebben hierbij aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet concreet heeft aangegeven waarop een eventueel vermeende nieuwe verdenking is gestoeld.
Daarnaast verzoeken de raadslieden de rechtbank ten aanzien van ten onrechte door het Openbaar Ministerie gefilterde data om:
a. te constateren dat het Openbaar Ministerie niet de geëigende filteringsprocedure heeft gevolgd;
b. het Openbaar Ministerie te bevelen om de loggegevens, zoals bedoeld in artikel 32a Wpg, aan klagers te verstrekken;
c. te beslissen dat de aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset alsnog moet worden verzegeld en (alsnog) c.q. nogmaals moet worden gefilterd onder auspiciën van de rechter-commissaris en te oordelen dat de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens dienen te worden vernietigd.
De raadslieden zijn van mening dat het Openbaar Ministerie niet zelfstandig, buiten de rechter-commissaris om, een opdracht tot filtering van de gegevens had mogen geven. Nu de raadslieden vrij snel na de inbeslagname van de telefoon aan het Openbaar Ministerie hebben laten weten dat er verschoningsgerechtigd materiaal tussen de digitale gegevens zou zitten, is daarvan in de Landeck-vordering van 15 mei 2025 ten onrechte geen melding gemaakt. Vanwege de aanwezigheid van verschoningsgerechtigd materiaal had de werkwijze, zoals door de Hoge Raad beschreven in het Castor-arrest, gevolgd moeten worden. De mogelijkheid van ongeziene filtering als bedoeld in r.o. 6.6.6. van dat arrest, in welk geval de filtering door de officier van justitie zou kunnen worden uitgevoerd, bestaat op dit moment (nog) niet. Automatische filtering zonder enige kennisname van gegevens is niet mogelijk, omdat tijdens het filteringsproces de hits zichtbaar zijn. Zodra verschoningsgerechtigde informatie inzichtelijk wordt en daar kennis van genomen kan worden, kan niet gesproken worden van ongeziene filtering en is een filtering onder leiding en verantwoording van de rechter-commissaris nodig. De raadslieden merken daarbij op dat de officier van justitie zelf een zoektermenlijst heeft opgesteld, terwijl in geval van de geëigende procedure van filtering door de rechter-commissaris de verdediging zoektermen kan aanleveren en de lijst met zoektermen geheim blijft voor de opsporing en de officier van justitie. Daarbij is sprake geweest van een incomplete zoektermenlijst, nu klager [klager 1] met meer verschoningsgerechtigden dan bovengenoemde raadslieden contact heeft gehad. Van klager kan niet worden verlangd dat aan de officier van justitie zoektermen kenbaar worden gemaakt waarop moet worden gefilterd, nu door die bekendmaking al een inbreuk wordt of kan worden gemaakt op het verschoningsrecht. De raadslieden hebben voorts geen mogelijkheid tot het uitvoeren van een steekproef gehad. Daarnaast wijzen de raadslieden erop dat ingeval van filtering onder auspiciën van de rechter-commissaris tegenwoordig, anders dan bij filtering door het Openbaar Ministerie, aanvullend opdracht wordt gegeven tot een volmaakte filtering op basis van kindspoorvergelijkingen, hashvergelijking en near- duplicate-vergelijking.
Standpunt Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie wijst erop dat de telefoon weliswaar in beslag is genomen bij aanhouding ter opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met bovenstaand parketnummer, maar dat op de telefoon gegevens zijn aangetroffen die nader onderzoek noodzakelijk maakt in verband met een nieuwe verdenking tegen klager [klager 1] . Klager [klager 1] wordt verdacht van het voorhanden hebben van een (ver)vals(t) reisdocument. Nu waarheidsvinding voortduring van het beslag op de te verkrijgen data vergt, verzet het strafvorderlijk belang […] zich tegen opheffing van het beslag op de van de telefoon gekopieerde data.
Voor wat betreft de aanwezigheid van verschoningsgerechtigd materiaal in de telefoon, heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat in de Landeck-vordering niet hoefde te worden vermeld dat mogelijk dergelijk materiaal aanwezig zou zijn. Het Openbaar Ministerie heeft voorts naar voren gebracht dat filtering van de gegevens in opdracht van de officier van justitie in deze zaak mogelijk was en dat dit op juiste wijze, dat wil zeggen ongezien, heeft plaatsgevonden. In het Castor-arrest heeft de Hoge Raad gesteld dat een officier van justitie een filtering uitvoert of kan doen uitvoeren als op voorhand duidelijk is dat de filtering kan plaatsvinden zonder kennisneming van de gegevens. Daarvan is in deze sprake geweest. Bij het Openbaar Ministerie bestond de vrees dat klager [klager 1] in de zaak met bovengenoemd parketnummer zou vluchten en snelheid was geboden om na te gaan of deze vrees gerechtvaardigd was. Een filteringprocedure uitgevoerd door de rechter-commissaris zou maanden vergen. Bovendien schakelt een rechter-commissaris dezelfde geheimhoudersmedewerkers van de FIOD in als het Openbaar Ministerie. Filtering op basis van kindspoorvergelijkingen is daarbij automatisch aan de orde. Filtering op basis van hashvergelijking en near-duplicate-vergelijking is niet gangbaar. Dit hadden de raadslieden aan kunnen vragen, maar dat is niet gebeurd.”
Ik merk op dat het klaagschrift over de reikwijdte ervan ook de volgende passage bevat:
“13. Tegen die achtergrond bestaat de vrees dat het OM thans onderzoek doet naar de inhoud van de in beslag genomen telefoon, zodat dit klaagschrift zich ook richt tegen kennisneming en het gebruik van gegevens, meer in het bijzonder van de geheimhoudersinformatie, die zich op de telefoon bevinden.”
De rechtbank heeft in haar beschikking van 17 oktober 2025 het beklag deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard en heeft in dat verband het volgende overwogen:
“Beoordeling
De rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige klaagschrift. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat de rechtbank in de zaak met bovengenoemd parketnummer op 3 juni 2025 vonnis heeft gewezen en klager [klager 1] en het Openbaar Ministerie hoger beroep hebben ingesteld, waardoor die zaak thans onder het gerechtshof is. Het Openbaar Ministerie heeft immers aangevoerd dat het beslag op de uit de telefoon verkregen gegevens niet ziet op die zaak, maar op een ander strafrechtelijk onderzoek tegen klager met betrekking tot een nieuwe verdenking.
De rechtbank acht klagers ontvankelijk in het beklag. Het beklag is immers schriftelijk en tijdig ingediend.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank stelt vast dat de mobiele telefoon inmiddels is teruggegeven aan klager [klager 1] . Gelet hierop zal de rechtbank het beklag ten aanzien van deze telefoon niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank dient vervolgens na te gaan of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op de van de mobiele telefoon verkregen data en gegevens vordert. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is gebleken dat klager [klager 1] wordt verdacht van overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht en dat nader onderzoek ten aanzien van deze verdenking dient plaats te vinden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat op dit moment het belang van strafvordering voortduring van het beslag op voornoemde data en gegevens vordert.
In het kader van de verdere beoordeling van het beklag dient de rechtbank binnen het kader van de procedure artikel 552a van het Wetboek van Strafrecht marginaal te toetsen of de door de officier van justitie toegepaste filtering wettig en op de juiste wijze is verricht.
In het Castor-arrest (ECLI:NL:HR:2024:375) heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd voor de te volgen procedure ten aanzien van filtering en vernietiging van gegevens. De Hoge Raad gaat daarbij onder andere in op de vraag of filtering door of onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie dan wel rechter-commissaris moet worden verricht.
De Hoge Raad stelt daarbij in overweging 6.6.6 dat, indien op voorhand duidelijk is dat de filtering van gegevens kan plaatsvinden zonder kennisneming van de gegevens, een bij het opsporingsonderzoek betrokken officier van justitie de filtering kan uitvoeren of doen uitvoeren. De officier van justitie kan dan een daartoe strekkende opdracht geven aan een, bij voorkeur als geheimhoudersmedewerker aangewezen, opsporingsambtenaar, waarbij de officier van justitie er zorg voor moet dragen dat door hemzelf en door die opsporingsambtenaar daadwerkelijk geen kennis wordt genomen van de uitgefilterde (mogelijk) geprivilegieerde gegevens. Onder de hier bedoelde gegevens, waarvan bij de filtering door die officier van justitie en de opsporingsambtenaar geen kennis mag worden genomen, zijn begrepen de zogenoemde metadata waaruit een (toekomstige) hulpverleningsrelatie met een verschoningsgerechtigde kan worden afgeleid. Na de filtering kunnen de gegevens waarvan evident is dat deze niet geprivilegieerd zijn, worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer onvoldoende is gebleken dat in de onderhavige zaak aan die door de Hoge Raad vastgestelde waarborgen voor de filtering van gegevens aangetroffen op de in beslag genomen telefoon door de officier van justitie is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in het licht van hetgeen de raadslieden daarover naar voren hebben gebracht onvoldoende heeft aangetoond dat de filtering van gegevens zonder kennisneming van de gegevens kon geschieden. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de officier van justitie zelfstandig bevoegd was tot het geven van een opdracht tot filtering van de gegevens. De rechtbank zal daarom gelasten dat het Openbaar Ministerie de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën, verzegelt en aan de rechter-commissaris verstrekt, opdat onder auspiciën van de rechter-commissaris de digitale filtering/schoning zal plaatsvinden van geheimhoudersinformatie uit de digitaal vastgelegde gegevens en de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens zullen worden vernietigd.
De rechtbank verklaart het beklag ten aanzien van de verzoeken van klagers om te constateren dat het Openbaar Ministerie niet de geëigende filteringsprocedure heeft gevolgd en om het Openbaar Ministerie te bevelen om de loggegevens zoals bedoeld in artikel 32 Wpg aan klagers te verstrekken, niet-ontvankelijk. Beoordeling van deze verzoeken valt niet onder de strekking van een procedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ten aanzien van de inbeslaggenomen en inmiddels teruggegeven mobiele telefoon niet-ontvankelijk;
- verklaart het beklag ten aanzien van het verzoek om te constateren dat het Openbaar Ministerie niet de geëigende filteringsprocedure heeft gevolgd niet-ontvankelijk;
- verklaart het beklag ten aanzien van het verzoek om het Openbaar Ministerie te bevelen om de loggegevens zoals bedoeld in artikel 32a Wpg aan klagers te verstrekken, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beklag gegrond in zoverre dat zij gelast dat het Openbaar Ministerie de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën, verzegelt en aan de rechter-commissaris verstrekt, opdat onder auspiciën van de rechter-commissaris de digitale filtering/schoning zal plaatsvinden van geheimhoudersinformatie uit de digitaal vastgelegde gegevens en de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens zullen worden vernietigd.”
3. Het eerste middel
In het middel wordt geklaagd dat “de rechtbank met haar opdracht aan het Openbaar Ministerie om de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën, [te verzegelen] en aan de rechter-commissaris te verstrekken, opdat onder auspiciën van de rechter-commissaris de digitale filtering/schoning zal plaatsvinden van geheimhoudersinformatie uit de digitaal vastgelegde gegevens en de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens zullen worden vernietigd, buiten haar bevoegdheid als raadkamer in de onderhavige procedure is getreden en zij daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”
Het juridisch kader
Zoals de steller van het middel in de toelichting daarop terecht opmerkt, kan de beklagprocedure als bedoeld in art. 552a Sv gelet op de tekst van de wet slechts resulteren in een viertal beslissingen, te weten:
i) dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het beklag kennis te nemen;
ii) dat de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaart in het beklag;
iii) dat de rechtbank het beklag ongegrond verklaart;
iv) dat de rechtbank het beklag gegrond verklaart en een daarmee overeenkomende last geeft.
In beslag genomen en/of vastgelegde gegevens
Op grond van art. 94 lid 1 Sv zijn onder meer alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar voor inbeslagneming. Ingevolge art. 98 lid 1 Sv mogen bij personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv (uit hoofde van hun ambt, beroep of stand) brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt niet zonder hun toestemming in beslag worden genomen.
Op grond van art. 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of de stukken onder het verschoningsrecht vallen. Daarbij is irrelevant of de stukken zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij de cliënt bevinden. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechter-commissaris beoordeelt of het standpunt van de geheimhouder onjuist is bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde. Voor zover het voor de beoordeling noodzakelijk is, mag de rechter-commissaris kennisnemen van de stukken. Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming is toegestaan, dan deelt hij op grond van art. 98 lid 3 Sv de verschoningsgerechtigde mede dat tegen zijn beslissing beklag openstaat en dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
Als de inbeslagneming betrekking heeft op een grote hoeveelheid (digitale) stukken of gegevens, terwijl bijvoorbeeld volgens de beslagene bepaalde stukken of gegevens onder het verschoningsrecht van geheimhouders vallen, ligt het doorgaans in de rede dat onder leiding van de rechter-commissaris een selectie wordt gemaakt tussen (digitale) stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen. Daarbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een – al dan niet door de beslagene te verstrekken – lijst met zoektermen die betrekking hebben op het deel van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich mogelijk uitstrekt, zoals namen en e-mailadressen of termen die specifiek kunnen duiden op het voorwerp van het ingeroepen verschoningsrecht. Als – zoals in dit geval – sprake is van (een forensische kopie van) een gegevensdrager met daarop gegevens die deels wel en deels niet onder het verschoningsrecht vallen, kan de door of onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris te verrichten filtering ertoe leiden dat de rechter-commissaris beslist dat de gegevens die onder het verschoningsrecht vallen worden vernietigd, waarna de gegevensdrager – nadat de beschikking van de rechter-commissaris onherroepelijk is geworden – kan worden overgedragen aan de politie.
Ingevolge art. 98 lid 4 Sv wordt de beschikking van de rechter-commissaris aan de verschoningsgerechtigde betekend. De verschoningsgerechtigde kan binnen veertien dagen na de betekening op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift tegen de beschikking indienen. Het moment waarop de veertiendagentermijn aanvangt, ligt dus bij het moment waarop de betekening van de beschikking aan de verschoningsgerechtigde heeft plaatsgevonden. Het Wetboek van Strafvordering bevat in dit verband geen regeling op grond waarvan de termijn aanvangt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat genoemde beschikking de verschoningsgerechtigde bekend is. Op de betekening van een beschikking als bedoeld in art. 98 Sv zijn de voorschriften van art. 36a Sv e.v. van toepassing. Op grond van art. 36b lid 2 Sv geschiedt de betekening van een gerechtelijke mededeling door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Toezending van de beschikking per e-mail aan de verschoningsgerechtigde levert geen rechtsgeldige betekening op.
In het geval de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, in een beklagprocedure als bedoeld in art. 552a Sv aanvoert dat zich bij de in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook in dat geval de procedure als bedoeld in art. 98 Sv wordt gevolgd. De rechter-commissaris zal dan moeten beslissen over het beroep op het verschoningsrecht. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan moet zijn beschikking aan de betrokken verschoningsgerechtigde worden betekend. Op grond van art. 98 lid 4 Sv kunnen alleen de in art. 98 lid 1 Sv bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift indienen tegen de beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 lid 3 Sv.
Indien de rechtbank bij de behandeling van een op grond van art. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat i. de klager met betrekking tot in beslag genomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en ii. de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient zij de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv.
In de beklagzaak van de beslagene of van een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, moet het (onherroepelijke) oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure (onherroepelijk) is beslist dat inbeslagneming van de betreffende stukken in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken niet toegestaan. Als het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard in het klaagschrift voor zover het betrekking heeft op klachten over het verschoningsrecht. Indien de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.
Gevorderde gegevens
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, NJ 2024/318, m.nt. P.A.M. Mevis geoordeeld dat ook als het gaat om gevorderde gegevens, de rechter-commissaris moet worden ingeschakeld als een redelijk vermoeden bestaat dat zich tussen de gevorderde gegevens geheimhouderstukken bevinden en de schifting daarvan niet kan plaatsvinden zonder kennisneming van die gegevens. In dat geval voert de rechter-commissaris de selectie uit van de gegevens die op grond van art. 126aa lid 2 Sv moeten worden vernietigd, omdat het geprivilegieerde gegevens betreft. Daarbij dient de verschoningsgerechtigde in beginsel – dat wil zeggen: behoudens de door de Hoge Raad in rov. 6.6.4. van de prejudiciële beslissing geduide situaties – in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de gegevens. Zijn standpunt dient te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Dat oordeel komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep.
Op gevorderde gegevens is de beklagmogelijkheid voor de verschoningsgerechtigde tegen de beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv niet van (overeenkomstige) toepassing. Wel kan de verschoningsgerechtigde in dat geval op de voet van art. 552a lid 1 Sv klagen. Op grond van art. 552a lid 2 Sv kan de verschoningsgerechtigde ook om vernietiging van de geprivilegieerde gegevens verzoeken.
De bespreking van het eerste middel
Ik stel voorop dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een geval waarin het Openbaar Ministerie gegevens heeft gevorderd, maar van klassiek beslag als bedoeld in art. 94 Sv op een mobiele telefoon waarna de op die telefoon opgeslagen gegevens zijn uitgelezen. Op een dergelijk situatie heeft de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, NJ 2024/318, m.nt. P.A.M. Mevis geen betrekking, zodat hetgeen de Hoge Raad in die beslissing heeft bepaald in het onderhavige geval toepassing mist.
Klagers [klager 2] en [klager 3] hebben zich met betrekking tot de gegevens die op de in beslag genomen mobiele telefoon zijn opgeslagen op hun verschoningsrecht beroepen. De rechter-commissaris heeft daaromtrent (nog) niet beslist. Gelet daarop had de rechtbank de behandeling van het klaagschrift moeten aanhouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris moeten stellen om een beschikking te nemen als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv (zie hiervoor onder randnr. 3.8). Daarna had de rechtbank kunnen beslissen of het beslag op de na de schifting overgebleven gegevens kan worden toegestaan op de grond dat het niet gaat om onder het verschoningsrecht vallend materiaal.
De rechtbank heeft echter twee niet met elkaar te verenigen beslissingen gecombineerd. De rechtbank heeft namelijk het beklag – dat zich mede richt tegen de kennisneming en het gebruik van de zich op de telefoon bevindende gegevens, meer in het bijzonder de geheimhouderinformatie, – (deels) gegrond verklaard. Dit is een eindbeslissing als genoemd in randnr. 3.2 onder iv. Daarbij heeft de rechtbank echter het Openbaar Ministerie de opdracht gegeven de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën, te verzegelen en aan de rechter-commissaris te verstrekken, opdat onder auspiciën van de rechter-commissaris de digitale filtering/schoning zal plaatsvinden van geheimhouderinformatie uit de digitaal vastgelegde gegevens en de zich daarin bevindende verschoningsgerechtigde gegevens zullen worden vernietigd. Daarmee lijkt de rechtbank aansluiting te hebben gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad dat indien bij de behandeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de klager met betrekking tot in beslag genomen stukken of gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, de behandeling van het klaagschrift moet worden aangehouden en de zaak in handen van de rechter-commissaris moet worden gesteld om een beschikking te geven als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv (zie hiervoor onder randnr 3.8).
Aangezien de rechter-commissaris (nog) niet op de voet van art. 98 Sv heeft beslist over het door klagers [klager 2] en [klager 3] gedane beroep op het verschoningsrecht, mocht de rechtbank het beklag (nog) niet (gedeeltelijk) gegrond verklaren. Daarbij komt dat – in aanmerking genomen dat het beklag onder meer is gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de zich op de telefoon bevindende (geheimhouder)gegevens – de opdracht van de rechtbank aan het Openbaar Ministerie niet een met het beklag overeenkomende last oplevert als bedoeld in art. 552a lid 10 Sv. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat de wet er überhaupt niet in voorziet dat de beklagrechter het Openbaar Ministerie zo’n opdracht geeft.
Gelet op het voorgaande, slaagt het eerste middel. Dit zal moeten leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Gelet daarop behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, word ik graag in de gelegenheid gesteld ten aanzien van het tweede middel aanvullend te concluderen.
De schriftuur houdende tegenspraak
In de schriftuur houdende tegenspraak wordt gesteld dat het Openbaar Ministerie geen belang heeft bij het eerste middel. Als ik de stellers van de schriftuur goed begrijp, zou de uitkomst die met de opdracht van de rechtbank aan het Openbaar Ministerie is bereikt dezelfde zijn in het geval dat de rechtbank de behandeling van het klaagschrift had aangehouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris had gesteld om de stukken te filteren op geheimhouderstukken, waarna de rechtbank had kunnen beslissen of het beslag op de na de schifting overgebleven gegevens kan worden toegestaan op de grond dat het niet gaat om onder het verschoningsrecht vallend materiaal.
Hiermee wordt miskend dat de bestreden beschikking niet is te beschouwen als een tussenbeschikking, maar moet worden aangemerkt als een eindbeschikking waarin de rechtbank niet heeft overwogen dat zij, nadat de rechter-commissaris heeft beslist op het door de klagers gedane beroep op het verschoningsrecht, zal beslissen of het beslag op de na de schifting overgebleven gegevens kan worden toegestaan op de grond dat het niet gaat om onder het verschoningsrecht vallend materiaal. In deze situatie blijft een eindbeslissing over het beklag tegen de kennisneming en het gebruik van de op de mobiele telefoon opgeslagen (geheimhouder)gegevens uit. Daar komt bij dat de rechtbank het Openbaar Ministerie daarnaast een concrete opdracht heeft gegeven waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Ik zie niet in waarom het Openbaar Ministerie er geen belang bij zou hebben om de rechtmatigheid van een opdracht die primair het Openbaar Ministerie regardeert in cassatie aan de orde te stellen. Die opdracht maakt namelijk deel uit van ‘het dictum’ van een beschikking waartegen het Openbaar Ministerie op grond van art. 552d lid 2 Sv beroep in cassatie kan instellen.
Kortom: de schriftuur houdende tegenspraak leidt bij mij niet tot een andere beoordeling van de zaak.
4. Slotsom
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt ertoe dat
(i) de bestreden beschikking wordt vernietigd, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de beslissing ten aanzien van de van de mobiele telefoon verkregen en aan het onderzoeksteam verstrekte (gefilterde) dataset en gegevens, inclusief alle eventuele kopieën;
(ii) de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
(iii) de Hoge Raad de stukken in handen van de rechter-commissaris in die rechtbank stelt om op de voet van art. 98 Sv te beslissen over het door klagers [klager 2] en [klager 3] gedane beroep op het verschoningsrecht.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G