PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03844
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Great Capital Investments B.V.
tegen
1. [deelnemer 1]
2. [deelnemer 2]
3. [deelnemer 3]
4. [deelnemer 4]
5. [deelnemer 5]
6. [deelnemer 6]
7. En 38 anderen
Partijen worden hierna verkort aangeduid als GCI dan wel GPE respectievelijk [de deelnemers] .
1. Inleiding en samenvatting
[de deelnemers] hebben allen een of meer overeenkomsten met GCI afgesloten die betrekking hadden op deelname aan (onderdelen van) het Great Property Experience-programma. Dit programma voorzag onder andere in het aanbieden van cursussen en computerprogramma’s (‘tools’), bedoeld om de deelnemers in staat te stellen om door middel van investeringen in vastgoed ‘financieel onafhankelijk’ te worden. Op een van die ‘tools’ (met de naam Proranq) zou ook aanbod van vastgoedprojecten ‘onder de marktprijs’ verschijnen, exclusief toegankelijk voor deelnemers op het niveau van ‘Black Badge’. [de deelnemers] zijn ontevreden over wat aan hen is aangeboden en eisen terugbetaling van het bedrag dat door hen is betaald als ‘lidmaatschapsgeld’ (in veel gevallen bedragen rond de € 19.000 per deelnemer voor het niveau ‘Black Badge’).
Deze zaak betreft 34 individuele vorderingen. De rechtbank heeft alle vorderingen toegewezen. Het hof heeft één vordering geheel toegewezen, heeft zestien vorderingen gedeeltelijk toegewezen, en heeft de overige zeventien vorderingen afgewezen.
Het cassatiemiddel richt diverse klachten tegen de beslissingen van het hof. Mijns inziens treft geen van deze klachten doel. Blijkt uw Raad dat met mij eens te zijn, dan ligt afdoening met toepassing van art. 81 RO voor de hand omdat in de zaak geen principiële vragen aan de orde zijn.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) GCI biedt onder de naam Great Property Experience (verder: GPE) diverse cursussen en daarmee samenhangende producten aan die tot doel hebben om mensen in staat te stellen ‘financieel vrij’ (niet langer afhankelijk van inkomsten uit arbeid) te worden door te investeren in vastgoed. Het hoogste niveau dat GCI aanbiedt is het ‘Black Badge-lidmaatschap’. Dit product omvat – volgens het enige in het geding gebrachte contract, dat van [deelnemer 1] en [deelnemer 2] is – :
a. toegang tot het platform op Black Badge-niveau;
b. deelname aan, en toegang tot de Masters of Property Online cursus, platform en tools;
c. toegang tot de tool Proranq en de Proranq Listing;
d. een door GPE toegewezen persoonlijke coach. De coach coacht de deelnemer gedurende de looptijd van deze overeenkomst gedurende 15 uren. De coaching bestaat uit een intakegesprek van ongeveer 3 uren, gevolgd door 12 sessies van ongeveer 1 uur;
e. deelname aan 4 Masterminds
f. een maandelijks contactmoment (de ‘updatecall’) waarin de voortgang van de deelnemer en ontwikkelingen worden gedeeld;
g. deelname aan 2 offline c.q. fysieke meerdaagse bijeenkomsten tegen kostprijs;
h. een onbeperkte deelname aan de door GPE georganiseerde Property Tours. (…)
i. speciale korting op aanvullende trainingen, diensten en/of producten van GPE;
j. speciale korting op trainingen, diensten en/of producten van samenwerkingspartners van GPE.
(ii) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] (die elkaars partners zijn) hebben een overeenkomst gesloten op 31 oktober 2020 met GCI en voor het Black Badge-lidmaatschap tezamen € 17.421,58 inclusief btw betaald. Andere deelnemers hebben andere bedragen betaald. Sommige van die deelnemers hadden eerst een afzonderlijke overeenkomst voor de Master of Property-cursus gesloten en daarvoor een bedrag betaald (in veel gevallen rond de € 800 per persoon). Bij het later afsluiten van het Black Badge-lidmaatschap werd dit bedrag op de prijs van dit lidmaatschap in mindering gebracht. Of alle deelnemers daadwerkelijk een Black Badge-lidmaatschap hebben afgesloten is onduidelijk.
(iii) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] zijn korte tijd nadat zij hun overeenkomst hadden afgesloten, op 6 januari 2021 door GCI aangezocht om zelf als coach op te treden. Zij kregen net-meerderjarige nieuwe Black Badge-deelnemers (aangeduid als coachee’s) onder hun hoede.
(iv) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben rond maart 2021 kritiek geuit over de kwaliteit van het door GCI gebodene. Zij hebben geweigerd een overeenkomst als coach (met daarin opgenomen een non-concurrentiebeding) te tekenen. Een gesprek met [betrokkene 1] , directeur van GCI begin 2021 heeft geen oplossing opgeleverd.
(v) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben contact gezocht met andere ontevreden deelnemers. GCI heeft bij brief van 31 mei 2021 hen de verdere toegang tot GPE ontzegd.
(vi) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben, via hun advocaat, op 16 juni 2021 GCI geschreven dat zij problemen hebben met GPE over de uitvoering van de dienstverlening aan Black Badges
‘niet in de laatste plaats veroorzaakt door de wijze waarop (veelal onervaren en goedgelovige) klanten worden geworven, bijvoorbeeld door gebruikmaking van “affiliate marketing”;
de beloftes die worden gedaan met betrekking tot het kunnen investeren in vastgoed 20 tot 40 procent onder de marktwaarde maar die niet worden nagekomen;
het feit dat het daadwerkelijke aanbod van woningen zeer beperkt is;
de coaching niet voldoet aan de geschetste verwachtingen;
de netwerken niet daadwerkelijk exclusief zijn én niet ondersteund worden door GPE.
Cliënten nemen er vooral aanstoot aan dat (veelal) onervaren consumenten die niet bekend zijn met de vastgoedmarkt met beloftes die een organisatie als GPE niet kan waarmaken worden overgehaald tot het aangaan van financiële verplichtingen in de vorm van onder meer de lidmaatschap fee. De propositie is dat leden door middel van de cursussen en diensten financieel onafhankelijk kunnen worden met vastgoed.
GCI werd gesommeerd om in een openbare mailing aan al haar leden de keuze zal voorleggen dat die leden die vinden dat zij slachtoffer zijn geworden van de misleidende handelspraktijken van GPE het volledige lidmaatschapsgeld gerestitueerd zullen krijgen”.
(vii) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben op 17 juli 2021 een mail naar andere deelnemers gezonden die eindigde met de volgende tekst:
‘We stellen iedereen voor de keus. Sluit u aan bij de kansrijke claim, of kies voor een onzekere toekomst bij de GPE. Het is niet wat we hopen, maar het is waarschijnlijk dat GPE niet langer verder kan, als veel ontevreden mensen gecompenseerd moeten worden. De mogelijkheid tot aanmelden is gedurende één week vanaf vandaag. Wanneer u zich bij de groep wilt voegen kunt u zich als eiser voegen in de procedure. Indien u zich niet wilt voegen als eiser in de procedure maar liever anoniem wilt blijven kunnen daar ook afspraken over gemaakt worden. Stuur een mail naar [e-mailadres] om u aan te melden.’
(viii) Diverse deelnemers hebben daarvan gebruik gemaakt. De stichting GPE-claim bestaat niet.
Bij inleidende dagvaarding van 22 oktober 2021 heeft het merendeel van [de deelnemers] gevorderd primair dat voor recht wordt verklaard dat de door hen gesloten overeenkomsten zijn vernietigd dan wel worden vernietigd op grond van dwaling dan wel bedrog, en subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat GCI toerekenbaar is tekortgeschoten (in twee varianten) en dat de overeenkomsten zijn ontbonden, dan wel dat deze worden ontbonden, dan wel dat GCI onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is tot schadevergoeding. Daarnaast vorderen zij de terugbetaling van de door hen betaalde bedragen, vermeerderd met (handels)rente en met incassokosten.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij eindvonnis van 19 oktober 2022 GCI veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen die [de deelnemers] voor het Black Badge-lidmaatschap hadden betaald. Voor zover [de deelnemers] ook andere bedragen hadden gevorderd – in de meeste gevallen de kosten van de separaat gevolgde Master of Property cursus – zijn die vorderingen afgewezen. GCI is in de kosten van de procedure veroordeeld.
Bij appeldagvaarding van 24 november 2022 heeft GCI hoger beroep ingesteld. Vervolgens hebben [de deelnemers] op 14 februari 2023 incidenteel appel gesteld. Bij tussenarrest heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, geoordeeld dat het incidenteel appel geen doel treft. Bij eindarrest van 22 juli 2025 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van GCI tot betaling van € 16.941,21 aan [deelnemer 10] (onder 4.12 van het vonnis) en voor het overige vernietigd. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof GCI veroordeeld (steeds te vermeerderen met wettelijke rente):
tot betaling van € 6.634 aan [derde 1] ;
tot betaling van € 7.260 aan [deelnemer 3] ;
tot betaling van € 9.600 aan [derde 2] ;
tot betaling van € 10.648 aan [deelnemer 8] ;
tot betaling van € 8.710,79 aan [deelnemer 11] ;
tot betaling van € 9.680 aan [deelnemer 29] ;
tot betaling van € 6.037,60 aan [deelnemer 17] en [deelnemer 20] ;
tot betaling van € 9.680 aan [deelnemer 23] ;
tot betaling van € 13.886,72 aan [deelnemer 28] ;
tot betaling van € 12.906,67 aan [deelnemer 30] ;
tot betaling van € 12.961,64 aan [deelnemer 31] ;
tot betaling van € 1.452 aan [deelnemer 36] ;
tot betaling van op € 2.177,70 aan [deelnemer 38] ;
tot betaling van € 14.520 aan [deelnemer 39] ;
tot betaling van € 3.872 aan [deelnemer 40] ;
tot betaling van € 4.629,16 aan [derde 3] B.V.
Het hof heeft de overige vorderingen afgewezen en bepaald dat alle procespartijen de eigen kosten van de procedure bij de kantonrechter en van de procedure in hoger beroep in principaal moeten dragen. Het hof heeft [de deelnemers] veroordeeld tot terugbetaling aan GCI van hetgeen GCI op grond van het vonnis meer aan [de deelnemers] heeft betaald dan de bedragen die verschuldigd zijn op grond van dit arrest.
Voor zover in cassatie van belang, kunnen de dragende overwegingen van het hof als volgt kort worden samengevat:
Tussenarrest van 19 december 2023
De procedure bij de kantonrechter en verder verloop van de procedure
(i) De procedure is ten onrechte als quasi-collectieve actie ingestoken. Het gaat om ongeveer 34 individuele vorderingen die alle op hun eigen merites beoordeeld moeten worden. De kantonrechter heeft in zijn vonnis de processuele beperkingen die het gevolg zijn van subjectieve cumulatie onvoldoende tot uitdrukking gebracht. (onder 2.3, 6.1-6.3)
Artikel 6:193j BW
(ii) De kantonrechter heeft geoordeeld dat GCI zich schuldig had gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken. De redenering van de kantonrechter is om meerdere redenen niet sluitend. (onder 6.4-6.7)
Eindarrest van 22 juli 2025
I. Algemene opmerkingen
(iii) Het hof heeft bij het tussenarrest partijen instructies gegeven. Het hof moet constateren dat beide partijen zich niet aan de instructies hebben gehouden. Het hof verwerpt de stelling van GCI dat [de deelnemers] art. 21 Rv hebben geschonden door zich niet aan de instructies van het hof te houden en daarom in algemene zin een stevige sanctie geïndiceerd zou zijn. (onder 2.1)
Contractsbedingen
(iv) Bij tussenarrest is GCI opgedragen om alle contractstukken van de individuele deelnemers in het geding te brengen. Het hof ziet geen reden om aan het niet-bestaan van schriftelijke contracten van alle deelnemers andere gevolgen te verbinden dan dat daarmee vaststaat dat aan de voor de deelnemers nadelige contractsbepalingen waarop GCI zich in deze procedure heeft beroepen, geen betekenis toekomt. (onder 2.3)
(v) Voor die deelnemers waarvan wel een schriftelijk contract is overgelegd blijkt niet dat de teksten daarvan onderling in relevante mate afwijken, zij het dan sommige artikelen anders zijn verwoord. (onder 2.3)
(vi) De schriftelijke contracten bevatten de volgende bepalingen, voor zover voor het navolgende van belang, waarbij het hof citeert uit het door [deelnemer 1] en [deelnemer 2] overgelegde contract: (onder 2.4)
‘Artikel 2 – Duur overeenkomst
1. Deze overeenkomst en het programma wordt aangegaan voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
2. Het is niet mogelijk het programma tussentijds te beëindigen. Indien de deelnemer besluit het programma gedurende de looptijd niet te willen continueren of niet (volledig) te doorlopen, bestaat geen recht op restitutie van de betaalde gelden. De deelnemer behoudt gedurende de looptijd van deze overeenkomst de toegang tot de faciliteiten en tools van het programma, tenzij de toegang hiertoe ingevolge deze overeenkomst wordt uitgesloten, ontzegd of geblokkeerd.
Artikel 3 – Inhoud van het programma en aanspraken deelnemer
1. De deelnemer aan het programma maakt aanspraak op diverse faciliteiten en tools, alsmede begeleiding en coaching door GPE gedurende de looptijd van deze overeenkomst.
2. De deelnemer maakt, gedurende de looptijd van deze overeenkomst, aanspraak op het volgende:
a. Toegang tot het platform op Black Badge-niveau;
b. Deelname aan, en toegang tot de Masters of Property Online cursus, platform en tools;
c. Toegang tot de tool Proranq® en de Proranq Listing;
d. Een door GPE toegewezen persoonlijke coach. De coach coacht de deelnemer gedurende de looptijd van deze overeenkomst gedurende 15 uren. De coaching bestaat uit een intakegesprek van ongeveer 3 uren, gevolgd door 12 sessies van ongeveer 1 uur;
e. Deelname aan 4 MasterMinds;
f. Een maandelijks contactmoment (de “updatecall”) waarin de voortgang van de deelnemer en ontwikkelingen worden gedeeld;
g. Deelname aan 2 offline c.q. fysieke meerdaagse bijeenkomsten tegen kostprijs;
h. Een onbeperkte deelname aan de door GPE georganiseerde Property Tours. De deelname aan de Property Tour is optioneel en op eigen kosten voor de deelnemer. Indien van toepassing, zijn de reis- en verblijfkosten die de deelnemer in verband met deelname aan de Property Tour voor rekening en risico van de deelnemer.
i. Speciale korting op aanvullende trainingen, diensten en/of producten van GPE;
j. Speciale korting op trainingen, diensten en/of producten van samenwerkingspartners van GPE.
3. Indien zich een situatie voordoet waardoor GPE wegens overmacht niet in staat is, of het GPE niet wordt toegestaan voornoemde aanspraken (fysiek) aan te bieden, heeft GPE het recht het programma volledig digitaal te laten plaatsvinden. De aanmelding van de deelnemer voor het programma geeft de deelnemer automatisch het recht deel te nemen aan de digitale versie hiervan. De deelnemer kan deelname aan het programma niet om deze reden beëindigen. GPE is niet gehouden tot restitutie van enig door de deelnemer betaald bedrag, of tot vergoeding van schade die de deelnemer als gevolg van dit besluit zou lijden. Onder overmacht in dit lid wordt in ieder geval verstaan: oorlog, oorlogsgevaar, vijandelijkheden, mobilisatie, brand, explosie, (bedrijfs)bezetting of storing, logistieke beperkingen, andere wettelijke belemmeringen in binnen- en/of buitenland en beperkende besluiten van overheidswege.
4. Na afloop van de looptijd van deze overeenkomst komen de in dit artikel genoemde faciliteiten, tools en coaching automatisch te vervallen. De deelnemer kan aansluitend op de looptijd van deze overeenkomst slechts tegen betaling van het dan geldende tarief toegang tot het platform verkrijgen c.q. behouden. De deelnemer en GPE zullen hierover nadere afspraken maken die aansluiten bij de behoeften en wensen van de deelnemer.
5. Het is de deelnemer niet toegestaan content te plaatsen, mededelingen te doen of berichten te verspreiden of openbaren die in strijd zijn met de wet of inbreuk maakt op de rechten van, of schade (kunnen) toebrengen aan GPE en/of derden. Het is de deelnemer ook niet toegestaan reclame of promotionele teksten of uitingen van welke aard dan ook te plaatsen en/of te delen op een aan GPE of diens partners verbonden website of kanaal. Het is de deelnemer voorts niet toegestaan de in deze overeenkomst omschreven diensten, faciliteiten en/of tools op een andere manier te gebruiken dan in overeenstemming met het doel en de strekking van het programma, dan wel deze op een andere wijze te misbruiken. De beoordeling hiervan komt ter discretie van GPE.
6. Indien de deelnemer handelt in strijd met het vorige lid, heeft GPE het recht deze overeenkomst per direct te beëindigen, zonder hiervoor op enige wijze aansprakelijk of schadeplichtig te raken, of tot restitutie van enig door de deelnemer betaald bedrag gehouden te zijn. GPE behoudt voorts het recht om alle schade die zij als gevolg van het handelen van de deelnemer lijdt op de deelnemer te verhalen.[…]
Artikel 7 – Garantie en aansprakelijkheid
1. GPE garandeert dat haar diensten, de faciliteiten en tools voldoen aan de geldende normen, en spant zich in voortdurend verbeteringen door te voeren. Op GPE rust een inspanningsverplichting haar dienstverlening, de faciliteiten en tools naar beste vermogen aan de deelnemer ter beschikking te stellen. Er is uitdrukkelijk géén sprake van een resultaatverplichting. GPE kan dan ook geenszins verantwoordelijk noch aansprakelijk worden gehouden voor het niet behalen van door de deelnemer gewenste of gehoopte resultaten.
2. De diensten, faciliteiten en tools waarop de deelnemer ingevolge het programma aanspraak maakt zijn grotendeels afhankelijk van de digitale infrastructuur, en het functioneren van de internet(aansluiting) en communicatie(infrastructuur), welke buiten de macht en controle van GPE ligt. GPE geeft hierom uitdrukkelijk geen garantie voor een ononderbroken bereikbaarheid van haar deze diensten, faciliteiten en tools.
3. GPE garandeert niet dat haar dienstverlening, de faciliteiten en tools voldoen aan de inhoudelijke en subjectieve verwachtingen die de deelnemer ten aanzien hiervan kan hebben, al dan niet op grond van marketinguitingen van GPE en/of derden. In geen geval zal GPE aansprakelijk zijn voor het niet voldoen aan de inhoudelijke en/of subjectieve verwachtingen van de dienstverlening, de faciliteiten en/of tools.
4. Aan gebruikte (reken)tools kunnen door de gebruiker geen rechten worden ontleend. GPE garandeert dan ook niet dat de uitkomst van de rekentools in alle gevallen, en onder alle omstandigheden, het gewenste resultaat heeft.
5. GPE is niet aansprakelijk voor tekortkomingen van andere deelnemers en/of derden, tenzij zij niet of onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht en de geleden schade te wijten is aan grove nalatigheid of opzet van GPE.
6. Indien de deelnemer van mening is dat GPE aansprakelijk is voor enige schade dient hij dit onmiddellijk, uiterlijk 48 uur na constatering van deze aansprakelijkheid, te melden aan GPE. Indien de deelnemer niet of niet tijdig deze melding doet, vervalt zijn recht op schadevergoeding na verloop van de termijn.
7. De aansprakelijkheid van GPE is in alle gevallen beperkt tot de gefactureerde som.’
(vii) Bij een aantal deelnemers (onder meer [deelnemer 6] en [deelnemer 24] ) luidt artikel 2 afwijkend: (onder 2.5)
‘Artikel 2 – Duur overeenkomst
1. Deze overeenkomst en het programma wordt aangegaan voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
2. Indien de deelnemer een consument is, heeft de deelnemer het recht deze overeenkomst binnen 14 dagen na het aangaan hiervan, te herroepen door middel van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring aan GPE. De deelnemer kan bij de herroeping desgewenst gebruikmaken van het herroepingsformulier dat op de website van GPE is te downloaden. GPE zal de ontvangst van het bericht zo spoedig mogelijk bevestigen, en de deelnemer – indien aangewezen – nader instrueren over de afwikkeling van de overeenkomst.
3. Als moment waarop de deelnemer een beroep doet op het herroepingsrecht, wordt aangemerkt het moment waarop GPE het bericht waarin de deelnemer hierop een beroep heeft gedaan heeft ontvangen.
4. De bewijslast voor de juiste en tijdige uitoefening van het in het vorige lid bedoelde recht rust volledig bij de deelnemer.
5. Indien de deelnemer het programma tussentijds wenst te beëindigen, is de deelnemer, tenzij de deelnemer een consument is en een beroep op het in de vorige leden bedoelde herroepingsrecht toekomt, een boete verschuldigd van € 3.000,00 excl. BTW.
6. Indien de deelnemer de overeenkomst tussentijds wil beëindigen, en de overeenkomst heeft meer dan 1,5 kalendermaand (45 kalenderdagen) heeft geduurd, is de deelnemer, naast de in lid 5 genoemde boete, een vergoeding naar rato verschuldigd over de termijn gedurende welke de deelnemer heeft deelgenomen aan het programma. De vergoeding betreft het in artikel 5 lid 1 bedoelde bedrag dat de deelnemer aan de cursus verschuldigd is, verminderd naar rato van de duur van de deelname aan het programma.’
Contractspartijen
(viii) Alle deelnemers hebben als privépersoon hun vorderingen ingesteld, die erop neer komen dat zij het door hun betaalde ‘lidmaatschapsgeld’ terugvorderen. GCI heeft betoogd dat het merendeel van de deelnemers niet de contractuele wederpartij van GCI was, maar dat hun ondernemingen dat waren. (onder 2.6)
(ix) Als de contractstukken een rechtspersoon als wederpartij van GCI staat aangemerkt, is alleen die rechtspersoon vorderingsgerechtigd. Anders ligt dat bij die deelnemers die zelf wel gecontracteerd hebben, maar waarbij de facturen door een derde – zoals hun onderneming – zijn betaald. Daarbij is sprake van een situatie als bedoeld in art. 6:30 BW, waarbij de deelnemer dus zelf contractspartij is en vorderingsgerechtigd is, zij het dat de eventuele (terug)betaling, afhankelijk van de verhouding tussen de deelnemer en de betrokken derde, mogelijk aan die derde dient te geschieden. (onder 2.8)
(x) Voor zover deelnemers zelf vorderingsgerechtigd zijn, zijn zij in de meeste gevallen als consument aan te merken. (onder 2.9)
Richtlijn oneerlijke bedingen
(xi) Voor zover de deelnemers als consument moeten worden aangemerkt, betekent dit ook dat het hof de contractuele bepalingen waarop GCI zich beroept, zo nodig ambtshalve moet toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen, waarbij de regeling van art. 6:233 BW door de Hoge Raad is aangemerkt als implementatie van die richtlijn. (onder 2.10)
(xii) Het hof merkt artikel 2 van de overeenkomst (in beide versies) aan als een annuleringsbeding. Dit is geen kernbeding in de overeenkomst. GCI heeft niet gesteld dat over dit beding afzonderlijk is onderhandeld, waarmee het onder de werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt. (onder 2.10)
De karakterisering van de overeenkomsten en de ingeroepen rechtsgronden
(xiii) Voor de vraag of het annuleringsbeding (dus: artikel 2 van de overeenkomst) als oneerlijk moet worden bestempeld is van belang hoe de overeenkomst moet worden gekarakteriseerd. Het deelnemerschap komt het meest overeen met een cursusovereenkomst, die in de rechtspraktijk veelal geschaard wordt onder de overeenkomst van opdracht als geregeld in boek 7 titel 7.5. Het hof zal die grondslag in de beoordeling betrekken. (onder 2.11)
(xiv) De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de art. 7:408 en 7:411 BW ten aanzien van de minimaal vereiste bescherming van de consument van dwingend recht zijn en een door de wetgever gemaakte belangenafweging behelzen. Als een met die bepalingen strijdig beding is gebruikt tegenover een consument, strookt het met de bedoeling van de wetgever dat het als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. (onder 2.15)
(xv) Het hof zal bij deze bepaling aansluiting zoeken en artikel 2 van de overeenkomst (in beide versies) voor zover dat elk beroep op (gedeeltelijke) terugbetaling van het lidmaatschapsgeld onmogelijk maakt bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, als oneerlijk beding buiten toepassing laten en GCI haar beroep daarop ontzeggen in die gevallen dat de deelnemer als een consument moet worden aangemerkt. (onder 2.16)
(xvi) Het hof ziet aanleiding om de brief die de deelnemers op 30 juli 2021 hebben gezonden en waarin zij de overeenkomsten hebben ontbonden, ook in die gevallen waarin de deelnemers zich niet expliciet (subsidiair) op opzegging hebben beroepen, subsidiair, met toepassing van art. 25 Rv, aan te merken als een opzegging van de overeenkomst. GCI heeft in haar antwoordmemorie er blijk van gegeven de brief ook als het einde van de overeenkomst te hebben opgevat. (onder 2.17)
II. De individuele vorderingen
A. De vordering van [deelnemer 1] en [deelnemer 2]
(xvii) [deelnemer 1] heeft als consument de overeenkomst gesloten. (onder 3.11)
(xviii) Het beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens oneerlijke handelspraktijken slaagt niet. Ook het beroep op vernietiging wegens dwaling en bedrog sneuvelt. (onder 3.12-3.20)
(xix) [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op 16 juni 2021. [deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben recht op terugbetaling van hun lidmaatschapsgeld voor zover dat ziet op het nog niet verstreken deel van hun lidmaatschapsjaar. (onder 3.23)
B. De vordering van [deelnemer 3]
(xx) [deelnemer 3] moet worden aangemerkt als particulier. (onder 4.8)
(xxi) Het beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens het gebruik van oneerlijke handelspraktijken, dwaling dan wel bedrog, slaagt niet. Een beroep op ontbinding van de overeenkomst en/of vervangende schadevergoeding slaagt evenmin. (onder 4.10-4.14)
(xxii) De brief van 30 juli 2021 (zoals onder 2.17 uitgelegd) moet als een opzegging van de overeenkomst worden aangemerkt. Dit is een opzegging nadat de overeenkomst 7,5 maand had geduurd. Het is redelijk om aan [deelnemer 3] een tijdsevenredige terugbetaling van het door haar betaalde cursusgeld voor de Black Badge-overeenkomst, evenredig met de niet benutte periode, toe te kennen, neerkomende op 37.5% van het betaalde cursusgeld. (onder 4.15)
D. De vordering van [deelnemer 5]
(xxiii) [deelnemer 5] wordt aangemerkt als particuliere deelnemer. (onder 6.8)
(xxiv) Het beroep op oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding en vervangende schadevergoeding faalt. (onder 6.9-6.10)
(xxv) De brief van 30 juli 2021 moet ook bij [deelnemer 5] als een opzegging van de overeenkomst worden aangemerkt. De overeenkomst had op dat moment ongeveer 5 maanden geduurd. Het hof zal een [deelnemer 5] een bedrag toekennen gelijk aan 60% van het betaalde bedrag voor de Black Badge-overeenkomst. Dit bedrag moet worden terugbetaald aan [derde 2] . (onder 6.13)
G. De vordering van [deelnemer 8]
(xxvi) [deelnemer 8] is aan te merken als consument. (onder 9.5)
(xxvii) Het beroep op de vernietiging van de overeenkomst wegens oneerlijke handelspraktijken, dwaling en bedrag slaagt niet. Ook het beroep op ontbinding en vervangende schadevergoeding faalt. (onder 9.8-9.9)
(xxviii) Ook in dit geval geldt de brief van 30 juli 2021 als een opzegging (onder verwijzing naar 2.17). Op dat moment was [deelnemer 8] ruim vijf maanden deelnemer. Aan hem moet 55% van het lidmaatschapsgeld worden terugbetaald. (onder 9.10)
H. De vordering van [deelnemer 9] en [deelnemer 11]
(xxix) [deelnemer 11] is aan te merken als consument. (onder 10.5)
(xxx) Het hof wijst ook in dit geval het in algemene bewoordingen gestelde beroep op oneerlijke handelspraktijken af, maar honoreert in dit geval het beroep op dwaling. Het hof zal de overeenkomst vernietigen en GCI tot terugbetaling van het betaalde lidmaatschapsgeld veroordelen. (onder 10.8-10.9)
I. De vordering van [deelnemer 10]
(xxxi) In dit geval valt de handelswijze van GCI te scharen onder oneerlijke handelspraktijken: art. 6:193b onder a jo. art. 6:193a onder f BW (handelen in strijd met eisen van professionele toewijding) en onder art. 6:193h lid 1 BW (een agressieve handelspraktijk met ongepaste beïnvloeding). Het hof oordeelt in dit geval het beroep op art. 6:193j lid 3 BW terecht. Het hof zal de veroordeling van GCI tot terugbetaling van € 16.941,21 bekrachtigen. (onder 11.6-11.7)
M. De vordering van [deelnemer 16] en [deelnemer 29]
(xxxii) [deelnemer 29] is aan te merken als consument. (onder 15.4)
(xxxiii) Het beroep op oneerlijke handelsprakijken wordt afgewezen, maar het beroep op dwaling wordt gehonoreerd. Het hof veroordeelt GCI tot terugbetaling van – uitsluitend – het voor het Black Badge-lidmaatschap in rekening gebrachte bedrag. (onder 15.5-15.9)
N. De vordering van [deelnemer 17] en [deelnemer 20]
(xxxiv) [deelnemer 17] en [deelnemer 20] worden aangemerkt als particulieren. (onder 16.9)
(xxxv) De beroepen op vernietiging van de overeenkomst wegens oneerlijke handelspraktijken, dan wel dwaling en bedrog gaan niet op. Datzelfde geldt voor de vordering gestoeld op ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 16.10)
(xxxvi) Wel is er aanleiding om de brief van 30 juli 2021 aan te merken als een opzegging (onder verwijzing naar 2.17). GCI zal worden veroordeeld om een tijdsevenredig deel van het lidmaatschapsgeld terug te betalen. (onder 16.11)
S. De vordering van [deelnemer 23]
(xxxvii) [deelnemer 23] wordt aangemerkt als consument. (onder 21.4)
(xxxviii) De gestelde grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding worden afgewezen. (onder 21.6)
(xxxix) In dit geval is de brief van 30 juli 2021 aan te merken als opzegging, onder verwijzing naar 2.17). GCI wordt veroordeeld tot terugbetaling van de helft van het lidmaatschapsgeld. (onder 21.7)
U. De vordering van [deelnemer 28]
(xl) [deelnemer 28] is aan te merken als consument. (onder 23.5)
(xli) De beroepen op oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding worden afgewezen. (onder 23.6)
(xlii) In dit geval is de brief van 25 juni 2021 aan te merken als opzegging. Het lidmaatschap heeft effectief 3 maanden geduurd, zodat GCI wordt veroordeeld tot terugbetaling van 75% van het lidmaatschapsgeld. (onder 23.7)
V. De vordering van [deelnemer 30]
(xliii) [deelnemer 30] is aan te merken als consument. (onder 24.5)
(xliv) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 24.7)
(xlv) Er is wel aanleiding om de brief van 30 juli 2021 aan te merken als opzeggingsbrief (zie onder 2.17) en GCI te veroordelen tot terugbetaling van 2/3 van het betaalde lidmaatschapsgeld. (onder 24.8)
W. De vordering van [deelnemer 31]
(xlvi) [deelnemer 31] is aan te merken als consument. (onder 25.6)
(xlvii) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 25.8)
(xlviii) De brief van 30 juli 2021 wordt aangemerkt als opzegging (zie onder 2.17) en GCI wordt veroordeeld tot terugbetaling van 70% van het betaalde lidmaatschapsgeld. (onder 25.9)
Z. De vordering van [deelnemer 36]
(xlix) [deelnemer 36] is aan te merken als consument. (onder 28.4)
(l) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 28.5)
(li) De ontbindingsbrief van 19 november 2021 wordt aangemerkt als een opzegging en GCI wordt veroordeeld tot terugbetaling van 7,5% van het lidmaatschapsgeld. (onder 28.6)
BB. De vordering van [deelnemer 38]
(lii) [deelnemer 38] is aan te merken als consument. (onder 30.6)
(liii) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog. (onder 30.8)
(liv) Het hof ziet in dit geval reden om de ontbinding partieel toe te wijzen, in die zin dat het hof de overeenkomst met ingang van 1 november 2021 ontbindt en GCI veroordeelt tot terugbetaling van 12,5% van het lidmaatschapsgeld. (onder 30.8)
CC. De vordering van [deelnemer 39]
(lv) [deelnemer 39] is aan te merken als consument. (onder 31.7)
(lvi) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, toerekenbare tekortkoming, dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 31.8)
(lvii) De ontbindingsbrief van 17 mei 2021 is wel aan te merken als een opzegging van de overeenkomst. GCI wordt veroordeeld om 75% van het lidmaatschapsgeld terug te betalen. (onder 31.8)
DD. De vordering van [deelnemer 40]
(lviii) [deelnemer 40] is aan te merken als consument. (onder 32.7)
(lix) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, toerekenbare tekortkomding, dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 32.8)
(lx) Het e-mailbericht van 5 oktober 2021 is aan te merken als opzegging. GCI wordt veroordeeld om 20% van het lidmaatschapsgeld terug te betalen. (onder 32.9)
EE. De vordering van [deelnemer 41]
(lxi) [deelnemer 41] is aan te merken als consument. (onder 33.6)
(lxii) Het hof verwerpt de grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog, toerekenbare tekortkoming, dan wel vervangende schadevergoeding. (onder 33.1)
(lxiii) De brief van 19 november 2021 is wel aan te merken als een opzeggingsbrief. GCI wordt veroordeeld om 25% van het lidmaatschapsgeld terug te betalen, te betalen aan [derde 3] B.V. (onder 31.8)
De vorderingen die worden afgewezen
(lxiv) De vorderingen die om diverse redenen worden afgewezen zijn:
C. De vordering van [deelnemer 4] en [deelnemer 27] ;
E. De vordering van [deelnemer 6] en [deelnemer 24] ;
F. De vordering van [deelnemer 7] en [deelnemer 14] ;
J. De vordering van [deelnemer 12] en [deelnemer 32] ;
K. De vordering van [deelnemer 13] ;
L. De vordering van [deelnemer 15] ;
O. De vordering van [deelnemer 18] ;
P. De vordering van [deelnemer 19] ;
Q. De vordering van [deelnemer 21] en [deelnemer 26] ;
R. De vordering van [deelnemer 22] ;
T. De vordering van [deelnemer 25] ;
X. De vordering van [deelnemer 33] en [deelnemer 34] ;
Y. De vordering van [deelnemer 35] ;
AA. De vordering van [deelnemer 37] ;
FF. De vordering van [deelnemer 42] ;
GG. De vordering van [deelnemer 43] ;
HH. De vordering van [deelnemer 44] .
Proceskosten
(lxv) Het hof ziet aanleiding om de proceskosten in beide instanties te compenseren. (onder 37.3) en bepaalt dat alle procespartijen de eigen kosten van de procedure bij de kantonrechter en van de procedure in hoger beroep in principaal appel moeten dragen. (onder 37.3 en 38.20)
GCI heeft bij procesinleiding van 22 oktober 2025 tijdig beroep in cassatie ingesteld. [de deelnemers] zijn niet in cassatie verschenen. Tegen hen is verstek verleend. GCI heeft afgezien van haar standpunt schriftelijk doen toelichten.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit elf onderdelen.
Onderdeel 1 richt zich tegen rechtsoverwegingen 2.10 en 2.16 van het arrest van het hof (hiervoor 2.5 samengevat), waar het hof de contractuele bepalingen waarop GCI zich beroept, ambtshalve toetst aan Richtlijn 93/13/EEG en in dat verband ook aan het dwingende consumentenrecht van titel 7.7 BW (opdracht). In het onderdeel lees ik dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ‘want’ (eerste woord van de laatste alinea van het onderdeel) het hof heeft ontoelaatbare verrassingsbeslissingen genomen.
Gelet op dit want ga ik ervan uit dat de steller van het middel niet bedoelt dat het hof met betrekking tot de wederpartijen van GCI die consument zijn ten onrechte ambtshalve de eerlijkheid heeft getoetst van de bedingen waarop GCI een beroep doet, en ook niet dat niet juist is dat die toetsing mede omvat een toets aan het dwingende consumentenrecht van titel 7.7 BW. Om het eerste te kunnen menen, zou men zojuist wakker geworden moeten zijn uit een meer dan twintigjarige winterslaap. En wie zijn vak bijhoudt – zoals de steller van het middel ongetwijfeld doet – is ook van het tweede niet onwetend.
Ik veronderstel dus dat het onderdeel uitsluitend erover klaagt dat sprake is van ontoelaatbare verrassingsbeslissingen. Ook zo opgevat kan het onderdeel echter niet slagen. Op zichzelf brengt het beginsel van hoor- en wederhoor mee dat de rechter die tot ambtshalve toetsing aan Richtlijn 93/13/EEG overgaat, partijen in de gelegenheid stelt zich over een en ander uit te laten en, zo nodig, hun stellingen aan te passen. Belang bij een cassatieklacht dat dit door het hof achterwege is gelaten, veronderstelt echter dat men iets had kunnen aanvoeren dat gewicht in de schaal zou hebben kunnen leggen. Ten onrechte duidt het onderdeel niet aan wat GCI zou hebben willen aanvoeren als het daartoe de gelegenheid had gehad. Bij gebrek aan belang moet het onderdeel daarom falen.
Mijns inziens bestaat er geen aanleiding om over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. In deze zaak is slechts aan de orde of GCI belang heeft bij haar cassatieklacht.
Onderdeel 2 komt op tegen rechtsoverweging 2.17 van het arrest van het hof (en in vergelijkbare zin rechtsoverwegingen 4.15, 6.13, 9.10, 16.11, 21.7, 24.8 en 25.9):
‘2.17 Het hof ziet aanleiding om de brief die de deelnemers op 30 juli 2021 hebben gezonden en waarin zij de overeenkomsten hebben ontbonden, ook in die gevallen waarin de deelnemers zich niet expliciet (subsidiair) op opzegging hebben beroepen, subsidiair, met toepassing van artikel 25 Rv, aan te merken als een opzegging van de overeenkomst. GCI heeft in haar antwoordmemorie er blijk van gegeven de brief ook als het einde van de overeenkomst te hebben opgevat. Zo schrijft zij bijvoorbeeld over [deelnemer 9] en [deelnemer 11] dat zij het brutaal vindt dat zij zich nog wel voor de Black Badge Barbecue van 16 juli 2021 hadden opgegeven als zij zich op 24 juli 2021 hadden aangesloten bij de groep die de brief van 30 juli 2021 had geschreven.’
Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de beslissing van het hof onbegrijpelijk. Deze klachten werkt de steller van het middel in de eerste plaats aldus uit dat het hof zou hebben miskend dat het de brief van 30 juli 2021 niet met toepassing van art. 25 Rv als een opzegging van de overeenkomst mocht aanmerken. De door [de deelnemers] gestelde feiten zouden ‘niet toelaten’ dat de rechtsgronden aangevuld worden, in die zin dat in deze brief de overeenkomst ook opgezegd zou zijn.
De klacht mist doel. Het hof heeft in de gedingstukken van de zijde van [de deelnemers] kennelijk onder meer gelezen dat [de deelnemers] allen zich erop beriepen dat sprake was van een vertrouwensbreuk en dat de brief van 30 juli 2021 duidelijk maakte dat zij niet langer op nakoming van de overeenkomst aanspraak zouden maken. Ook hebben [de deelnemers] zich erop beroepen dat zij niettegenstaande artikel 2.2 van de overeenkomst mochten opzeggen, alsook dat voor zover hun beroep op vernietiging niet zou opgaan, de overeenkomst in ieder geval als opgezegd beschouwd diende te worden. Mijns inziens volstaat een en ander als feitelijke grondslag (art. 24 Rv) voor een aanvulling van de rechtsgronden (art. 25 Rv) op de grondslag van opzegging. Volgens het hof heeft GCI uit de brief van 30 juli 2021 ook terdege begrepen dat [de deelnemers] niet langer op nakoming aanspraak wensten te maken vanwege het ontbreken van vertrouwen in GCI, gelet op haar stelling dat het ‘brutaal’ is dat sommige deelnemers zich nog wel voor de Black Badge Barbecue van 16 juli 2021 hadden opgegeven. Deze lezing van de gedingstukken was voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt.
Het onderdeel houdt ten tweede in dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. Dat kan mijns inziens reeds daarom niet opgaan omdat volgens de onbestreden vaststelling door het hof een gedeelte van de deelnemers zich wél expliciet subsidiair op opzegging hebben beroepen. Hoewel het uitgangspunt in geval van subjectieve cumulatie is dat sprake is van afzonderlijke procedures, betekent dat uiteraard niet dat we ook de ogen zouden moeten sluiten voor wat in verband met de gelijktijdige aanhangigheid van zaken evident is, namelijk dat GCI bedacht kon zijn op het ten opzichte van ontbinding minder vergaande alternatief van opzegging. Een blik op het dossier leert mij dat GCI daarop niet alleen bedacht kón zijn, maar dat ook daadwerkelijk wás. Bij conclusie van dupliek onder 113 voerde GCI aan:
‘Waar eisers stellen dat zij op ieder moment de overeenkomst konden beëindigen, is dit onjuist. Eisers hebben [op basis van art. 2 lid 2 van de overeenkomst, opm. AG] niet het recht om tussentijds te beëindigen, of dit nu middels opzegging, vernietiging of ontbinding is.’
Ook gelet hierop kan de klacht dat sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, niet slagen.
Het onderdeel houdt in de derde plaats in dat ’s hofs uitleg van de brief onbegrijpelijk is, nu de tekst van deze brief geen andere uitleg toelaat dan dat daarin de overeenkomst slechts ontbonden en niet ook opgezegd wordt. Ook klaagt het onderdeel dat zonder toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de brief ook een opzegging zou inhouden.
Zoals het onderdeel ook vermeldt, is de inhoud van de brief van 30 juli 2021 als volgt:
‘Cliënten maken hierbij dus niet langer aanspraak op de nakoming van de overeenkomst maar ontbinden hierbij (voor zover dat nog niet al is gebeurd bij een aantal van cliënten) namens alle cliënten de overeenkomst met GPE.’
Mijns inziens is allerminst onbegrijpelijk dat het hof hierin – in het bijzonder in de woorden ‘Cliënten maken (…) niet langer aanspraak op de nakoming van de overeenkomst’ – mede een beroep op opzegging heeft gelezen. Een nadere motivering behoefde die lezing niet.
Onderdeel 3 richt zich tegen rechtsoverweging 3.21 van het arrest van het hof:
‘Ontbinding van de overeenkomst / oneerlijke bedingen
[deelnemer 1] en [deelnemer 2] hebben de overeenkomst op buitengerechtelijk ontbonden op 16 juni 2021 naar aanleiding van de eerdere beëindiging van de overeenkomst door GCI en het afsnijden van [deelnemer 1] en [deelnemer 2] van de GCI-community. Voor zover het verweer van GCI tegen deze ontbinding inhoudt dat geen sprake was van verzuim, verwerpt het hof dat verweer. GCI heeft niet betwist dat [deelnemer 1] op 16 juni 2021, ondanks de eerder gemaakte afspraken, niet weer in haar rechten als deelnemer was hersteld. [deelnemer 1] en [deelnemer 2] konden de overeenkomst ontbinden omdat GCI haar verplichtingen niet nakwam. Op grond van die ontbinding was GCI van haar verplichtingen jegens [deelnemer 1] en [deelnemer 2] bevrijd en hebben [deelnemer 1] en [deelnemer 2] recht op terugbetaling van hun lidmaatschapsgeld voor zover dat ziet op het nog niet verstreken deel van hun lidmaatschapsjaar.’
Ik lees in het onderdeel twee subonderdelen.
Volgens de klachten onder 3.1 geeft van een onjuiste rechtsopvatting blijk en/of is ontoereikend gemotiveerd het oordeel in rechtsoverweging 3.21 dat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] de overeenkomst op 16 juni 2021 buitengerechtelijk ontbonden zouden hebben. Ik lees op deze plaats twee klachten.
Volgens de eerste klacht heeft het hof met deze beslissing een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen. Gezien het verloop van het partijdebat behoefde GCI er geen rekening mee te houden dat het hof de brief van 16 juni 2021 als een buitengerechtelijke ontbinding zou aanmerken. [de deelnemers] hebben niet gesteld dat deze brief zo’n verklaring zou bevatten. Daarom had het hof partijen in de gelegenheid moeten stellen te reageren op deze ambtshalve bijgebrachte rechtsgrond, aldus het middel.
De klacht mist mijns inziens evident feitelijke grondslag. Ik werk dat hieronder uit.
De brief van 16 juni 2021 is een brief die de advocaat van [deelnemer 1] en [deelnemer 2] namens hen aan GCI heeft verzonden. Volgens de brief is aanleiding voor de correspondentie dat GCI de overeenkomsten met [deelnemer 1] en [deelnemer 2] heeft opgezegd, omdat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] onrechtmatig zouden hebben gehandeld jegens GCI door hun onvrede over de dienstverlening van GCI te uiten op social media. Vervolgens zou GCI per whatsapp bericht de opzegging weer hebben teruggetrokken, maar [deelnemer 1] en [deelnemer 2] wel uit een whatsapp-groep hebben verwijderd. De brief bevat een sommatie en dient ‘ertoe om GPE voor zover noodzakelijk in gebreke te stellen alsook GPE aansprakelijk te stellen’. Verder bevat de brief de volgende passage:
‘Laat overigens duidelijk zijn, de vertrouwensband tussen GPE en Cliënten is gebroken en dit zal ook niet meer goed komen. Mocht u met het terugtrekken van de brief als doel hebben gehad dat Cliënten weer onderdeel zijn van de Overeenkomst bericht ik u hierbij dat Cliënten ook de Overeenkomst ontbinden en zal zij ongedaanmaking van de betalingsverplichting vorderen alsmede aanvullende schadevergoeding.’
Ook hebben [de deelnemers] zich in de procedure erop beroepen dat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden:
‘[…] Indien en voor zover noodzakelijk vorderen Eisers (voor zover het de overeenkomsten gesloten met eisers onder 3 t/m 34 betreft nu de overeenkomst met [deelnemer 2] en [deelnemer 1] al is ontbonden) vernietiging van de overeenkomsten jegens dwaling […]’.
‘Voor [deelnemer 2] en [deelnemer 1] geldt dat de overeenkomst reeds is ontbonden.’
‘Ten slotte wijzen geïntimeerden op het feit dat men reeds de overeenkomst (buitenrechtelijk) heeft ontbonden en dat alle geïntimeerden reeds ‘geroyeerd' zijn en dus géén (actief) lidmaatschap meer hebben bij GPE zijnde Black Badge.’
Verder blijkt GCI terdege te hebben begrepen dat de brief van 16 juni 2021 ertoe strekte dat de deelnemers het lidmaatschapsgeld terug zouden ontvangen, wat past bij ontbinding (art. 6:271 BW):
‘Daarop volgt op 16 juni 2021 de sommatie met de boodschap dat GPE iedere ontevreden klant zijn geld terug moet geven.’
Het hof heeft de herhaalde stelling dat [deelnemer 2] en [deelnemer 1] de overeenkomst reeds (buitengerechtelijk) hadden ontbonden opgevat als een beroep op de brief van 16 juni 2021. Mijns inziens lag dat zeer voor de hand. Waarop zag die stelling anders? Hoe dan ook: een verrassingsbeslissing is het zeker niet.
Het middel vervolgt met als tweede klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op GCI’s essentiële stelling dat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] niet voldaan hebben aan hun klachtplicht (art. 6:89 BW). De stelling is essentieel, omdat zij tot gevolg kan hebben dat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] de overeenkomst niet buitengerechtelijk hebben kunnen ontbinden, aldus het middel.
In hoger beroep is de klachtplicht als volgt aan de orde gekomen. GCI heeft in haar antwoordmemorie een beroep gedaan op de klachtplicht. Volgens de memorie moet voor de beoordeling van de klachtplicht per deelnemer gekeken worden naar de door GCI ontvangen brieven. In het geval van [deelnemer 1] en [deelnemer 2] zijn dat bijvoorbeeld de brief van 16 juni 2021 en de brief van 30 juli 2021. In deze brieven zijn volgens GCI geen concrete klachten te lezen.
Het klopt dat het hof aan het beroep op de klachtplicht door GCI geen overweging heeft gewijd. Mijns inziens heeft GCI bij het onderdeel echter geen belang. De brief van 16 juni 2021 is hiervoor 2.1 onder vi geciteerd. Herlezing van dat citaat leert mijns inziens dat die brief evident diverse voldoende concrete klachten bevat. Wat betreft [deelnemer 1] en [deelnemer 2] volstaat dit. Wat betreft de andere deelnemers geldt dat GCI niet heeft toegelicht waarom de klachttermijn van art. 6:89 BW voorafgaand aan de inleidende dagvaarding van 22 oktober 2021 reeds was verlopen. In dat verband lag het op de weg van GCI om onder meer aan te geven welke belangen van haar zijn geschaad doordat deelnemers niet eerder hebben geklaagd, omdat zonder enig geschaad belang niet spoedig voldoende reden bestaat om de deelnemers een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. Omtrent dit alles lees ik in de gedingstukken niets. Het beroep op de klachtplicht kan daarom evident niet slagen.
Onder 3.2 klaagt het onderdeel dat onbegrijpelijk is dat het hof het verweer van GCI dat geen sprake is van verzuim, heeft verworpen. Dit oordeel kan niet gedragen worden door de motivering dat [deelnemer 1] , ondanks de eerder gemaakte afspraken, niet weer in haar rechten als deelnemer was hersteld. Zonder toelichting is ontoelaatbaar onduidelijk waarom hieruit volgt dat GCI in verzuim zou zijn. Zo heeft het hof niet vastgesteld dat nakoming uitgebleven zou zijn na een in een ingebrekestelling gestelde termijn (art. 6:82 lid 1 BW) of dat een fatale termijn verstreken zou zijn zonder dat de verbintenis nagekomen is (art. 6:83 sub a BW). Evenmin heeft het hof vastgesteld dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk zou zijn (art. 6:265 lid 2 BW).
Het hof heeft ten aanzien van meerdere vorderingen geoordeeld dat het beroep tot ontbinding van de betreffende overeenkomst niet slaagt. Het hof oordeelde bijvoorbeeld over vordering B van [deelnemer 3] dat er geen sprake is van het voor de ontbinding van de overeenkomst in beginsel noodzakelijke verzuim. De ingebrekestelling die namens haar is verzonden bevatte naar het oordeel van het hof alleen algemene bewoordingen, en vermeldde niet duidelijk aan welke concrete verplichtingen niet werd voldaan en wat er van GCI werd verwacht binnen de korte termijn die haar werd geboden. Zie verder bijvoorbeeld ook vordering E, G, P, U en meer (rechtsoverweging 7.10, 9.9, 18.8, 23.6).
In het geval van [deelnemer 1] en [deelnemer 2] heeft het hof in de aangevallen overweging anders geoordeeld. Dit moet als volgt worden gelezen. Het hof heeft vastgesteld dat op 31 mei 2021 een door GCI ingeschakelde jurist [deelnemer 1] en [deelnemer 2] heeft gesommeerd te stoppen met het geven van kritiek. In die brief werd de Black Badge-overeenkomst ontbonden en werden [deelnemer 1] en [deelnemer 2] de toegang tot het Black Badge-Platform ontzegd. Het hof vervolgt dat na whatsapp-contact GCI vervolgens deze brief heeft ingetrokken, maar dat per brief 16 juni 2021 [deelnemer 1] en [deelnemer 2] vervolgens hebben geklaagd dat GCI hun nog wel uit de whatsapp-groep heeft gestoten en daarmee hun van de ‘Black Badge-community’ heeft afgesneden. Vervolgens hebben [deelnemer 1] en [deelnemer 2] de overeenkomst geldig ontbonden in een brief van hun advocaat. Waar GCI was tekortgeschoten in een voortdurende verplichting (de overeengekomen toegang en/of whatsapp-groep) was sprake van blijvende onmogelijkheid en verzuim was daarom niet vereist (art. 6:265 lid 2 BW). Indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een voortdurende verplichting, kan deze immers weliswaar in de toekomst alsnog worden nagekomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt en wat deze tekortkoming betreft is nakoming dan ook niet meer mogelijk. Dit brengt mee dat ontbinding mogelijk is ook zonder dat sprake is van verzuim.
Op het voorgaande stuit de klacht van het onderdeel af.
Onderdeel 4 richt zich onder 4.1 tegen de beslissingen van het hof onder 3.22, 3.23, 4.15, 6.13, 9.10, 10.9, 16.11, 23.7, 25.9, 28.6, 32.9 en 33.2:
‘A. De vordering van [deelnemer 1] en [deelnemer 2]
en [deelnemer 1] maken aanspraak op terugbetaling van het volledige door hen betaalde lidmaatschapsgeld. Het hof verwerpt die aanspraak. [deelnemer 2] en [deelnemer 1] hebben in ieder geval tot maart 2021 geen klachten geuit over het door hen tot dan toe gevolgde programma en de coach die hen was toegewezen. Zij hebben ook niet betwist dat zij hun coach zeer hoge cijfers hebben toegekend. De klachten die zij nadien over Proranq c.q. het ontbreken van aanbod onder de marktprijs – dan wel anderszins over de dienstverlening en faciliteiten van GCI – hebben geuit dan wel hebben ondersteund, stuiten af op artikel 7 van de overeenkomst waarin nadrukkelijk is aangegeven GCI geen resultaten garandeert, dat het alleen gaat om een inspanningsverplichting van GCI en dat GCI niet aansprakelijk is wanneer subjectieve verwachtingen niet worden waargemaakt. Dat [deelnemer 1] en [deelnemer 2] achteraf het betaalde lidmaatschapsbedrag te hoog vinden, is onvoldoende grond de door GCI geleverde prestaties op een lager bedrag te waarderen dan een tijdsevenredig deel van het betaalde cursusgeld.
Gedeeltelijke terugbetaling cursusgeld
Het hof zal, gelet op het voorgaande, de vordering van [deelnemer 1] toewijzen tot een bedrag dat correspondeert met 5/12 van het door hun betaalde lidmaatschapsgeld (namelijk de periode juni tot en met oktober) van het door [derde 1] betaalde bedrag van € 15.921,58. Dit komt neer op € 6.634,– te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 oktober 2021. Deze ingangsdatum is conform het vonnis van de kantonrechter. Dit bedrag moet aan [derde 1] worden betaald, tenzij [derde 1] aangeeft dat dit bedrag toekomt aan [deelnemer 1] en [deelnemer 2] .
B. De vordering van [deelnemer 3]
Gedeeltelijke terugbetaling cursusgeld
Het hof merkt de brief van 30 juli 2021, zoals hiervoor onder rov. 2.17 is uitgelegd, ook aan als een opzegging van de overeenkomst. Dit is een opzegging nadat de overeenkomst 7,5 maand had geduurd. Het hof acht het in dit geval redelijk om aan [deelnemer 3] een tijdsevenredige terugbetaling van het door haar betaalde cursusgeld voor de Black Badge-overeenkomst, evenredig met de niet benutte periode, toe te kennen, neerkomende op 37,5% van het betaalde cursusgeld. Het hof heeft in het tussenarrest al geoordeeld dat het alleen gaat om de Black Badge-overeenkomst en niet ook om de MOP-cursus. Derhalve is haar vordering toewijsbaar tot een bedrag van 37,5% van € 19.360,-, neerkomende op € 7.260,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2021. Deze ingangsdatum is conform het vonnis van de kantonrechter.
D. De vordering van [deelnemer 5]
Het hof merkt ook bij [deelnemer 5] de brief van 30 juli 2021 aan als een opzegging van de overeenkomst, onder verwijzing naar rov. 2.17. De overeenkomst had op dat moment ongeveer 5 maanden geduurd. Het hof zal aan [deelnemer 5] een bedrag toekennen gelijk aan 60% van het betaalde bedrag voor de Black Badge-overeenkomst. Voor terugbetaling voor het cursusgeld van de eerder gevolgde cursus over belastingen in het Verenigd Koninkrijk zijn geen gronden. Derhalve wordt de vordering toegewezen tot een bedrag van 60% van € 16.000,-, wat neerkomt op € 9.600,-. Aangezien [deelnemer 5] de factuur op naam van zijn onderneming heeft laten zetten gaat het hof ervan uit dat hij, zoals GCI heeft aangevoerd, de btw heeft kunnen aftrekken. [deelnemer 5] heeft dit verder niet betwist, zodat het hof geen reden ziet om GCI ook tot terugbetaling van een deel van de in rekening gebrachte btw te veroordelen. Het bedrag zal moeten worden terugbetaald aan [derde 2] .
G. De vordering van [deelnemer 8]
Het hof merkt ook in dit geval de brief van 30 juli 2021 aan als een opzegging, onder verwijzing naar rov. 2.17. Op dat moment was [deelnemer 8] ruim vijf maanden deelnemer. Het hof zal bepalen dat hem 55% van het lidmaatschapsgeld van € 19.360,- moet worden terugbetaald, neerkomende op € 10.648,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021 daarover. Dat laatste conform de beslissing van de kantonrechter.
H. De vordering van [deelnemer 9] en [deelnemer 11]
Het hof zal de overeenkomst vernietigen en GCI tot terugbetaling van het betaalde lidmaatschapsgeld veroordelen. [deelnemer 11] en [deelnemer 9] vorderen ook terugbetaling van het cursusgeld voor een door hen gevolgde cursus over beleggen in het Verenigd Koninkrijk. Daarvoor is geen goede grondslag gesteld. Ook vorderen zij een niet deugdelijke toegelichte bijtelling van € 395,- die eveneens wordt afgewezen. Op de terugbetaling strekt wel in mindering de waarde van de door hen genoten prestaties in het kader van het Black Badge-lidmaatschap. Het hof zal die begroten op een tijdsevenredig deel van het deelnemerschap, dat het hof, gelet op de met een positieve waardering afgesloten coachingsbijeenkomst van 3 juni 2021, vaststelt op 50% van het betaalde lidmaatschapsgeld.
N. De vordering van [deelnemer 17] en [deelnemer 20]
Wel ziet het hof aanleiding om de brief van 30 juli 2021 aan te merken als een opzegging, onder verwijzing naar rov. 2.17. Het hof zal GCI veroordelen om een tijdsevenredig deel van hun lidmaatschapsgeld terug te betalen, dat het hof vaststelt op 37,5% van het factuurbedrag onder aftrek van de sourcing cursussen (te vermeerderen met btw) en de Master of Property-cursus, derhalve op 37,5% van € 16.100,26, oftewel € 6.037,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021 conform het vonnis van de kantonrechter. Gelet op wat er in het tussenarrest al is beslist komt de Master of Property-cursus niet voor vergoeding in aanmerking.
U. De vordering van [deelnemer 28]
Het hof merkt in dit geval de brief van 25 juni 2021 aan als een opzegging. Aangezien GCI niet heeft bestreden dat [deelnemer 28] na 9 maart 2021 had geklaagd dat er de eerste weken niets gebeurde, gaat het hof ervan uit dat het lidmaatschap effectief drie maanden heeft geduurd. Dat betekent dat het hof GCI zal veroordelen tot terugbetaling van 75% van het lidmaatschapsgeld, neerkomende op € 13.886,72 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2021. Dat laatste conform de beslissing van de kantonrechter.
W. De vordering van [deelnemer 31]
Het hof merkt de brief van 30 juli 2021 wel aan als een opzegging, onder verwijzing naar rov. 2.17. Gelet op de feitelijke duur van haar lidmaatschap zal het hof GCI tot terugbetaling van 70% van het lidmaatschapsgeld veroordelen, wat neerkomt op € 12.961,64. GCI moet dit bedrag terugbetalen aan [derde 4] B.V., tenzij [derde 4] B.V. iets anders aangeeft. Dit bedrag moet vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021 conform de beslissing van de kantonrechter.
Z. De vordering van [deelnemer 36]
Het hof verwerpt de in algemene bewoordingen gestelde beroepen van [deelnemer 36] op oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog en toerekenbare tekortkoming, dan wel vervangende schadevergoeding onder verwijzing naar rov. 4.10, 4.11, 4.13 en 4.14. Het hof zal de ontbindingsbrief aanmerken als een opzegging en GCI veroordelen tot terugbetaling van 7,5% van het lidmaatschapsgeld nu er nog een kleine maand resteerde van de lidmaatschapstermijn resteerde op het moment van de opzegging. Dit komt neer op € 1.452,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2022 conform de beslissing van de kantonrechter
DD. De vordering van [deelnemer 40]
Wel merkt het hof het e-mailbericht van 5 oktober 2021 aan als een opzegging. [deelnemer 40] merkt dit in haar persoonlijke verklaring ook zo aan en maakt daarin aanspraak op restitutie. Het hof zal GCI veroordelen tot terugbetaling van een tijdsevenredig deel van het lidmaatschapsgeld, te begroten op 20% van € 19.360,-, neerkomende op € 3.872,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2022, conform de beslissing van de kantonrechter.
EE. De vordering van [deelnemer 41]
Het hof merkt de brief van 19 november 2021 wel aan als een opzeggingsbrief en zal GCI veroordelen om een tijdsevenredig deel terug te betalen vast te stellen op 25% van € 18.516,63. Dit komt neer op een bedrag van € 4.629,16, dat GCI aan [derde 3] B.V. terug moet betalen, tenzij [derde 3] B.V. iets anders aangeeft. Dit bedrag moet vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2022 conform de beslissing van de kantonrechter.’
Volgens het onderdeel geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting de beslissingen onder 3.22, 3.23, 4.15, 6.13, 9.10, 10.9, 16.11, 23.7, 25.9, 28.6, 32.9 en 33.2 om de door GCI geleverde prestatie te waarderen naar tijdsevenredigheid. ‘Want’ het hof heeft met deze beslissingen ontoelaatbare verrassingsbeslissingen genomen (opnieuw). Gezien het verloop van het partijdebat behoefde GCI er geen rekening mee houden dat het hof GCI’s prestaties tijdsevenredig zou waarderen. Het hof had GCI in de gelegenheid moeten stellen om te reageren op deze waarderingswijze.
Het grootste deel van deze beslissingen is gebaseerd op de juridische grondslag van opzegging (4.15, 6.13, 9.10, 16.11, 23.7, 24.8, 25.9, 28.6, 31.8, 32.9 en 33.2). Mijns inziens is er niets verrassends aan als opzegging leidt tot een tijdsevenredige waardering van prestaties. Opzegging leidt immers naar zijn aard tot een ‘tijdsknip’ in de duurovereenkomst die er het voorwerp van is. Het gelukt mij niet om het minder eenvoudig te zien.
De beslissing ten aanzien van [deelnemer 2] en [deelnemer 1] in rechtsoverwegingen 3.22-3.23 komt erop neer dat volledige ontbinding niet door de tekortkomingen van GCI wordt gerechtvaardigd en gedeeltelijke ontbinding wel, namelijk wat betreft de periode van juni tot en met oktober. Bij duurovereenkomsten is de figuur van een gedeeltelijke ontbinding in tijd alleszins gangbaar; zij wordt ook in basale juridische literatuur genoemd. Waar [deelnemer 2] en [deelnemer 1] voor volledige ontbinding gingen en GCI voor in het geheel geen ontbinding, was het mijns inziens alleszins toelaatbaar dat het hof een tussenweg koos. Sterker, GCI had zelf nadrukkelijk de vraag aan de orde gesteld hoe, indien de vorderingen zouden worden toegewezen, bij diverse juridische grondslagen, de reeds genoten voordelen van lidmaatschap, in een dergelijk oordeel moeten worden meegenomen, waarbij GCI nota bene zelf sprak over een gedeelte door het hof ‘in goede justitie te bepalen’. Dat de door het hof gekozen tussenweg temporeel van insteek was, sluit zoals gezegd aan bij wat in het geval van duurovereenkomsten gangbaar is.
Blijft nog over de beslissing van het hof in rechtsoverweging 10.9 ten aanzien van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] . Die beslissing is gebaseerd op vernietiging op grond van dwaling. Het hof heeft reden gezien om de wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen na vernietiging ter voorkoming van een onevenwichtig resultaat te moduleren en dit wel tijdsevenredig. Mijns inziens heeft GCI hoe dan ook geen belang bij een klacht daarover. GCI bestrijdt immers niet dat sprake is van dwaling. Bij die stand van zaken is de beslissing van het hof uitsluitend in haar voordeel. GCI behoeft immers minder ongedaan te maken dan in geval van vernietiging het gewone geval is (art. 3:53 lid 1 BW).
Onder 4.2 richt het onderdeel zich tegen rechtsoverwegingen 21.7, 24.8, 30.8 en 31.8:
‘S. De vordering van [deelnemer 23]
Wel merkt het hof de brief van 30 juli 2021 ook in zijn geval aan als een opzegging, onder verwijzing naar rov. 2.17. Het hof zal GCI veroordelen tot terugbetaling van de helft van het lidmaatschapsgeld, derhalve € 9.680,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021 conform het vonnis van de kantonrechter.
V . De vordering van [deelnemer 30]
Het hof ziet wel aanleiding, onder verwijzing naar rov. 2.17, om de brief van 30 juli 2021 aan te merken als een opzeggingsbrief en GCI veroordelen tot terugbetaling van 2/3 van het betaalde lidmaatschapsgeld, derhalve tot een bedrag van € 12.906,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021, conform het vonnis van de kantonrechter.
BB. De vordering van [deelnemer 38]
Het hof verwerpt de standaardmatig gemotiveerde grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, en bedrog, onder verwijzing naar rov. 4.10 en 4.1 1. Voor zover de vordering van [deelnemer 38] is gebaseerd op een tekortkoming vanwege het niet reageren op het verzoek om wisseling van coach oordeelt het hof dat GCI daar wel op heeft gereageerd en op 26 oktober 2021 diverse coaches had voorgesteld. Op 28 oktober 2021 reageerde [deelnemer 38] dat hij enthousiast was over twee coaches. Dit heeft GCI vervolgens, naar zij stelt vanwege ziekte, laten liggen. Het hof ziet in dit geval reden om de ontbinding partieel toe te wijzen, in die zin dat het hof de overeenkomst met ingang van 1 november 2021 ontbindt en GCI veroordeelt tot terugbetaling van 12,5% van het lidmaatschapsgeld. De UK-cursus en de niet toegelichte cursusbijtelling blijven daarbij buiten beschouwing, zodat dit neerkomt op € 2.1 77,70, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2022 conform de beslissing van de kantonrechter.
CC. De vordering van [deelnemer 39]
Het hof verwerpt de standaardmatige beroepen op oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog en toerekenbare tekortkoming, dan wel vervangende schadevergoeding onder verwijzing naar rov. 4.10, 4.1 1,4.13 en 4.14. Het hof merkt wel de mail van 17 mei 2021 aan als een opzegging van de overeenkomst, die vanwege de ziekte van [deelnemer 39] niet van de grond was gekomen. Het hof zal GCI veroordelen om 75% van het lidmaatschapsgeld, neerkomende op € 14.520,- aan [deelnemer 39] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2022, conform de beslissing van de kantonrechter.’
Weer klaagt GCI erover dat sprake is van ontoelaatbare verrassingsbeslissingen. GCI zou er geen rekening mee hebben kunnen houden dat zij zou worden veroordeeld tot terugbetaling van gedeeltes van het betaalde cursusgeld/lidmaatschapsgeld. Dit gaat niet op, omdat zoals gezegd GCI zelf de vraag aan de orde heeft gesteld hoe, indien de vorderingen zouden worden toegewezen, bij diverse juridische grondslagen, de reeds genoten voordelen van lidmaatschap, in een dergelijk oordeel moeten worden meegenomen; ook had GCI gevraagd om een oordeel van de rechter daarover ‘in goede justitie’ (hiervoor 3.31; citaat in voetnoot).
Het onderdeel vervolgt met de klacht dat het oordeel van het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, omdat onduidelijk zou zijn hoe het gekomen is tot de genoemde gedeeltes van het cursusgeld/lidmaatschapsgeld.
Deze klacht is onvoldoende toegelicht. Het hof heeft immers voor iedere deelnemer afzonderlijk de relevante feiten opgesomd en daarvan een beoordeling gegeven. Een deugdelijke cassatieklacht zou veronderstellen dat GCI toelichtte waarom die feitenvaststelling en beoordeling per deelnemer in het licht van het partijdebat geen begrijpelijke motivering oplevert voor de beslissing die in de aangevallen overwegingen volgt.
Om nader duidelijk te maken wat ik bedoel, geef ik hieronder de overwegingen van het hof met betrekking tot [deelnemer 23] weer:
‘S. De vordering van [deelnemer 23]
De feiten
GCI heeft op 5 januari 2021 een factuur voor een Black Badge Jaarprogramma van € 19.360,- inclusief btw aan [deelnemer 23] gezonden. Deze factuur is door hem op 18 januari 2021 voldaan.
[deelnemer 23] is aanvankelijk gecoacht door [betrokkene 2] . Gelijk na de eerste sessie heeft een coachwissel plaatsgevonden en werd [deelnemer 23] in het vervolg gecoacht door [betrokkene 3] .
[deelnemer 23] heeft zich aangesloten bij de brieven van 21 en 30 juli 2021 (zie hiervoor onder rov. 4.5)
De beoordeling
[deelnemer 23] wordt aangemerkt als consument. Daartegen is ook geen verweer gevoerd.
[deelnemer 23] heeft amper meegedaan aan de activiteiten van GPE. Daarover zijn partijen het eens. Volgens [deelnemer 23] was hij na een sessie met [betrokkene 3] erachter dat GPE een “scam” was en dat het verder tijdverspilling was. Hij stelt te hebben geklaagd, maar de bewijzen daarvan die aan zijn verklaring zouden zijn gehecht, heeft het hof niet aangetroffen. Volgens GCI zijn er geen klachten van [deelnemer 23] bekend.
Het hof wijst de in algemene bewoordingen gestelde grondslagen van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog en ontbinding, dan wel vervangende schadevergoeding af onder verwijzing naar rov. 4.10, 4.1 1,4.13 en 4.14. 21.7. Wel merkt het hof de brief van 30 juli 2021 ook in zijn geval aan als een opzegging, onder verwijzing naar rov. 2.17. Het hof zal GCI veroordelen tot terugbetaling van de helft van het lidmaatschapsgeld, derhalve € 9.680,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021 conform het vonnis van de kantonrechter.’
In deze overwegingen zijn aanknopingspunten aan te wijzen voor de aangevallen beslissing van rechtsoverweging 21.6 (hiervoor 3.33 aangehaald) dat de helft van het lidmaatschapsgeld moet worden terugbetaald, namelijk de ingangsdatum van de overeenkomst voor een jaar zoals die bij benadering volgt uit de datum van de factuur (5 januari 2021) in relatie tot het moment van de opzegging (30 juli 2021), en eventueel ook de vaststelling dat [deelnemer 23] amper aan de activiteiten van GPE heeft meegedaan. Waarom een en ander toch niet een voldoende motivering oplevert (mede in het licht van het partijdebat, waarbij zoals gezegd GCI zelf sprak van een gedeelte door de rechter ‘in goede justitie te bepalen'), licht de steller van het middel niet toe. Dat is mijns inziens niet hoe cassatie werkt. Uw Raad noch een advocaat-generaal heeft als taak om zelfstandig op zoek te gaan naar mogelijke zwakke plekken in de motivering van de bestreden uitspraak. Een deugdelijk cassatieklacht wijst zulke plekken zelf gemotiveerd aan, waarna Uw Raad en ik ons werk hebben te doen door die gemotiveerde klacht te onderzoeken.
Onderdeel 5 komt op tegen rechtsoverweging 3.23, 6.13 en 33.2:
‘3.23 […] Dit bedrag moet aan [derde 1] worden betaald, tenzij [derde 1] aangeeft dat dit bedrag toekomt aan [deelnemer 1] en [deelnemer 2] .
Het bedrag zal moeten worden terugbetaald aan [derde 2] .
Dit komt neer op een bedrag van € 4.629,16, dat GCI aan [derde 3] B.V. terug moet betalen, tenzij [derde 3] B.V. iets anders aangeeft. […]’
Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat GCI niet veroordeeld kan worden tot betaling van bedragen aan [derde 1] , [derde 2] of [derde 3] B.V., nu zij geen partij zijn in het geding. Ik merk op dat GCI geen klacht richt tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 25.9 over de vordering W van [deelnemer 31] , ‘dat GCI een bedrag moet terugbetalen aan [derde 4] B.V., tenzij [derde 4] B.V. iets anders aangeeft.’
Voor de beoordeling van dit onderdeel zijn de volgende overwegingen van het hof van belang:
‘De contractspartijen
Alle deelnemers hebben als privépersoon hun vorderingen ingesteld, die erop neer komen dat zij het door hun betaalde “lidmaatschapsgeld” terugvorderen. GCI heeft betoogd dat het merendeel van de deelnemers niet de contractuele wederpartij van GCI was, maar dat hun ondernemingen dat waren. De deelnemers voeren aan dat zij allemaal als privépersoon Black Badge-deelnemer zijn geworden, ook als hun onderneming de kosten heeft betaald.
Het hof oordeelt op dat punt dat als in de contractstukken een rechtspersoon als wederpartij van GCI staat aangemerkt, alleen die rechtspersoon vorderingsgerechtigd is, ongeacht de aard van de bedrijfsactiviteiten van die rechtspersoon. Dat de rechtspersoon haar vordering aan desbetreffende privépersoon heeft overgedragen, is in geen geval gesteld. Dit betekent dat de vorderingen van die deelnemers die niet zelf hebben gecontracteerd zullen worden afgewezen.
Anders ligt dat bij die deelnemers die zelf wel gecontracteerd hebben, maar waarbij de facturen door een derde – zoals hun onderneming – zijn betaald. Daarbij is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:30 BW, waarbij de deelnemer dus zelf contractspartij is en vorderingsgerechtigd is, zij het dat de eventuele (terug)betaling, afhankelijk van de verhouding tussen de deelnemer en de betrokken derde, mogelijk aan die derde dient te geschieden.’
Het hof heeft kennelijk gezocht naar een praktische oplossing voor het probleem dat zich ten aanzien van enkele deelnemers voordeed, namelijk dat betaling van het lidmaatschapsgeld destijds door een derde had plaatsgevonden en dat als gedeeltelijke terugbetaling op zijn plaats is, de rechtsverhouding tussen de desbetreffende deelnemer en de derde mogelijk meebrengt dat de derde daarop aanspraak heeft. In verband daarmee heeft het hof GCI veroordeeld tot betaling aan de desbetreffende derde. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat ten opzichte van GCI de deelnemer zelf vorderingsgerechtigd is en dus niet de derde (rechtsoverweging 2.8). Het hof heeft in deze gevallen bepaald dat de betaling waartoe GCI in haar verhouding tot de deelnemers verplicht is, aan de desbetreffende derde dient plaats te vinden.
Tegen deze praktische oplossing van het hof richt het onderdeel uitsluitend de klacht dat GCI niet veroordeeld kan worden tot betaling aan derden omdat die geen partij in het geding zijn. Die klacht slaagt mijns inziens niet. Een schuldeiser mag volgens art. 6:116 lid 2 BW binnen zijn woonland een betaaladres aanwijzen. Dit betaaladres kan behalve bijvoorbeeld een op de naam van de schuldeiser gestelde bankrekening ook een derde zijn, wat dan het in art. 6:32 BW bedoelde geval oplevert dat een ander in plaats van de schuldeiser bevoegd is de betaling te ontvangen. De praktische oplossing van het hof houdt kennelijk mede in dat een zodanige aanwijzing van een betaaladres in de vordering van de desbetreffende deelnemers in verband met hun proceshouding besloten lag (art. 23 Rv). Of dat laatste juist is, stelt de klacht niet aan de orde. Zoals gezegd, GCI klaagt uitsluitend dat zij niet kan worden veroordeeld tot betaling aan derden op de grond dat die geen partij in het geding zijn. Die klacht gaat niet op. Er bestaat geen reden waarom een schuldeiser zijn bevoegdheid tot aanwijzing van een betaaladres niet ook in een procedure zou kunnen uitoefenen.
Onderdeel 6 richt zich tegen rechtsoverweging 10.7 en 10.8:
‘10.7 Ook zij beroepen zich op vernietiging wegens oneerlijke handelspraktijken, dwaling en bedrog, dan wel ontbinding en vervangende schadevergoeding. Het hof wijst ook in dit geval het in algemene bewoordingen gestelde beroep op oneerlijke handelspraktijken af onder verwijzing naar rov. 4.10, maar honoreert in dit geval het beroep op dwaling.
[deelnemer 9] geeft in haar persoonlijke verklaring aan dat zij vanwege haar gezondheidstoestand het leger moest verlaten en dat zij op de bijeenkomst van 12 december 2020 in het Novotel Amsterdam is overgehaald al hun spaargeld in het Black Badge-deelnemerschap te steken vanwege de daar (persoonlijk) gedane mededelingen van [betrokkene 1] over ‘pareltjes’ van 30 tot 40% onder de marktwaarde die voorbij zouden komen en dat het dan zeker zou lukken om financieel onafhankelijk te worden.
GCI heeft de door [deelnemer 11] en [deelnemer 9] geschetste gang van zaken in december 2020 niet gemotiveerd betwist. In dit geval ontbreekt een schriftelijke overeenkomst met daarin een artikel als het hiervoor onder rov. 3.19 besproken artikel 7 en de daarin opgenomen disclaimers ten gunste van GCI.’
Het middel klaagt dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is de beslissing in rechtsoverweging 10.7 en 10.8 om het beroep op dwaling van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] te honoreren. Het onderdeel bestaat uit twee delen.
Ten eerste klaagt het onderdeel dat deze beslissing niet gedragen kan worden door de motivering dat [deelnemer 9] in haar persoonlijke verklaring te kennen heeft gegeven dat zij vanwege haar gezondheidstoestand het leger moest verlaten en dat zij op de bijeenkomst van 12 december 2020 in het Novotel Amsterdam overgehaald is al hun spaargeld in het Black Badge-deelnemerschap te steken vanwege de daar (persoonlijk) gedane mededelingen van [betrokkene 1] over ‘pareltjes’ van 30 tot 40% onder de marktwaarde die voorbij zouden komen en dat het dan zeker zou lukken om financieel onafhankelijk te worden (onder 10.7) en dat een schriftelijke overeenkomst met disclaimers ten gunste van GCI ontbreekt (onder 10.8). Het hof heeft miskend dat deze omstandigheden geen grond opleveren voor een geslaagd beroep op dwaling. Heeft het hof dit niet miskend, dan is zijn beslissing zonder toelichting onbegrijpelijk.
Aan welk vereiste voor vernietiging op grond van dwaling (art. 6:228 BW) volgens GCI niet zou zijn voldaan, maakt de klacht ten onrechte niet duidelijk. Mogelijk zit de pijn bij GCI erin dat volgens haar het hof niet heeft vastgesteld dat een van de drie dwalingsgevallen als bedoeld in art. 6:228 lid 1 BW zich voordoet. Maar dat gaat mijns inziens niet op. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de mededeling over ‘pareltjes van 30 tot 40% onder de marktwaarde’ een onjuiste mededeling is als bedoeld onder a van die bepaling.
Ten tweede klaagt het middel dat het hof niet heeft gereageerd op de essentiële stellingen: a. dat [deelnemer 9] en [deelnemer 11] niet voldaan hebben aan hun klachtplicht (art. 6:89 BW);b. dat de beweerdelijke mededelingen niet door GCI gedaan zijn en niet door [deelnemer 9] en [deelnemer 11] ontvangen zijn;c. dat er geen causaal verband is tussen de beweerdelijke mededelingen en het sluiten van de overeenkomst ;d. dat de overeenkomst ook zonder de beweerdelijke mededelingen gesloten zou zijn;e. dat art. 6:228 lid 2 BW aan vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling in de weg staat;f. dat de overeenkomst in ieder geval slechts partieel vernietigd kan worden.Volgens de klacht zijn deze stellingen essentieel, omdat, indien zij juist zijn, tot gevolg hebben dat het beroep op dwaling niet, althans niet geheel, gehonoreerd kan worden.
Ik loop deze stellingen een voor een langs.
Met betrekking tot het beroep van GCI op de klachtplicht (de stelling onder a) verwijs ik naar hiervoor 3.23.
De stelling onder b dat de beweerdelijke mededelingen niet door GCI gedaan zijn en niet door [deelnemer 9] en [deelnemer 11] ontvangen zijn, ziet op hetgeen in GCI in algemene zin (ten aanzien van het collectief van de deelnemers) over dwaling heeft aangevoerd, namelijk dat zij ‘betwist dat iedere individuele geïntimeerde kennis heeft genomen (potentieel én daadwerkelijk) van de mededelingen waarop [de deelnemers] hun vorderingen baseren.’ Het hof heeft echter ten aanzien van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] zich gebaseerd op andere, persoonlijk jegens hen gedane mededelingen (namelijk van [betrokkene 1] op de bijeenkomst van 12 december 2020 in het Novotel in Amsterdam). Niet vol te houden is dat de stelling onder b ten aanzien van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] een essentieel karakter draagt.
Iets dergelijks geldt voor de stellingen onder c en d. Ook die stellingen zien niet op het specifieke geval van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] . In wat het hof heeft vastgesteld (dat [deelnemer 9] zich door de mededeling van [betrokkene 1] heeft laten overhalen), ligt besloten dat aan het vereiste van causaal verband is voldaan, dus in de zin dat zonder de mededeling van [betrokkene 1] de overeenkomst niet zou zijn gesloten.
Ook de stelling onder e ziet niet op de het specifieke geval van [deelnemer 9] en [deelnemer 11] . Volgens de stelling staat de inhoud van de schriftelijke Black Badge-overeenkomst ex art. 6:228 lid 2 BW aan vernietiging in de weg. Het hof heeft echter vastgesteld dat er geen schriftelijke overeenkomst tussen GCI en [deelnemer 9] en [deelnemer 11] bestaat.
De stelling onder f (partiële vernietiging) heeft het hof wel degelijk afdoende in zijn oordeel verdisconteerd en zelfs gehonoreerd. Het hof heeft immers de vernietiging beperkt tot 50% van het betaalde lidmaatschapsgeld (rechtsoverweging 10.9).
Onderdeel 7 richt zich tegen rechtsoverweging 11.5 tot en met 11.7:
‘11.5 Ook [deelnemer 10] beroept zich op oneerlijke handelspraktijken. In dit geval is het hof van oordeel dat de handelwijze van GCI te scharen valt onder artikel 6:193b onder a jo. artikel 6:193a onder f BW (handelen in strijd met eisen van professionele toewijding) en onder artikel 6:193h lid 1 BW (een agressieve handelspraktijk met ongepaste beïnvloeding) door een amper meerderjarige jongen, zonder geld, over te halen om met een lening en een merkwaardig kortingsvoorstel een dure cursus af te sluiten.
GCI verweert zich met de stelling dat [deelnemer 10] zeer tevreden was over zijn coach en dat hij ten onrechte door [deelnemer 1] is beïnvloed om zich af te keren van GCI. Uit de positieve evaluatie van [deelnemer 10] van 27 januari 2021 blijkt echter dat [deelnemer 10] als doelstelling had gekregen om een overzicht te maken van zijn inkomsten en uitgaven, kort gezegd, om inzicht te krijgen in zijn eigen huishoudboekje en dat zijn doelstelling is om 10% van zijn winst te geven aan het epilepsiefonds omdat hij zelf epilepsiepatiënt is geweest en 10% van zijn winst aan een ander goed doel. Ook de overgelegde eigen verklaring van [deelnemer 10] wijst niet direct op een goed ontwikkelde, stabiele persoonlijkheid.
Het hof oordeelt in dit geval het beroep op artikel 193j lid 3 BW terecht. Het hof zal de veroordeling van GCI tot terugbetaling van € 16.941,21 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2021, zoals de kantonrechter heeft bepaald, bekrachtigen.’
Ik lees ik in het onderdeel vier klachten:
Het hof zou een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben genomen omdat door [deelnemer 10] niet zou zijn gesteld dat sprake zou zijn van handelen in strijd met de eisen van professionele toewijding en/of een agressieve handelspraktijk met ongewenste beïnvloeding.
Het hof zou hebben miskend dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van handelen in strijd met de eisen van professionele toewijding en/of een agressieve handelspraktijk met ongewenste beïnvloeding, de gemiddelde consument de maatstaf is. De concrete omstandigheden wat betreft [deelnemer 10] die het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegd heeft, zijn niet van belang. Het hof had moeten onderzoeken of de gemiddelde consument een besluit over de betreffende overeenkomst zou nemen of zou kunnen nemen dat hij anders niet genomen zou hebben.
Ontoelaatbaar onduidelijk zou zijn waarom de door het hof in 11.5 en 11.6 genoemde omstandigheden in strijd met de eisen van professionele toewijding zouden zijn en/of een agressieve handelspraktijk zouden opleveren.
Onbegrijpelijk zou zijn dat sprake zou zijn van een merkwaardig kortingsvoorstel.
Ten aanzien van diverse andere deelnemers heeft het hof het beroep op oneerlijke handelspraktijken afgewezen. Zo heeft [deelnemer 1] (vordering A) volgens het hof onvoldoende toegelicht waarom diverse mededelingen als oneerlijk zouden moeten worden bestempeld. Verwijzingen naar video’s op YouTube, vermeende betaalde positieve reviews en websites waren daartoe niet voldoende. Het hof heeft in vergelijkbare zin geoordeeld ten aanzien van de vorderingen D, E, G, H en M (rechtsoverwegingen 6.9, 7.7, 9.8, 10.7, 15.7) en meer.
Het hof heeft dus gemeend dat het geval van [deelnemer 10] anders is. Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat volgens het hof de persoon van [deelnemer 10] het verschil maakt. Het hof zegt in rechtsoverweging 11.5 immers, hoewel terloops, dat hij ‘een amper meerderjarige jongen’ was. Ook zegt rechtsoverweging 11.6 over een overgelegde eigen verklaring van [deelnemer 10] dat die niet direct wijst op een goed ontwikkelde, stabiele persoonlijkheid. Lezen we het arrest van het hof zo, dan slaagt de klacht dat het hof heeft miskend dat bij de beoordeling of een handelspraktijk oneerlijk is, de gemiddelde consument als maat moet worden genomen.
Tegen de achtergrond van het partijdebat lees ik het arrest van het hof echter anders.
Ik citeer uit de verklaring van [deelnemer 10] waarop het hof zich, bij gebreke van betwisting door GCI van de daar genoemde feitelijkheden, heeft gebaseerd:
‘Ik ben in contact gekomen met GPE door middel van YouTube advertenties. Zo had ik [betrokkene 1] al eens eerder gezien bij [website] van [betrokkene 4] . In deze video vond ik hem heel interessant en heb ik hem goed weten te onthouden. Toen ik hem later in de advertentie van GPE zag, heb ik gelijk geklikt en heb ik mijn eerste aankoop gedaan om de 'masters of property' te volgen. Zo is mij beloofd om tijdens de vastgoedreis begeleiding aangeboden te krijgen en dat is ook de reden dat ik de cursus heb aangeschaft omdat ik bang was het alleen niet te kunnen. Wel wilde ik dit in eerste instantie niet doen maar toen [betrokkene 5] mij tijdens zijn verkoopgesprek, dat plaats vond tijdens het event, mij vertelde dat er ook mensen waren die het bedrag hadden geleend en daarmee hun vastgoedavontuur waren gestart. Zo had ik verteld geen geld te hebben en vertelde hij mij dat dit een excuus is, hij zei dit zinnetje omdat hij dit overigens van [betrokkene 1] had gehoord. Zo wees hij naar ene [betrokkene 6] die daar ook werkzaam was op dat evenement en vertelde hij wat zij had gedaan. Zij was opgestaan en had om een lening gevraagd aan mensen om haar heen om vervolgens het Black Badge jaarprogramma te volgen. Zo zat ik een paar minuten later in het event en pakte ik mijn kans om het te vragen. Daarop antwoord[d]e [betrokkene 7] dat ze dat graag wilde doen. Een paar dagen later hebben we alles ondertekend en heb ik een lening van €18.750 (inclusief 5% rente) afgesloten. […] Ook werd er voorgesteld om zo snel mogelijk het geld over te maken naar GPE dit kwam wederom vanuit [betrokkene 5] . Hij vertelde mij dat als ik voor vrijdag het geld zou overmaken 2 jaar van het Black Badge zijn kan genieten anders zou het maar 1 jaar zijn. […] Daarnaast werd [betrokkene 8] ook gedwongen om snel te handelen. Zo zou [betrokkene 8] met een 2-jarig lidmaatschap beloond worden als hij voor het einde van de week zichzelf nog zou aansluiten.’
Zoals gezegd, het hof heeft zich op deze verklaring gebaseerd en kunnen baseren bij gebrek aan betwisting door GCI van de in de verklaring vermelde feitelijkheden. Volgens het hof is onder meer sprake van – en dat volstaat – een agressieve handelspraktijk met ongepaste beïnvloeding in de zin van art. 6:193h lid 1 BW, omdat een consument die geen geld had, is ‘overgehaald’ tot het niettemin sluiten van een (kostbare) overeenkomst met GCI, te financieren met een lening, en waarbij bovendien met wat het hof een merkwaardig kortingsvoorstel noemt, tijdsdruk is gecreëerd. Let erop dat de formulering ‘over te halen’ door het hof kennelijk eufemistisch is bedoeld. De verkoper van de zijde van GCI had het niet hebben van geld geframed als ‘een excuus’, daarmee suggererend dat men een verontschuldiging behoeft om niet op het aanbod van GCI in te gaan. Vervolgens heeft hij het afsluiten van een lening om het contract te financieren als de oplossing gesuggereerd en zo de consument diens ‘excuus’ ontnomen en tegelijk tijdsdruk gecreëerd door het doen van een korte tijd geldig kortingsvoorstel, waarmee dus een overhaaste beslissing van de consument werd bevorderd.
Mijns inziens is het oordeel van het hof dat aldus sprake is van een agressieve handelspraktijk waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (art. 6:193h lid 1 BW), niet onbegrijpelijk. Onder agressieve handelspraktijk in de zin van het artikel valt niet alleen intimidatie of dwang, maar ook ongepaste beïnvloeding. Dit laatste heeft het Hof van Justitie in het Compass Banca-arrest gedefinieerd als ‘het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt.’ Welnu, de voorstelling dat men een (sluitend) excuus moet hebben om niet op een aanbod tot het sluiten van een kostbaar contract in te gaan, en de suggestie dat ook het niet hebben van geld niet als een zodanig excuus kan gelden omdat men immers geld kan lenen, in combinatie met een kortingsvoorstel dat een overhaaste beslissing bevordert, levert mijns inziens zonder meer zulke ongepaste beïnvloeding op en is zodanig dat de keuzevrijheid van de gemiddelde consument daardoor aanzienlijk wordt beperkt, althans kan worden beperkt, met als gevolg dat de gemiddelde consument een besluit over de overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. In dit verband is nog te bedenken dat ook een redelijk omzichtige en oplettende consument niet zonder zwakheden is. Het Hof van Justitie van de EU spreekt in eveneens het Compass Banca-arrest over de mogelijke invloed van cognitieve vertekeningen op de gemiddelde consument, waarmee rekening behoort te worden gehouden.
In verband met het voorgaande lees ik in de terloopse aanduiding door het hof van [deelnemer 10] als ‘een amper meerderjarige jongen’ niet dat het hof niet zou hebben getoetst aan de gemiddelde-consument-norm van de bepaling die het uitdrukkelijk heeft vermeld (art. 6:193h lid 2 BW). In plaats daarvan lees ik het zo dat het hof aan de norm die het vermelde ook daadwerkelijk heeft getoetst. De uitkomst van die toetsing is mijns inziens ook allerminst onbegrijpelijk.
Dat wordt voor mij niet anders doordat het hof in rechtsoverweging 11.6 ten aanzien van de door [deelnemer 10] overgelegde verklaring zegt dat die niet direct wijst op een goed ontwikkelde, stabiele persoonlijkheid. Het hof motiveert op die plaats niet waarom sprake was een oneerlijke handelspraktijk maar respondeert enkel op het verweer van GCI dat [deelnemer 10] zeer tevreden was over zijn coach en (alleen) onder invloed van [deelnemer 1] zich van GCI heeft afgekeerd.
De klacht van het onderdeel waarover eventueel twijfel mogelijk is, behandelde ik als eerste. Over de overige klachten van het onderdeel (vergelijk hiervoor 3.56) kan ik veel korter zijn:
Over de vraag of GCI zich van oneerlijke handelspraktijken heeft bediend, is tussen partijen uitvoerig gedebatteerd en daarbij is door [de deelnemers] gesteld dat sprake was van agressiviteit’, waarop GCI ook heeft gereageerd. De verklaring van [deelnemer 10] , waarmee de individuele vordering van [deelnemer 10] handen en voeten kreeg, is hiervoor al geciteerd. Van een verrassingsbeslissing is geen sprake.
Hoewel summier geformuleerd, is de beoordeling door het hof mijns inziens niet ontoelaatbaar onduidelijk. Mijns inziens hoeven we hierbij niet de ogen te sluiten voor de omvang van de zaak (het door GCI in cassatie gefourneerde dossier omvat dertien ordners) en de kennelijke ijver waarmee het hof de individuele vorderingen van de 44 deelnemers op maat heeft proberen te beoordelen in 54 bladzijden arrest (eindarrest plus de voorafgaande tussenarresten). Dat we dan hier en daar liever iets meer uitwerking in de overwegingen van het hof hadden willen lezen, dunkt mij onvermijdelijk. Zou ik menen dat GCI door het hof werkelijk tekort zou zijn gedaan, dan zou ik dat uiteraard niettemin zeggen.
De duiding door het hof als ‘merkwaardig kortingsvoorstel’ moet worden bezien in het geheel van de feiten en omstandigheden waarvan het hof uit is gegaan en mocht uitgaan. Zie hiervoor.
Art. 6:193h BW is de implementatie van Richtlijn 2005/29/EG. Mijns inziens bestaat er geen aanleiding om over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De maatstaf van de gemiddelde consument is door dat Hof reeds verduidelijkt in het hiervoor genoemde Compass Banca-arrest. De kwestie in onze zaak is niet hoe art. 6:193h BW in het licht van het EU-recht moet worden uitgelegd, maar uitsluitend wat de juiste lezing is van het arrest van het hof in onze zaak.
Onderdeel 8 richt zich tegen rechtsoverweging 15.7. Ik citeer ook de daaraan voorafgaande overwegingen:
‘15.5 De klachten van [deelnemer 29] en [deelnemer 16] komen erop neer dat zij in augustus 2020 contact hebben gehad met marketingmedewerker [betrokkene 9] van GCI die vertelde dat er in september 2020 huizen in Nederland, 35% onder de marktwaarde, via Proranq aangeboden zouden worden. Dit was voor hen reden om lid te worden. Hun doel was om binnen een jaar drie huizen te ‘flippen’ (een woning kopen, snel opknappen en vervolgens met winst doorverkopen) en daarmee een groot bedrag te verdienen.
Deze lezing is door GCI niet gemotiveerd betwist, behalve dat is aangevoerd dat het aanbod in september 2020 betrekking had op panden in het Verenigd Koninkrijk. GCI relativeert wel het belang van dit aanbod, omdat in het intakeformulier de nadruk op het flippen van woningen ligt.
Het hof wijst ook in dit geval de vordering gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken af (zie rov. 4.10) maar honoreert het beroep op dwaling. Er ligt geen getekende overeenkomst voor met daarin een artikel waarin Proranq nader wordt omschreven en dat disclaimers ten gunste van GCI bevat. Voor het kunnen flippen van woningen is het nodig dat wel aanbod van woningen in Nederland aanwezig is. Het hof verwerpt het verweer van GCI dat de belofte van woningaanbod niet relevant zou zijn.’
Volgens het onderdeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de beslissing onbegrijpelijk in rechtsoverweging 15.7 om het beroep op dwaling van [deelnemer 16] en [deelnemer 29] te honoreren. Het onderdeel bestaat uit twee klachten. Ten eerste klaagt het onderdeel dat deze beslissing niet gedragen kan worden door de motivering dat er geen getekende overeenkomst is met daarin een artikel waarin Proranq nader omschreven wordt en dat disclaimers ten gunste van GCI bevat en dat voor het kunnen flippen van woningen het nodig is dat aanbod van woningen in Nederland aanwezig is. Het hof heeft miskend dat deze omstandigheden geen grond opleveren voor een geslaagd beroep op dwaling. Heeft het hof dit niet miskend, dan is zijn beslissing zonder toelichting onbegrijpelijk. Ontoelaatbaar onduidelijk is waarom deze omstandigheden een grond voor een geslaagd beroep op dwaling zouden opleveren.
De klacht toont sterke gelijkenis met die van onderdeel 6 (hiervoor 3.46). Net als bij dat onderdeel licht de steller van het middel ten onrechte niet toe waarom de door het hof vastgestelde omstandigheden geen dwaling zouden opleveren. De strekking van wat het hof overweegt, dunkt mij vanzelfsprekend te zijn dat de mededeling dat er binnen het programma Great Property Experience aanbiedingen van huizen 35% onder de marktwaarde waren te verwachten, een onjuiste mededeling is in de zin van art. 6:228 lid 1 onder a BW.
Volgens het vervolg van het onderdeel heeft het hof niet gerespondeerd op de volgende stellingen, die, indien zij juist zijn, tot gevolg hebben dat het beroep op dwaling niet, althans niet geheel, gehonoreerd kan worden:
g. dat [deelnemer 16] en [deelnemer 29] niet voldaan hebben aan hun klachtplicht (art. 6:89 BW);h. dat de beweerdelijke mededelingen niet door GCI gedaan zijn en niet door [deelnemer 16] en [deelnemer 29] ontvangen zijn;i. dat er geen causaal verband is tussen de beweerdelijke mededelingen en het sluiten van de overeenkomst ;j. dat de overeenkomst ook zonder de beweerdelijke mededelingen gesloten zou zijn;k. dat art. 6:228 lid 2 BW aan vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling in de weg staat;l. dat de overeenkomst in ieder geval slechts partieel vernietigd kan worden.
De klacht komt vrijwel geheel overeen met de tweede klacht van onderdeel 6 (hiervoor 3.48 e.v.) en kan op overeenkomstige gronden worden afgedaan. Het hof heeft zich gebaseerd op een specifieke mededeling jegens [deelnemer 16] en [deelnemer 29] , ook zij hadden geen getekende overeenkomst met GCI en het hof heeft bij gebreke van betwisting door GCI vastgesteld dat de bedoelde specifieke mededeling (namelijk over aanbiedingen van huizen onder de marktwaarde) de reden voor [deelnemer 16] en [deelnemer 29] was om lid te worden. Voor het overige verwijs ik naar de bespreking van onderdeel 6.
Onderdeel 9 richt zich tegen de beslissingen in rechtsoverweging 28.6 en 33.2:
‘Z. De vordering van [deelnemer 36]
Het hof verwerpt de in algemene bewoordingen gestelde beroepen van [deelnemer 36] op oneerlijke handelspraktijken, dwaling, bedrog en toerekenbare tekortkoming, dan wel vervangende schadevergoeding onder verwijzing naar rov. 4.10, 4.11, 4.13 en 4.14. Het hof zal de ontbindingsbrief aanmerken als een opzegging en GCI veroordelen tot terugbetaling van 7,5% van het lidmaatschapsgeld nu er nog een kleine maand resteerde van de lidmaatschapstermijn resteerde op het moment van de opzegging. Dit komt neer op € 1.452,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2022 conform de beslissing van de kantonrechter.
EE. De vordering van [deelnemer 41]
Het hof merkt de brief van 19 november 2021 wel aan als een opzeggingsbrief en zal GCI veroordelen om een tijdsevenredig deel terug te betalen vast te stellen op 25% van € 18.516,63. Dit komt neer op een bedrag van € 4.629,16, dat GCI aan [derde 3] B.V. terug moet betalen, tenzij [derde 3] B.V. iets anders aangeeft. Dit bedrag moet vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2022 conform de beslissing van de kantonrechter.’
Het onderdeel klaagt dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft en/of onbegrijpelijk is de beslissingen om de brief van 19 november 2021 aan te merken als een opzeggingsbrief. Het onderdeel komt sterk overeen met onderdeel 2, met dien verstande dat niet de brief van 30 juli 2021 maar die van 19 november 2021 centraal staat. Bij die brief hebben zeven deelnemers zich gevoegd bij de eerdere 36 Black Badge-leden die aanspraak maakten op restitutie van het lidmaatschapsgeld. Volgens de brief zijn de redenen hiervoor GCI bekend en hoeven deze geen verdere herhaling. Zij voegen daaraan toe:
‘Ook namens deze Cliënten bevestig ik hierbij dat zij niet langer aanspraak maken op de nakoming van de overeenkomst tussen hen en GPE maar dat Cliënten hierbij de overeenkomst met GPE buitengerechtelijk ontbinden vanwege de redenen en gronden genoemd in de dagvaarding.’
Ook ten aanzien van de vorderingen van [deelnemer 36] en [deelnemer 41] geldt wat hiervoor naar aanleiding van onderdeel 2 is gezegd. Zij hadden zich erop beroepen dat zij mochten opzeggen en dat voor zover hun beroep op vernietiging niet opging, de overeenkomst in ieder geval als opgezegd beschouwd diende te worden (hiervoor 3.8). Weer geldt dat GCI ook bedacht was op het ten opzichte van ontbinding minder verdergaande alternatief van opzegging (hiervoor 3.9). Van een verrassingsbeslissing is geen sprake. Waar (onder meer) [deelnemer 36] en [deelnemer 41] zich voegden aan de zijde van de schrijvers van de brief 30 juli 2021 en ook de brief van 19 november 2021 inhoudt dat zij als deelnemers niet langer op nakoming van de overeenkomst aanspraak maakten, is mijns inziens allerminst onbegrijpelijk dat het hof daarin een opzegging heeft gelezen. Niet langer aanspraak maken op nakoming en tegelijk restitutie vragen van vooraf voldaan lidmaatschapsgeld past immers zeer goed bij opzegging.
Onderdeel 10 komt op tegen rechtsoverweging 30.8. Ik citeer ook rechtsoverweging 30.7:
‘30.7 In zijn toelichting schrijft [deelnemer 38] dat hij meerdere malen contact heeft opgenomen over zijn verzoek om van coach te wisselen, dat daarop niet geantwoord werd en dat hij zich daarom heeft aangesloten bij de claim.
Voor zover de vordering van [deelnemer 38] is gebaseerd op een tekortkoming vanwege het niet reageren op het verzoek om wisseling van coach oordeelt het hof dat GCI daar wel op heeft gereageerd en op 26 oktober 2021 diverse coaches had voorgesteld. Op 28 oktober 2021 reageerde [deelnemer 38] dat hij enthousiast was over twee coaches. Dit heeft GCI vervolgens, naar zij stelt vanwege ziekte, laten liggen. Het hof ziet in dit geval reden om de ontbinding partieel toe te wijzen, in die zin dat het hof de overeenkomst met ingang van 1 november 2021 ontbindt en GCI veroordeelt tot terugbetaling van 12,5% van het lidmaatschapsgeld. […]’
Het onderdeel klaagt dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is de beslissing in rechtsoverweging 30.8 om wat betreft [deelnemer 38] de ontbinding partieel toe te wijzen, in die zin dat de overeenkomst met ingang van 1 november 2021 ontbonden wordt en GCI wordt veroordeeld tot terugbetaling van 12,5% van het lidmaatschapsgeld. Het onderdeel bestaat uit twee klachten.
Het onderdeel klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat, voor zover nakoming van de overeenkomst niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is (art. 6:265 lid 2 BW). Het hof heeft niet vastgesteld dat GCI jegens [deelnemer 38] in verzuim zou zijn of dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk zou zijn. Heeft het hof dit niet miskend, dan in zijn oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
Deze klacht ziet eraan voorbij dat de toegang voor [deelnemer 38] tot een coach een uit de overeenkomst voortvloeiende voortdurende verplichting was en dat de tekortkoming in een voortdurende verplichting niet wordt ongedaan gemaakt door die verplichting in de toekomst alsnog wel na te komen. Daarom is sprake van blijvende onmogelijkheid en is verzuim niet vereist (hiervoor 3.26). Uiteraard rechtvaardigt niet ieder tijdelijk tekortschieten in een voortdurende verplichting ook een ontbinding (de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW), maar daarop ziet de klacht niet. Volledigheidshalve twee opmerkingen hierover nog: (1) een zodanige klacht zou veronderstellen dat in feitelijke aanleg door GCI op de uitzondering dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt een beroep is gedaan; (2) een gedeeltelijke ontbinding (hier voor 12,5% van het lidmaatschapsgeld) wordt vanzelfsprekend spoediger door een tijdelijk tekortschieten gerechtvaardigd dan algehele ontbinding van een overeenkomst.
Ten tweede klaagt het onderdeel dat het hof niet heeft gerespondeerd op GCI’s essentiële stellingen dat [deelnemer 38] niet voldaan heeft aan zijn klachtplicht (art. 6:89 BW) en dat GCI jegens [deelnemer 38] niet in verzuim is. Waarom het laatste geen essentiële stelling is, volgt uit wat zojuist is gezegd. Wat betreft het beroep op de klachtplicht verwijs ik naar de bespreking van onderdeel 3 (hiervoor 3.23).
Onderdeel 11 komt op tegen rechtsoverweging 37.3:
‘37 Recapitulatie en proceskosten
[…] 37.3 Het hof ziet hierin aanleiding om de proceskosten in beide instanties te compenseren, in die zin dat elke procespartij de eigen kosten moet dragen, zowel van de procedure bij de rechtbank als van de procedure in hoger beroep in principaal hoger beroep.’
Volgens dit onderdeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting de beslissing in rechtsoverweging 37.3 om de proceskosten in beide instanties te compenseren, in die zin dat elke procespartij de eigen kosten moet dragen, zowel van de procedure bij de rechtbank als van het principale hoger beroep. Want nu in deze zaak sprake is van subjectieve cumulatie heeft het hof ten onrechte nagelaten om voor iedere partij afzonderlijk na te gaan of zij in de proceskosten van de eerste aanleg en/of het hoger beroep veroordeeld moet worden of dat deze kosten gecompenseerd moeten worden. De partijen wier eis geheel afgewezen is, hadden in ieder geval in de proceskosten veroordeeld moeten worden. Dit heeft het hof miskend.
Ingevolge art. 353 lid 1 Rv en 237 lid 1 Rv geldt in appel het uitgangspunt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld. Afwijking hiervan is mogelijk op basis van in de wet geregelde gevallen. Een uitzondering waarin compensatie van kosten kan plaatsvinden, is die waarin partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. De mate waarin de eiser in het gelijk wordt gesteld wordt niet enkel bepaald door vergelijking van petitum en dictum, maar mede door tal, gewicht en uitkomst van de ‘onderweg’ naar het petitum beslechte geschilpunten. Hierin heeft de rechter veel vrijheid: de rechter hoeft niet te wegen of partijen in gelijke mate over en weer in het ongelijk zijn gesteld.
Aan de klacht van het middel liggen twee veronderstellingen ten grondslag die mijns inziens niet juist zijn.
Ten eerste gaat het middel ervan uit dat het hof ‘heeft nagelaten om voor iedere partij afzonderlijk na te gaan of zij in de proceskosten van de eerste aanleg en/of het hoger beroep veroordeeld moet worden.’ Ik lees echter dat het hof heeft geoordeeld dat ‘elke procespartij’ de eigen kosten moet dragen (onder 37.3) en dat ‘alle procespartijen’ de eigen kosten moeten dragen (onder 38.20). Er is geen reden voor de lezing dat het hof niet ten aanzien van iedere partij afzonderlijk heeft beoordeeld wat de beslissing omtrent de proceskosten diende te zijn. Dat die beslissing ten aanzien van alle partijen uiteindelijk gelijkvormig uit is gevallen, strijdt daarmee niet.
In de tweede plaats vergelijkt de steller van het middel ten onrechte alleen petitum en dictum en ziet hij eraan voorbij dat GCI ten aanzien van alle deelnemers deels in het ongelijk is gesteld. GCI heeft ten aanzien van alle partijen een groot aantal formele verweren gevoerd. Het hof heeft onder meer ten aanzien van alle deelnemers het verweer van GCI verworpen dat zij art. 21 Rv hebben geschonden (rechtsoverweging 2.1 van het eindarrest). Reeds daarmee ontstond voor het hof de vrijheid om de proceskosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. Dat het hof van die vrijheid ruimer gebruik heeft gemaakt dan bij mijn weten overigens gebruikelijk (bij de afwijzing van een vordering is een veroordeling van eiser in de proceskosten in mijn waarneming het gewone geval), is iets waarvoor we mijns inziens begrip kunnen hebben. Hoewel bij subjectieve cumulatie sprake is van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare rechtsvorderingen, zijn in deze zaak partijen wel beide bijgestaan door één advocaat die over en weer in alle zaken grotendeels dezelfde of zeer vergelijkbare stellingen heeft betrokken. Een eenvormige beslissing omtrent de proceskosten sluit bij die realiteit in deze procedure aan. Waar GCI ten aanzien van alle deelnemers deels in het ongelijk was gesteld, hoewel ten aanzien van een deel van de deelnemers hun vordering was afgewezen, deed het hof met de uitgesproken compensatie van kosten wat het mocht doen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G