PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02507
Zitting 22 september 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 28 juni 2024 (parketnr. 22-000427-21) wegens 1 “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” en 2 “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Het hof heeft de vordering van de [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft voorts een vordering tot herroepping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en het alsnog ondergaan gelast van het gedeelte van de bij een eerder arrest opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 490 dagen, met aftrek van de dagen die verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is kort gezegd veroordeeld wegens het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing. Het eerste middel komt met twee bewijsklachten op tegen de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel faalt en dat het tweede middel slaagt.
3. Het eerste middel
Het middel houdt ten eerste in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachten de aangever “niet vrijwillig” in de auto hebben doen plaatsnemen.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 12 september 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [benadeelde] :
- niet vrijwillig in die auto te doen plaatsnemen en in die auto naast die [benadeelde] te hebben plaatsgenomen en
- in een auto te vervoeren en rond te rijden en
- niet vrijwillig in die auto te laten verblijven, in elk geval die [benadeelde] te (blijven) beletten te gaan en staan waar hij wilde;
met het oogmerk om die [benadeelde] te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten te dwingen tot (onder meer) afgifte van een geldbedrag;
2.
hij op 12 september 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge en een mobiele telefoon en een contant geldbedrag (van 1.500 euro), toebehorende aan die [benadeelde] , welke bedreiging met geweld bestond uit het:
- niet vrijwillig in die auto te doen plaatsnemen van die [benadeelde] en
- in die auto naast die [benadeelde] te hebben plaatsgenomen en
- niet vrijwillig in een auto te vervoeren en rond te rijden van die [benadeelde] en
- op dreigende/dwingende toon tegen die [benadeelde] zeggen dat hij 20.000 euro moest geven.”
Deze bewezenverklaring steunt voor zover voor de bespreking van het middel relevant op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van de verwijzingen):
“1. Het proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] bij de raadsheer-commissaris d.d. 22 augustus 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
als de op 22 augustus 2023 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Het klopt dat het gaat om 12 september 2020 in [plaats] . Het klopt dat ik destijds verblijf bij mijn broer op de [a-straat] in [plaats] . Ik ben naar de AH gereden en heb op het parkeerdek geparkeerd. Ik zag dat iemand mij volgde in de AH. Op de zitting bij de rechtbank zag ik hem weer, hij heet [medeverdachte 1] . Toen ik de AH uitliep, was ik aan het bellen en drukte ik mijn auto van een afstandje open. Toen ik in mijn auto stapte, zat er al iemand in mijn auto op de bijrijdersplaats en hij pakte mij vast. Hij bleek later [verdachte] te heten. Ik gilde en toen werd mijn telefoon afgepakt. Ik moest in het middel van het busje gaan zitten. Uit de auto voor mij kwam nog een persoon en die nam plaats achter het stuur en toen vertrokken we. [verdachte] zat rechts naast mij. [verdachte] zei dat mij niks ging gebeuren als ik hem 20.000 euro zou geven. [verdachte] zei eigenlijk direct dat we naar de [a-straat] moesten gaan. Toen zijn we gereden langs de bieb. Ze stopten en ik heb toen geprobeerd weg te rennen. Ik rende mijzelf vast. Toen kwam [verdachte] naar mij toe en pakte hij mij vast. [medeverdachte 1] bleef bij de bestelauto staan. Ze hebben mij toen gepakt en wij zijn verder gereden. We zijn dichtbij het huis van mijn broer gestopt en [verdachte] zei tegen mij dat ik mijn horloge en ketting af moest doen. [verdachte] pakte mijn horloge van mijn pols. Ik had 1000 of 1500 euro gepind en dat moest ik ook afgeven aan [verdachte] .
2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] d.d. 12 oktober 2020 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als de op 12 oktober 2020 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] :
Ik [ging, PHvK] naar de Albert Heijn en zag toen die jongen. Een van de jongens was in de auto. Ik heb toen gezegd dat ik die oplichter zag. Ik heb voor mijn spullen betaald en ging samen met die jongen naar buiten. Hij liep naar de bus en mijn mattie was met hem aan het praten wanneer hij de bus open deed. We hielden de deur open aan de passagierszijde. We waren hem daar aan het aanspreken dat hij mensen aan het oplichten was. Hij was bang want hij zag 3 mensen voor zich. Ik en die andere jongen, die ik ken als [betrokkene 1] , waren met hem aan het praten. We waren aan het praten dat hij die jongen zijn geld moest geven. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij met hem in de bus moest. Ik reed achter hun aan. Ik wist dat we bij zijn huis waren. Ik heb mijn auto geparkeerd en ben naar de bus gelopen. Ik was bang om hem te laten gaan. Ik vertrouwde hem niet. Ik heb zijn telefoon genomen. De jongens die daar waren, waren gewoon met mij in de auto die dag”.
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten het volgende overwogen:
“Feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
[medeverdachte 2] heeft in zijn verhoren bij de politie samengevat verklaard dat hij een tip had gekregen van [medeverdachte 3] over de aanwezigheid van waardevolle goederen en geld bij aangever [benadeelde] . [medeverdachte 3] heeft daarbij een foto van aangever toegestuurd, waarop deze op een bed en omringd met geld, is afgebeeld. [medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor bij de politie erkend dat hij deze foto op 10 september 2020 aan [medeverdachte 2] heeft toegestuurd. Na een voorverkenning in de [a-straat] te [plaats] , waar aangever op dat moment in de woning van zijn broer verbleef, heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] medegedeeld dat het te lastig was om daar in te breken en hij besloot van de inbraak af te zien.
Een bij de voorverkenning aanwezige buurman van [medeverdachte 2] was wel geïnteresseerd om daar te gaan inbreken. Deze buurman heeft vervolgens een aantal personen bij elkaar gezocht om dit te gaan doen. [medeverdachte 2] bracht rond 9 of 10 september 2020 de buurman en één van zijn handlangers met [medeverdachte 3] in contact in een café genaamd [A] , te [plaats] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een foto van de handlanger die bij deze ontmoeting aanwezig was, heeft gestuurd naar aangever. Uit een Whatsappgesprek tussen [medeverdachte 2] en aangever (gebruik makend van de telefoon van ene [betrokkene 2] ) na het incident, blijkt dat [medeverdachte 2] een foto van [verdachte] heeft gestuurd. Ten slotte heeft [medeverdachte 2] een baken gekocht en onder de bus van aangever geplaatst, waarmee de bus van aangever gelokaliseerd kon worden.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 1] op 12 september een behoorlijk deel van de dag samen waren.
De telefoon van [medeverdachte 1] straalde op 12 september 2020 om 15:43 uur aan op de [a-straat] .
Op 12 september 2020 rond 16:50 uur was aangever boodschappen aan het doen bij Albert Heijn aan het [b-straat] te [plaats] . Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] zich op hetzelfde moment in deze Albert Heijn bevindt en meerdere malen richting aangever kijkt, waarbij hij een telefoon aan zijn oor houdt. Aangever had zijn busje op het parkeerdek van Albert Heijn geparkeerd. Toen hij klaar was met boodschappen doen, ontgrendelde hij zijn busje van een afstand.
Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat er een man op de bijrijdersstoel van zijn busje zat, toen hij in zijn auto wilde stappen. Later is gebleken dat dit de verdachte betrof. De verdachte zei tegen aangever dat hij moest opschuiven en in het midden moest gaan zitten. Een andere man, die uit een andere auto kwam − [medeverdachte 4] − kwam toen achter het stuur zitten en reed weg. Een derde man volgde hen met de auto. Later is gebleken dat dit [medeverdachte 1] betrof. In het busje zei de verdachte tegen aangever dat hij hem € 20.000,- moest geven. Ter hoogte van de bibliotheek zijn ze gestopt. Aangever probeerde toen weg te rennen, maar de verdachten hebben hem weten tegen te houden. Tegen aangever werd toen gezegd dat hij zijn horloge, te weten een Rolex GMT Master 2 met diamanten, moest afgeven. Vervolgens reden zij door naar de [a-straat] . Toen zij uitstapten gaf aangever het horloge aan de verdachte. De verdachten wilden dat aangever het geld uit de woning ging halen, maar zagen daarvan af omdat de verdachte hen vertelde dat zijn broer in de woning was. Aangever moest vervolgens zijn ketting, telefoon en € 1.500,- contant aan de verdachten geven, aldus aangever.
Een getuige, [getuige 1] , heeft verklaard dat hij op 12 september 2020 tussen 16:00 uur en 18:00 uur in de [a-straat] drie donker gekleurde mannen zag lopen. De getuige heeft geschreeuw gehoord. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat aangever naar hem toe is gegaan en erg gestrest was. Dit zag hij aan zijn gezicht en de manier waarop hij zijn handen bewoog.
[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij ook bij Albert Heijn aan het [b-straat] was en aangever daar heeft gezien. Hij zou de medeverdachte(n) hebben gebeld en vervolgens aangever bij diens busje hebben aangesproken, samen met de verdachte. Ook heeft hij verklaard dat hij met zijn auto achter het busje is aan gereden waar aangever, de verdachte en een andere medeverdachte in zaten. [medeverdachte 1] wist op het moment dat zij aankwamen in de [a-straat] , dat zij waren aangekomen bij de woning van aangever.
Na het incident had [medeverdachte 1] de telefoon van aangever in bezit en heeft hij met deze telefoon met aangever contact gehad via Whatsapp. Aangever zou hebben gezegd dat hij zijn telefoon, Rolex en ketting terug wilde. Daarna belde aangever naar zijn telefoon en nam [medeverdachte 1] de telefoon op. [medeverdachte 1] zei toen tegen aangever dat hij zijn spullen terug zou krijgen als hij zijn afspraak na zou komen.
Oordeel hof
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de verklaringen van aangever onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De raadsvrouw heeft daartoe − samengevat − aangevoerd dat aangever eerder voor oplichting is veroordeeld en dat dit verder volgt uit zijn handelwijze direct na het voorval en de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
Het hof heeft onvoldoende redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever. Zijn verklaringen vinden op essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [medeverdachte 1] en de verdachte zelf. Het feit dat aangever uitgebreider heeft verklaard in het verhoor bij de raadsheer-commissaris maakt zijn verklaringen niet onbetrouwbaar, aangezien bij de raadsheer-commissaris een uitvoeriger verhoor heeft plaatsgevonden dan bij de politie.
Het hof acht de verklaring van aangever dan ook betrouwbaar en zal deze, voor zover die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, gebruiken voor het bewijs.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat aangever door de verdachte en diens medeverdachte (n) als medeplegers, op 12 september 2020 wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en is gedwongen tot afgifte van zijn geld, Rolex en telefoon. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verdachte was al vroeg betrokken bij een plan om de aangever geld of goederen afhandig te maken. De tip van [medeverdachte 3] is via [medeverdachte 2] bij de verdachte terechtgekomen. Na een ontmoeting met [medeverdachte 2] in een café in [plaats] wordt een baken onder het busje van aangever geplaatst, zodat aangever gelokaliseerd kan worden. De verdachte betrekt dan onder andere [medeverdachte 1] bij zijn plan, die op de dag van het incident een voorverkenning doet bij de woning waar aangever verbleef (de [a-straat] ). Dit volgt uit het feit dat de telefoon van [medeverdachte 1] aldaar − ongeveer een uur voordat de ontmoeting bij Albert Heijn plaatsvond − is aangestraald en uit het feit dat uit diens verklaring naar voren komt dat hij wist dat aangever in (een woning in) die straat verbleef. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de medeverdachten, waaronder de verdachte, vanuit Albert Heijn op de hoogte gehouden van de bewegingen van aangever. Vanaf het parkeerdek bij Albert Heijn wordt aangever vervolgens door de verdachte en [medeverdachte 4] opgewacht. Daar vindt dan een gesprek plaats, waaraan ook de verdachte heeft deelgenomen en waarbij tegen aangever werd gezegd dat hij geld diende te betalen. Daarbij heeft de verdachte bovendien met zijn aanwezigheid gezorgd voor een getalsmatige versterking van het aantal (te weten drie) aanwezigen dat zich op dat moment in de nabijheid van aangever bevond. [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat aangever bang was, omdat hij drie mensen voor zich zag en dat hij en de verdachte met aangever aan het praten waren over dat aangever "gewoon zijn geld moest geven". Wanneer blijkt dat aangever niet genoeg geld bij zich heeft, wordt hij door de verdachte en ' [medeverdachte 4] ' in zijn eigen bus meegenomen, waarbij hij in het midden moest gaan zitten. [getuige 2] heeft verklaard dat zij tijdens het telefoongesprek dat zij had met aangever op het moment dat hij naar de auto liep, een gil hoorde en dat vervolgens de verbinding werd verbroken.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat aangever − anders dan de verdachte heeft doen voorkomen − niet vrijwillig met de verdachte en [medeverdachte 4] in de bus is gestapt en evenmin vrijwillig is meegereden (hetgeen ook volgt uit het feit dat aangever bij de bibliotheek heeft trachten te ontsnappen). [medeverdachte 1] is vervolgens achter het busje aan gereden, wetende dat aangever tegen zijn wil in zijn busje was meegenomen, met de bedoeling om hem geld of goederen afhandig te maken. Wanneer een tussenstop wordt gemaakt ter plaatse van de bibliotheek en de aangever tracht te ontsnappen, heeft de verdachte zich niet teruggetrokken. Integendeel, de rit naar de [a-straat] werd op dezelfde wijze vervolgd.
Vervolgens werd gestopt in deze straat, waarbij wederom door de verdachten met aangever werd gesproken over het feit dat aangever (€ 20.000) moest betalen, hij zijn horloge aan de verdachte moet afstaan en geld en zijn telefoon heeft moeten afgeven.
Vast staat verder dat [medeverdachte 1] in het bezit was van de telefoon van aangever. Via deze telefoon heeft hij, na de vrijlating van aangever, contact gehad met aangever en heeft hij gesteld dat aangever zijn spullen terug zou krijgen wanneer hij had betaald. Bovendien heeft [medeverdachte 1] de verdachte en ' [medeverdachte 4] ' voorafgaand en na de feiten vervoerd in zijn auto.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde bewezen”.
Het hof heeft kort gezegd en voor zover van belang onder 1 en 2 bewezenverklaard dat de verdachte met anderen de aangever niet vrijwillig in de auto heeft doen plaatsnemen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat dat volgt “uit het feit dat aangever bij de bibliotheek heeft trachten te ontsnappen” (zie ook bewijsmiddel 1). Uit dit bewijsmiddel blijkt voor zover van belang ook het volgende:
(i) dat toen de aangever uit de Albert Heijn liep hij aan het bellen was en dat hij de auto van een afstand opende;
(ii) dat op het moment dat de aangever in de auto stapte er al iemand zat op de bijrijdersplaats van de auto zat en deze persoon de aangever vastpakte;
(iii) dat de aangever gilde en dat toen zijn telefoon werd afgepakt;
(iv) dat de verdachte tegen de aangever zei dat hij in het midden moest gaan zitten;
(v) dat uit de auto die zich voor de aangever bevond nog een persoon kwam die plaatsnam achter het stuur en dat de auto toen vertrok.
Gelet op hetgeen daarover in cassatie is aangevoerd en gelet op de onder 3.5 genoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is het oordeel van het hof niet ontoereikend gemotiveerd. Uit het worden vastgepakt en het gillen blijkt reeds in voldoende mate dat de voltooiing van het door de aangever de auto ingaan niet vrijwillig was en dat hij bovendien niet vrijwillig in het midden van de auto heeft plaatsgenomen maar na daartoe door de verdachte die hem had vastgepakt te zijn geïnstrueerd.
De klacht faalt.
Het middel houdt ten tweede in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat “op dreigende/dwingende toon” tegen de aangever is gezegd dat hij € 20.000,- moest geven.
Blijkens de verklaring van aangever (bewijsmiddel 1, zie onder 3.3) heeft de verdachte tegen de aangever gezegd dat hem “niks ging gebeuren als ik hem 20.000 euro zou geven”. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte “op dreigende/dwingende toon” tegen de aangever heeft gezegd dat hij € 20.000,- moest geven. Immers, uit hetgeen de verdachte heeft gezegd blijkt dat – zou aangever niet voldoen aan de door de verdachte gestelde voorwaarde – de aangever wel iets zou gebeuren. Het is mijns inziens evident dat de verdachte daarbij doelde op het aanwenden van geweld, hetgeen zonder meer dreigend en/of dwingend is. Ondersteuning van een en ander blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 2, zie onder 3.3), onder meer inhoudende: “Hij was bang want hij zag 3 mensen voor zich. […] We waren aan het praten dat hij die jongen zijn geld moest geven.”
De klacht faalt. Daarmee faalt het middel.
4. Het tweede middel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
Het cassatieberoep is ingesteld op 2 juli 2024. De stukken van het geding zijn op 17 juli 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim 4 maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Dat moet leiden tot strafvermindering.
Het middel slaagt.
5. Afronding
Het eerste middel faalt. Daarbij ligt het gezien de vrijspraak door de rechtbank van het onder 2 tenlastegelegde niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het tweede middel slaagt.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 2 juli 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Ook dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG