PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04121
Zitting 22 september 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 8 november 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens "belaging" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren onder bijzondere voorwaarden. Het hof heeft tevens – na opheffing van het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid – een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contact- en locatieverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren met een vervangende hechtenis van maximaal zes maanden en heeft bevolen dat die maatregel dadelijk uitvoerbaar is met aftrek van de tijd die de (eerder dadelijk uitvoerbaar verklaarde) maatregel reeds van kracht is geweest. Het hof heeft tevens beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest bepaald. Het hof heeft tot slot de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het bewezenverklaarde en de bewezenverklaring daarom onvoldoende met redenen omkleed en/of onbegrijpelijk is.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 december 2021 tot en met 24 april 2022 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] veelvuldig Whatsappberichten en e-mailberichten te sturen en zich nabij de woning van die [slachtoffer] te begeven en met de auto de woning van die [slachtoffer] veelvuldig voorbij te rijden en daarbij te claxonneren met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden.”
De bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door [verbalisant 1] , werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2022075396-2 en gesloten op 22 maart 2022 (pagina's. 1-205), voor zover inhoudende:
Plaats delict: [plaats]
Als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van stalking door [verdachte] . Op 20 februari 2020 heb ik [verdachte] via een datingsite leren kennen. We kregen een relatie en medio februari 2021 trok [verdachte] bij mij in. Ongeveer half juni heb ik hem verteld dat het over was tussen ons. Ik wilde dat hij vast wegging maar hij had geen andere woonruimte en ik had hem een ultimatum gegeven dat hij op 18 oktober 2021 vertrokken moest zijn. Dit is niet gelukt. Op 11 oktober 2021 kwam ik thuis rond 17.30 uur en [verdachte] lag op de bank. Ik kreeg meteen de volle laag en we kregen ruzie. Hij is toen met behulp van de politie weggegaan. Hierna is hij nog zeker 20 keer langs geweest omdat hij op zijn computer moest werken. Ik wilde hem de toegang niet ontzeggen omdat ik bang was. Ik dacht als ik aardig blijf dan gaat hij wel meewerken want hij had zich nog steeds niet uitgeschreven van mijn adres. Op 12 oktober had ik contact met Veilig Thuis om een afspraak te maken met [verdachte] wanneer hij uiterlijk zijn spullen zou moeten weghalen. Dit was 15 november 2021 geworden. Dit was niet gelukt en ik heb hem geappt om hem daarop te wijzen.
Op 17 november 2021 heb ik een Whatsappbericht naar [verdachte] gestuurd waarin ik nogmaals heb aangegeven dat hij zich moest uitschrijven, dat het al een tijd over was tussen ons, en hij eindelijk zijn spullen moest weg komen halen.
Vanaf het moment dat [verdachte] zijn spullen definitief heeft weggehaald, te weten december 2021, is het stalkgedrag alleen maar erger geworden. Hij reed meerdere keren per dag langs mijn huis, op de tijden dat ik nog niet aan het werk was tussen 07.00 uur en 07.30 uur en in de avond tussen 18.15 en 00.00. Hij toeterde dan ook altijd. Ik herken zijn auto en ik zie hem dan ook achter het stuur zitten.
Met kerst 2022 (het hof begrijpt: 2021) ontving ik in totaal, aan mailtjes en sms’jes maar liefst 140 berichten. Inmiddels heb ik [verdachte] vanaf december 2021 volledig geblokkeerd op Whatsapp en vanaf november 2021 ook op alle andere social media, behalve mijn email maar ik kreeg dit niet voor elkaar. Bovendien mailt hij me vanaf diverse mail accounts die ik niet allemaal ken.
Op 20 maart 2022 kwam [verdachte] weer luid toeterend omstreeks 19.30 uur langs mijn huis gereden. Ik slaap al weken slecht door dit onophoudelijke gedrag van [verdachte] . Ik ben best bang, heb concentratie problemen en ben heel moe omdat ik er non-stop aan denk hoe ik [verdachte] ‘voor’ moet blijven. Ik ben bezorgd dat mijn dochter [betrokkene 2] hier teveel last van krijgt. Als ze getoeter hoort is ze bang dat het [verdachte] weer is en ik zie haar echt schrikken. Ze is ’bezorgd om mij en dat wil ik niet. Ze huilt en is bezorgd over mij, ze is erg mee bezig. Ik heb een te hoge bloeddruk en dat is alleen maar erger geworden sinds dit allemaal speelt.
Ik voeg hierbij diverse voice-opnames, sms- en WhatsAppberichten en tevens diverse e-mails.
2. Telkens geschriften, als bijlagen bij het proces-verbaal van aangifte gevoegd, te weten weergaven van e-mailberichten en WhatsAppberichten, verzonden tussen aangeefster en verdachte, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op pagina 82:
Op 28 nov. 2021 om 21:34 schreef [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]:
[verdachte] ,
Ik zie nu net pas deze mail, maar ik ga hier verder niet meer op in. Maar ik ben er weer ingetrapt, jij wilde wat gaan drinken om dingen uit te praten, ik dacht oké, misschien gaat mijn angst weg en kan ik weer gewoon communiceren met jou, niet meer in een relatie maar gewoon normaal, maar wel op neutraal terrein maar jij wilde dat niet, ik trap er niet meer in, we gaan jouw pad op. ik vind het prima en ik ga ook niet meer reageren op jouw mails want krijg de volledige schuld van alles. Ik ben er weer ingetrapt, jammer dacht mijn vertrouwen in jou misschien weer terug te krijgen maar mijn vertrouwen is hierdoor nu best beschadigd door jouw mails en beschuldigingen.
Fijne avond verder, ik ga zo slapen.
[slachtoffer]
Op pagina 42:
30-11-2021 22:39 - [slachtoffer] : Prima dat het goed was bedoeld, maar ik heb geen vragen. En ik ga ook geen vragen meer stellen. Want als ik iets belangrijks vraag dan word er niks mee gedaan of is er schijt aan of word tegen me gebruikt en voor mijn voeten gegooid, ik ga nu slapen en nu niet meer appen want ik ga slapen. Weltrusten.
Op pagina 90:
Op 4 dec. 2021 om 14:51 schreef [verdachte] [ [e-mailadres 2] ]:
Het einde komt zoals jij het wil! Wel jammer dat je dit doet niet smoesjes en leugens doet! Leugens en de manier achteraf zeg genoeg met alle bewijzen achteraf maar heb jij je zelf er meer mee dan mij? ik denk je zelf en daar doe ik dan maar geen uitspraak over. Nu achteraf dan is achteraf nog niet afgerond maar achteraf is het prima zo! Gewoon 1 leugen zo alles achteraf! Maar ik heb altijd gezegd karma! Karma komt vanzelf karma komt en karma is er al! En karma pak je,
Van: [verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Verstuurd: 4 december 2021 17:02
Aan: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Onderwerp: Re: waarom stond jij op een datingsite, waarom?
corectie... kanker is blijkbaar noormaal een zin in jou famielie
Op pagina 119-120:
Van: [verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Verstuurd: 16 december 2021 11:14
Aan: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Onderwerp: bekijke het maar
Het is klaar, de leugenaar was jij [slachtoffer] ! Stiekem sleutels van mij bos afhalen, stiekem zijn, schijnheilig, opmerkingen maken waar je dochter bij is steeds? Je zus op me afsturen met dingen waar jij mee zat? Je buren informeren, je lult te veel met [betrokkene 1] en zij met de andere buren snap je het????!?!
Zelfs je collegas wisten het eerde dan je vriend ????? Je zij het zelf tegen mij???
Dus [slachtoffer] wie hou je voor de gek steeds???? JE Zelf!
Een hekel aan [betrokkene 2] ?!?!? De pik op je dochter?!?!?! Ook dat zij jij en niet ik?
Zo schuifje steeds de dingen in mij schoenen?? Afstandbeding tegen je raam!! Jij zij naar jouw??? Nee tegen je raam!!! Daarom vul het maar in [slachtoffer] met alles, vul het in!!!
Begrijp je nu ook waarom ik je gewoon niet meer gelooft, alles wat jij mij verteld heb over [betrokkene 3] dat hij jou sloegt?!?!? Is dat wel waar???? [slachtoffer] alles wat jij in mij schoenen probeert te schuiven gaat je nooit lukken, dat de mensen om jou heen je gelofen?!?!? Is aan hun en daar heb ik niet mee!!! ik heb en had wat met jou 1 op 1 en niet met je buren !!!
jij wel blijkbaar!!!!
Snap je het nu???? Je maak het zelf moeilijk en je trek het je zelf aan en dat is jou keuze, ik pas hiervoor op mij leeftijd!
Op pagina 139:
[verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Verstuurd: 19 december 2021 00:01
Aan: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Onderwerp: corona
.. [slachtoffer] ,
De onderwerp corona is ook iets wat de verdeel en heers brengt, zie je buurman hahahahaha Maar laat ik mij mening maar niet geven, je buurman staat ook op mij lijst van aanpakken en wel eens komt i aan de beurt!
Op pagina 195:
[verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Verstuurd: 7 januari 2022 22:09
Aan: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Onderwerp: Echt einde
Het is echter einde, einde in relatie, einde vriendschap, geen vrienden of iets. Ondertussen wis ik alle foto's en filmpjes van jouw en [betrokkene 2] waar jullie op staan uit mijn toestel. Waarom ik ze zal bewaren? Wel waar me dochter op staat zoals klimbos wat wel leuk was toen bewaar ik, als het uit eten met mijn moeder. Veders waarom zal ik het bewaren. Af en toe kort gevraagd hoe het met je gaat maar 0,0000 reactie meer. Jou keuze moet ik accepteren. Maar waarom de leugens en vragen die nog openstonden zal je ook nooit beantwoorden. Prima [slachtoffer]
Op pagina 196:
From: [verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Sent: January 10, 2022 10:41:09 PM
To: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Subject: Het einde
[slachtoffer] , al weken nu reageer je niets meer, prima. Al weken stuur ik je steeds minder berichten, en het blijk steeds meer achteraf en het bevestigd mij steeds meer dat het echt einde is. Het bevestig mij steeds meer nu dat het een leugen was totaal.
Op pagina 204:
From: [verdachte] [ [e-mailadres 2] ]
Sent: February 19, 2022 4:43:06 PM
To: [slachtoffer] [ [e-mailadres 1] ]
Subject: 1 vraag
vraag. Heb je mij geblokkeerd?
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris d.d. 12 juli 2024, als losse bijlage bij het dossier gevoegd, voor zover inhoudende, als verklaring van [slachtoffer] :
Ik blijf volledig bij mijn afgelegde aangifte. (...) Ik kon hem zelf niet uitschrijven. [verdachte] heeft zich niet zelf bij de gemeente laten uitschrijven, maar uiteindelijk heeft de gemeente dat wel gedaan en hem een postadres gegeven.
4. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] , werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2022075396-5 en gesloten op 28 maart 2022 (pagina's 206 en 207) voor zover inhoudende, als verklaring van verbalisant:
Door verbalisant is op meerdere momenten een stopgesprek gevoerd met betrokkene [verdachte] om te stoppen met contact maken met zijn ex-vriendin [slachtoffer] , wonende op de [a-straat 1] te [plaats] .
Verbalisant heeft in de hoedanigheid van wijkagent enkele stopgesprekken gevoerd met [verdachte] om hem te laten stoppen om contact te zoeken met [slachtoffer] . Het laatste gesprek heb ik op zondag 20 maart 2022 met hem gevoerd. Alle keren beloofde [verdachte] om zijn ex vriendin met rust te laten.
5. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2022075396-7 en gesloten op 20 april 2022 (pagina's 211 en 212), voor zover inhoudende; als verklaring van verbalisant:
Ik zag meerdere e-mails van [slachtoffer] , Ik zag dat dit een logboekje, screenshots, filmpjes en spraakopname waren.
Logboek:
22 maart 18.49 uur richting snelweg toeteren;
23 maart 7.56 uur richting snelweg toeteren;
23 maart 19.54 uur richting snelweg toeteren;
24 maart 23.35 richting snelweg toeteren;
24 maart 23.36 uur richting snelweg (is via neuweg rondje gereden en teruggekomen om nogmaals lang te rijden en toeteren, zag hem terug uit de zijstraat komen);
26 maart 13.15 uur langs gereden en toeteren;
2 april 20.11 uur langsgereden richting snelweg;
2 april 20.18 uur richting kerkelanden;
2 april 20.47 uur langsgereden richting snelweg;
8 april 19.15 uur toeteren richting kerkelanden;
8 april 19.30 uur toeteren richting snelweg;
8 april 22.00 uur toeteren richting kerkelanden;
8 april 22.04 uur richting snelweg;
10 april 20.45 uur langsgereden richting snelweg toeteren;
13 april 19.09 uur langsgereden richting kerkelanden;
13 april 23.36 uur langsgereden richting snelweg toeterend;
13 april 23.47 uur langsgereden richting snelweg toeterend.
Filmpjes
Ik zag 22 maart 2022 18:49:13 uur staan. Ik zag een witte bestel auto voorbij rijden.
8 april langs rijden: ik zag een witte bestelauto voorbij rijden.
Geluidsopname
2 april, 3 seconden: 'kan jij je buurman vragen’.
3 april, 3 seconden: 'kan ik je […] ’.
4 april, 3 seconden: ‘ja met mij'
5 april, 4 seconden: ‘kan ik jou gewoon spreken een keer'
6 april, 4 seconden: ‘joh, met mij kan ikje even spreken'
Ik hoor dat het telkens twee dezelfde stemmen zijn, ik hoor aan de manier van gesprekken en waar de gesprekken over gaan dat het gaat om dezelfde persoon die de whatsapp berichten heeft gestuurd. De gesprekken gaan over precies dezelfde zaken.
6. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2022075396-16 en gesloten op 31 mei 2022 (pagina's 270-276), inhoudende, als verklaring van verdachte:
(V=Vraag verbalisant, A= antwoord verdachte)
V: Wat is je e-mailadres?
A: [e-mailadres 2] ”
De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:
“Verdachte wordt - kortgezegd - verweten dat hij zich in de periode van 30 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 heeft schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [slachtoffer] , door haar veelvuldig berichten te sturen en claxonnerend langs haar woning te rijden.
Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en aangeefster hebben vanaf februari 2021 een relatie gehad en verdachte is in februari 2021 ook bij aangeefster komen inwonen. Medio juni 2021 heeft aangeefster de relatie beëindigd en verdachte als ultimatum gesteld dat hij op 18 oktober 2021 uit de woning moest zijn vertrokken. Op 11 oktober 2021 kregen verdachte en aangeefster een ruzie die ertoe leidde dat aangeefster de politie heeft gebeld en dat verdachte met behulp van de politie is weggegaan. Daarna is verdachte nog zo’n twintig keer naar de woning van aangeefster teruggekeerd om op zijn computer te werken. Aangeefster heeft hierin bewilligd uit angst en in de hoop dat verdachte zich zou uitschrijven van haar adres als zij aardig tegen hem was.
Op 12 oktober 2021 heeft aangeefster Veilig Thuis ingeschakeld om een afspraak met verdachte te maken over een uiterste datum voor het ophalen van zijn spullen. Toen verdachte op de afgesproken datum van 15 november 2021 zijn spullen nog niet had opgehaald, heeft aangeefster hem daarop gewezen. Ook heeft aangeefster hem op 17 november 2021 gemaand zich uit te schrijven van haar adres. Daaraan heeft verdachte nooit voldaan en uiteindelijk is hij door de gemeente uitgeschreven en voorzien van een eigen postadres. Nadat verdachte zijn spullen uit de woning van aangeefster had opgehaald, is de frequentie waarmee hij vanaf december 2021 berichten naar aangeefster is blijven sturen, geïntensiveerd. De inhoud en toonzetting van deze berichten wordt door het hof gekenmerkt als veelal verwijtend, claimend en beschuldigend.
Ook is verdachte meermalen claxonnerend langs de woning van aangeefster gereden. Aangeefster heeft hiervan een logboek aan de politie verstrekt. De aangifte van aangeefster wordt op dit onderdeel ondersteund door een foto van een van de momenten waarop dit zich heeft voorgedaan. Het hof ziet in het licht van dit steunbewijs geen reden om op dit punt aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. Bij dat oordeel heeft het hof tevens betrokken dat verdachte heeft verklaard dat hij onder meer frequent langs de woning reed om een vriend, genaamd [betrokkene 4] , te bezoeken, terwijl [betrokkene 4] als getuige bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat verdachte in de periode tussen januari en juni 2022 misschien één a twee maal per maand bij hem langskwam. De verklaring van verdachte wordt zodoende slechts zeer ten dele bevestigd door [betrokkene 4] en staat in schril contrast met de frequentie waarmee verdachte volgens de aangifte en het door aangeefster bijgehouden logboek langs haar woning is gereden. Het hof hecht aan deze verklaring van verdachte daarom geen geloof.
Met verdachte is door de wijkagent op meerdere momenten, laatstelijk op 20 maart 2022, een zogeheten "stopgesprek" gevoerd. Verdachte heeft bij al deze gelegenheden beloofd om zijn ex-vriendin met rust te laten.
Verdachte heeft niet ontkend dat hij in de tenlastegelegde periode een groot aantal berichten - die onderdeel uitmaken van het dossier - naar aangeefster heeft gestuurd, maar heeft deze geplaatst in de context van de nasleep van de relatie die hij met aangeefster had. Verdachte heeft bevestigd dat hij in, die periode regelmatig langs de woning van aangeefster reed, naar zijn zeggen omdat die woning nu eenmaal om verschillende redenen langs zijn dagelijkse route(s) lag. Verdachte heeft ontkend dat hij daarbij naar aangeefster heeft geclaxonneerd.
Namens verdachte is bepleit dat zijn gedragingen niet eerder dan vanaf het stopgesprek van 20 maart 2022 als wederrechtelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster kunnen worden aangemerkt. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat tot die datum sprake is geweest van wispelturigheid in het onderlinge berichtenverkeer, waarin aangeefster toenadering van verdachte toestond door hem meermalen te deblokkeren op Whatsapp, maar bovendien ook bleef reageren op zijn berichten.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat er na de relatiebreuk in juni 2021 een periode is geweest waarin aangeefster heeft geprobeerd om in overleg met verdachte de afwikkeling van de relatie op een goede manier vorm te geven. Naar het oordeel van het hof kunnen de contactmomenten in die periode nog niet zonder meer worden aangemerkt als een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het hof concludeert echter ook dat verdachte de relatiebreuk niet heeft willen accepteren, dan wel niet actief heeft willen meewerken aan de afronding daarvan. Verdachte heeft van aangeefster maanden de tijd gekregen om een eigen woonruimte te vinden, zijn spullen uit de woning van aangeefster te verwijderen en zich van haar adres uit te schrijven, maar heeft daaraan geen gevolg gegeven. In oktober 2021 moesten de politie en Veilig Thuis eraan te pas komen om verdachte uit de woning van aangeefster te krijgen en om hem ertoe te bewegen zijn spullen mee te nemen. Ook daarna heeft hij zich niet aan de afgesproken deadline voor het ophalen van zijn spullen gehouden. Verdachte heeft bovendien zich nooit laten uitschrijven, dat heeft de gemeente uiteindelijk buiten verdachte om moeten doen. Het hof plaatst twee berichten van aangeefster aan verdachte op 28 respectievelijk 30 november 2021 tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is beschreven. In beide berichten geeft aangeefster onmiskenbaar aan dat zij geen contact meer met verdachte wil.
Het hof is van oordeel dat mede gelet op de hiervoor beschreven voorgeschiedenis, met ingang van 1 december 2021 de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Verdachte moet zich vanaf dat moment ook gerealiseerd hebben dat hij deze inbreuk maakte. Dat aangeefster na 1 december 2021 verdachte af en toe nog heeft gedeblokkeerd op Whatsapp en op berichten van verdachte heeft gereageerd, doet aan dat oordeel niet af. Verdachte heeft immers zijn toenaderingen richting aangeefster niet gestaakt, maar is daarin blijven volharden en heeft deze zelfs geïntensiveerd. Het hof leidt daaruit af dat verdachte daarmee het oogmerk heeft gehad aangeefster te dwingen om te dulden dat zij herhaaldelijk met de aanwezigheid van verdachte - zowel digitaal als fysiek - werd geconfronteerd.
Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich vanaf 1 december 2021 aan belaging heeft schuldig gemaakt. Het hof ziet 24 april 2022 als einddatum van dit feit, nu verdachte vanaf die datum gedetineerd is geraakt en niet is gebleken dat hij daarna nog toenadering heeft gezocht.”
Het middel valt uiteen in vijf deelklachten, die luiden dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen:
a. dat de verweten gedragingen in de periode van 1 december 2021 tot en met 24 april 2022 zijn gepleegd;
b. dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode ‘veelvuldig Whatsappberichten ’ heeft verstuurd;
c. dat de verdachte zich nabij de woning van aangeefster heeft begeven;
d. dat de verdachte heeft geclaxonneerd, althans het oordeel van het hof dat daarvoor toereikend bewijs is onbegrijpelijk is en
e. met betrekking tot het ‘veelvuldig voorbij rijden van die woning’ dat dit is gebeurd met het oogmerk aangeefster te dwingen iets te dulden.
De eerste deelklacht klaagt dat het oordeel van het hof dat de einddatum van het bewezenverklaarde feit gelegen is op 24 april 2022, nu de verdachte vanaf die datum gedetineerd is geraakt, onbegrijpelijk is, nu de laatste uit de bewijsvoering blijkende handeling op 13 april 2022 is gepleegd en het laatste proces-verbaal van de politie gesloten is op 20 april 2022.
Deze klacht faalt omdat deze miskent dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij ‘in de periode’ van 1 december 2021 tot en met 24 april 2022 aangeefster heeft belaagd. De bewezenverklaring vereist niet dat de verdachte op elke dag van die periode een bewezenverklaarde gedraging heeft verricht.
De steller van het middel klaagt er wel terecht over dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode veelvuldig Whatsappberichten heeft gestuurd naar aangeefster. Met de steller van het middel constateer ik dat uit de aangifte van aangeefster slechts kan volgen dat er aan haar 140 ‘mailtjes en sms’jes’ zijn gestuurd en de aangifte er verder geen gewag van maakt dat er ook nog (vele) Whatsappberichten zijn gestuurd. Het slagen van deze klacht behoeft echter niet te leiden tot cassatie, nu door weglating van het sturen van Whatsappberichten in de bewezenverklaring de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast. Immers, uit de bewijsvoering kan genoegzaam volgen dat de verdachte aangeefster (kortgezegd) heeft belaagd, nu zij in haar tot het bewijs gebezigde aangifte spreekt over 140 mails en sms’jes die zij ontving met Kerst 2021. Verder blijkt uit de bijlage bij de aangifte dat de verdachte ook op diverse andere momenten in de bewezenverklaarde periode de aangeefster per e-mail benaderde.
De derde en de vijfde deelklacht houden in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich nabij de woning van aangeefster heeft begeven en voor zover hij dat met het langsrijden wel heeft gedaan, uit de bewijsvoering niet kan volgen dat hij daarmee het oogmerk heeft gehad haar te dwingen iets te dulden. Verder zou volgens de vierde deelklacht uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat de verdachte heeft geclaxonneerd.
Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte vanaf december 2021 meerdere keren per dag langs het huis van aangeefster is gereden en daarbij ook altijd toeterde en dat ook gebeurde op 20 maart 2022 (bewijsmiddel 1) alsmede in de daaropvolgende maanden blijkens het door aangeefster bijgehouden logboek (bewijsmiddel 5). Ook volgt uit de bewijsvoering dat de wijkagent met de verdachte enkele stopgesprekken heeft gevoerd om hem te laten stoppen om contact te zoeken met aangeefster, waarvan het laatste gesprek op 20 maart 2022 is geweest en de verdachte toen heeft aangegeven dat hij beloofde aangeefster met rust te laten.
Aldus volgt uit de bewijsvoering naar mijn oordeel dat de verdachte zich nabij de woning van aangeefster heeft begeven (met zijn auto) en heeft geclaxonneerd, een en ander met het oogmerk aangeefster te dwingen iets te dulden. Met betrekking tot dat claxonneren heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat dat deel van de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad aangeefster te dwingen iets te dulden door het zich nabij de woning te begeven en daar langs te rijden en daarbij te claxonneren, miskent dat het oogmerk niet specifiek behoeft te zien op elke bewezenverklaarde handeling, maar de verdachte met de bewezenverklaarde gedragingen als geheel het oogmerk moet hebben gehad om aangeefster te dwingen iets te dulden. Het hof heeft daaromtrent kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat door de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde handelingen – bestaande uit het veelvuldig sturen van berichten en het zich nabij de woning van aangeefster begeven en met de auto veelvuldig voorbij te rijden en daarbij te claxonneren – aangeefster geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte en hij daarmee aangeefster feitelijk heeft gedwongen te dulden dat stelselmatig contact met haar wordt gezocht en aldus inbreuk wordt gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
Het middel keert zich tegen de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en bevat de klacht dat niet uit de motivering kan volgen dat die maatregel is opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.
Voor de bewezenverklaring van het hof verwijs ik naar randnummer 2.2 van deze conclusie.
Het hof heeft – zoals gezegd – aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met aangeefster en haar dochter en een locatieverbod voor de straat waarin aangeefster woonachtig is. Het hof heeft met betrekking tot de oplegging van de straf, waaronder is begrepen die maatregel, onder meer het volgende overwogen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het belagen van zijn ex-vriendin gedurende een aantal maanden, door haar veelvuldig ongewenste berichten te sturen en langs haar woning te rijden en te claxonneren. Belaging is een ernstig strafbaar feit dat is gericht tegen de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en dat doorgaans diep ingrijpt in het privéleven van het slachtoffer. Dit heeft voor aangeefster - en haar minderjarige dochter - voor gevoelens van onveiligheid, angst, en stress gezorgd. Uit een recent schrijven van aangeefster blijkt dat zij tot op heden nog steeds nadelige gevolgen hiervan ondervindt in haar dagelijks leven.
Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel van 23 september 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belaging, gepleegd in de periode van 11 november 2019 tot en met 23 januari 2020. Verdachte heeft toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen, maar de lopende proeftijd heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw aan belaging schuldig te maken. In een rapport van 6 mei 2020 heeft Reclassering Nederland haar zorgen over verdachte opgetekend. De reclassering schetst het beeld van een man die zijn emoties niet onder controle heeft, zonder dat er duidelijk zicht is op de oorzaken daarvan. Om passende interventies te kunnen inzetten, acht de reclassering daarom persoonlijkheidsonderzoek geïndiceerd. Geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden - onder meer - een meldplicht en het verplicht meewerken aan diagnostiek en, indien aangewezen, ambulante behandeling. Hoewel het rapport van de reclassering ruim vier jaren oud is, deelt het hof de zorgen over verdachte die daaruit spreken.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2024 heeft verdachte de indruk achtergelaten van een man met een gebrekkig probleembesef en -inzicht, die nauwelijks reflecteert op zijn eigen gedrag en geneigd is de verantwoordelijkheid daarvoor grotendeels buiten zichzelf te leggen. Daartegenover staat dat verdachte zich sinds het vonnis aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde contact- en locatieverboden heeft gehouden. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij kampt met schulden ter grootte van ongeveer tweehonderdduizend euro en dat hij dakloos is en momenteel verblijft in een soort camper van een vriend. Uit stukken die de raadsvrouw heeft overgelegd blijkt dat verdachte sinds kort in de schuldsanering zit en dat hij per 28 oktober 2024 werk heeft gevonden als lasser/metaalbewerker in loondienst.
[…]
Daarnaast zal het hof aan verdachte een contactverbod met aangeefster en haar dochter, en een locatieverbod voor de straat waarin aangeefster woont, opleggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel. Het hof zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er - gelet op de recidive in een lopende proeftijd - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens aangeefster.”
Art. 38v Sr biedt de mogelijkheid om ‘ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten’ de vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De wetsgeschiedenis bij de invoering van de maatregel houdt onder meer in:
"4. Gevallen waarin de maatregel kan worden toegepast
(...)
De toepassing van de maatregel wordt (...) beperkt door het wettelijk omschreven doel van de maatregel: de beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten. Dit betekent dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen."
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van die wetsgeschiedenis geoordeeld dat de rechter dient te motiveren waarom hij de vrijheidsbeperkende maatregelen heeft bevolen. Aan die motiveringsplicht worden door de Hoge Raad echter niet al te hoge eisen gesteld. Zo was de overweging van het hof dat het bij de oplegging van de maatregel acht heeft geslagen op een eerdere veroordeling van de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging, toereikend. Blijkens de hiervoor geciteerde memorie van toelichting zal het opleggen van de maatregel in gevallen waarin er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen, al dienen ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging overwogen dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belaging, waarvoor hij een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Het hof heeft vastgesteld dat de lopende proeftijd van die straf hem er niet van heeft weerhouden zich opnieuw aan belaging schuldig te maken. Het hof heeft in de strafmaat tevens betrokken dat de verdachte volgens het reclasseringsrapport van 6 mei 2020 een man is die zijn emoties niet onder controle heeft, zonder dat er duidelijk zicht is op de oorzaken daarvan. Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte ter zitting de indruk heeft achtergelaten van een man met een gebrekkig probleembesef en -inzicht, die nauwelijks reflecteert op zijn eigen gedrag en geneigd is de verantwoordelijkheid daarvoor grotendeels buiten zichzelf te leggen. Met betrekking tot de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel heeft het hof – in het kader van bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid – geoordeeld dat er gelet op de recidive in een lopende proeftijd ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens aangeefster.
Uit die overwegingen blijkt in voldoende mate dat het hof de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd ‘ter voorkoming van strafbare feiten’, zodat het middel faalt. Dat – zoals de steller van het middel aanvoert – de bewezenverklaarde feiten drie jaar voorafgaand aan het wijzen van arrest zijn gepleegd en de verdachte sinds het vonnis van de rechtbank waarin onder meer een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd zich aan de voorwaarden heeft gehouden, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Immers, daaruit zou ook kunnen worden afgeleid dat de oplegging van de maatregel goed werkt om het doel daarvan te verwezenlijken.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het middel keert zich tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.346,46. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde materiële schade a € 1.846,46 voor de aanschaf van beveiligingscamera’s niet in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. Uit de onderbouwing van deze schadepost volgt dat de camera’s vooral zijn aangeschaft na rond de woning van aangeefster gepleegde vernielingen én ter voorkoming van nieuwe vernielingen, terwijl het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte daar enige betrokkenheid bij heeft gehad en deze hem ook niet zijn tenlastegelegd. Het hof zal de vordering daarom in zoverre afwijzen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
Het hof heeft daarbij gelet op de aard en de ernst van de normschending, de intensiteit en context van de belaging, de gevolgen daarvan voor de benadeelde zelf - bestaande uit gevoelens van onveiligheid, angst en achterdocht. In het schadeonderbouwingsformulier is aangegeven dat de stressvolle omstandigheden van negatieve invloed waren op de gezondheid van de benadeelde. Vanwege de veroorzaakte spanningen is de benadeelde in behandeling bij een chiropractor. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof zal de hoogte van deze schade op een bedrag van € 2.000,- begroten en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.”
Artikel 6:106 BW luidt, voor zover hier van belang:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
[…]
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
In zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 29 mei 2019 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW)
[…]
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
De Hoge Raad heeft in een recent arrest overwogen dat er drie categorieën bestaan waarin de rechter moet oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De eerste categorie betreft gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel. Als de benadeelde zich beroept op het bestaan van geestelijk letsel zal hij, ook als het bestaan van dat geestelijk letsel niet door de verdachte wordt betwist, voldoende concrete gegevens moeten verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, zodat de rechter het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. De tweede categorie betreft gevallen waarin het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit. De derde categorie betreft uitzonderlijke gevallen, waarin een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Daarbij gaat het om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Het hof heeft met betrekking tot de immateriële schade geoordeeld dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de benadeelde voldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Het hof heeft daarbij gelet op de aard en de ernst van de normschending, de intensiteit en context van de belaging en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, bestaande uit gevoelens van onveiligheid, angst en achterdocht. Het hof heeft gewezen op het schadeonderbouwingsformulier, waarin is aangegeven dat de stressvolle omstandigheden van negatieve invloed waren op de gezondheid van de benadeelde en de benadeelde vanwege de veroorzaakte spanningen in behandeling is bij een chiropractor. Daarmee heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht luidt dat uit het verzoek tot schadevergoeding niet kan blijken dat een bedrag van meer dan € 360 is gevorderd. De tweede deelklacht luidt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon’ onbegrijpelijk is. Tot slot klaagt de derde deelklacht dat het oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending zodanig zijn dat de gevolgen daarvan voor de benadeelde voor de hand liggen, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
Bij de in cassatie beschikbare stukken van het geding bevindt zich een op 17 oktober 2022 ondertekend formulier, strekkende tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3500, waarop een kennelijk eerder handgeschreven bedrag van € 360 is doorgekrast. De politierechter gaat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 oktober 2022 vervolgens uit van de verbeterde vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 3500. Hiermee faalt de klacht dat de vordering is beperkt tot een bedrag van € 360 en het hof daarom een hoger bedrag heeft toegewezen dan is gevorderd. Daaraan doet niet af dat ook de eerder handgeschreven vordering zich in het dossier bevindt, omdat duidelijk is dat deze later en tijdig is gewijzigd.
Verder klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon’ onbegrijpelijk is, nu door de benadeelde partij enkel is gesteld dat zij door stress lichamelijke klachten ervaart waarvoor zij nog steeds onder behandeling is. De steller van het middel voert aan dat voor zover uit de overwegingen van het hof moet worden afgeleid dat het op grond daarvan van oordeel is dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, om welke reden van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ sprake is, dat oordeel onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd.
Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof niet op de enkele grond dat sprake is van (kortgezegd) stress die lichamelijke klachten heeft doen ontstaan, de vordering toegewezen. Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde voldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarbij het hof heeft gelet op de aard en de ernst van de normschending, de intensiteit en context van de belaging en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, bestaande uit gevoelens van onveiligheid, angst en achterdocht. Het hof heeft verder – ter onderbouwing van zijn oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ – gewezen op de vordering waarin is aangegeven dat de stressvolle omstandigheden van negatieve invloed waren op de gezondheid van de benadeelde en de benadeelde vanwege de veroorzaakte spanningen in behandeling is bij een chiropractor. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon’ van de benadeelde acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.
Het hof heeft, zoals gezegd, de toewijzing van de vordering niet gebaseerd op de (uitzonderings)grond dat ‘de aard en de ernst van de normschending zodanig zijn dat de gevolgen daarvan voor de benadeelde voor de hand liggen’, zodat de derde deelklacht – waaraan de veronderstelling ten grondslag ligt dat het hof de vordering heeft toegewezen op basis van vorenstaande grond – feitelijke grondslag mist.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG