ECLI:NL:PHR:2026:89

ECLI:NL:PHR:2026:89, Parket bij de Hoge Raad, 16-01-2026, 25/02215

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 25/02215
Rechtsgebied Civiel recht

Samenvatting

Rechtspersonenrecht. Ontbinding van stichting door rechter op voet van art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW?

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02215

Zitting 16 januari 2026

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

1. Libra International B.V.

2. [verzoeker 2]

tegen

1. [verweerder 1]

2. Stichting Continuïteit Libra International

3. [verweerder 3]

4. [verweerder 4]

Verzoekers in cassatie worden hierna tezamen aangeduid als Libra c.s. (in vrouwelijk enkelvoud). Verzoekster onder 1 als Libra en verzoeker onder 2 als [verzoeker 2]. Verweerder onder 1 als [verweerder 1], verweerster onder 2 als SCLI, verweerder onder 3 als [verweerder 3] en verweerder onder 4 als [verweerder 4].

Inleiding

Deze zaak gaat kort gezegd over de vraag of een stichting (SCLI) moet worden ontbonden, omdat zij haar doel niet meer kan bereiken in de zin van art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW. Deze vraag is in eerste aanleg bevestigend beantwoord, maar in hoger beroep ontkennend. In cassatie komt Libra c.s. daartegen op. M.i. zonder succes.

1. Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.18 van de bestreden beschikking (hierna: de beschikking) van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).

Op 23 december 1959 heeft [de vader] (hierna: [de vader]), de vader van [verzoeker 2] , Libra International B.V. (hierna: Libra Oud) opgericht ten behoeve van projectontwikkeling en het beheer van onroerend goed (voor derden). Libra Oud heeft een omvangrijke vastgoedportefeuille opgebouwd. [de vader] was enig aandeelhouder en bestuurder van Libra Oud. Hij heeft op een gegeven moment aan elk van zijn drie kinderen (hierna tezamen: [de kinderen]), [verzoeker 2] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), ongeveer 6,9% van de aandelen in Libra Oud overgedragen. De door [de vader] gehouden aandelen in Libra Oud vielen in de huwelijksgoederengemeenschap van [de vader] en zijn echtgenote [de moeder] (hierna: [de moeder]).

Vanaf eind 2005 is [verzoeker 2] als enige van de drie kinderen [verzoeker 2] zich actief gaan bezighouden met de bedrijfsvoering van Libra Oud. Op 10 mei 2006 trad hij naast zijn vader toe tot het bestuur van Libra Oud.

Op 25 mei 2013 overleed [de moeder] . Na haar overlijden is 74,1% van de aandelen in Libra Oud in haar nalatenschap terechtgekomen. Het merendeel daarvan is toebedeeld aan [de kinderen] via een zogenaamde turboverdeling die erop gericht was erfbelasting te besparen door een beroep te doen op de bedrijfsopvolgingsregeling die kon worden toegepast indien gedurende minstens vijf jaar na het overlijden van [de moeder] de activiteiten van de onderneming van Libra Oud werden voortgezet en [de kinderen] eigenaar bleven van de door hen ontvangen aandelen in Libra Oud. Na de turboverdeling hield [de vader] 5,03% van de aandelen in Libra Oud, [de kinderen] ieder 31,05% en derden 1,82%.

Op 19 februari 2014 hebben [de vader] en [verzoeker 2] SCLI opgericht. Voor zover van belang luiden de statuten van SCLI (hierna ook: de SCLI-statuten) als volgt:

DOEL

Artikel 2.

1. De stichting heeft ten doel het bevorderen van de continuïteit als familievennootschap van Libra International B.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschap(pen).

2. De stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:

a. het verkrijgen, beheren (waaronder begrepen het uitoefenen van alle aandeelhoudersrechten) en vervreemden van (certificaten van) aandelen in het kapitaal van Libra International B.V. en/of een van de andere hiervoor bedoelde vennootschappen

(...)

En voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

BESTUUR

Artikel 3.

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie personen. Van het bestuur dient de kleinst mogelijke meerderheid te bestaan uit de hierna omschreven partners, waaronder tenminste een bloedverwant in de rechte nederdalende lijn van de oprichter [ [de vader] ], en de grootst mogelijke minderheid uit de hierna omschreven bestuurders buiten de familie. Daarnaast bestaat het bestuur, zolang hij daarvan deel uitmaakt, uit de oprichter [ [de vader] ], Onder partner wordt in deze statuten verstaan de bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn van de oprichter [ [de vader] ], dan wel de echtgenoot of geregistreerd partner van een zodanige bloedverwant, dan wel de persoon met wie een zodanige bloedverwant een notarieel samenlevingsovereenkomst is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratiepersoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. Onder bestuurders buiten de familie worden verstaan personen die geen partner zijn, en evenmin aanverwant zijn van een zodanige partner. Slechts natuurlijke personen kunnen tot bestuurder worden benoemd.

(...)

BESLUITVORMING MEERHOOFDIG BESTUUR

Artikel 5.

(...)

5. Iedere bestuurder heeft één stem. Voor zover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden alle bestuursbesluiten genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen, onverminderd het hierna bepaalde in dit lid. (...) Een besluit tot benoeming van een bestuurder buiten de familie is slechts genomen indien alle partners in het bestuur vóór de benoeming hebben gestemd.

(...)

ONTBINDING

Artikel 10.

1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden.

(...)

4. De bestuurders zijn de vereffenaars van het vermogen van de stichting. (...)

Toen SCLI werd opgericht, had [de vader] vier kleinkinderen.

De “Partners” in het eerste bestuur van SCLI waren [de vader] en [de kinderen] . De bestuurders buiten de familie waren [verweerder 3] en [verweerder 4] (hierna tezamen: de buitenstaanders).

Bij de oprichting van SCLI heeft Libra Oud prioriteitsaandelen uitgegeven aan SCLI. Deze vertegenwoordigden nauwelijks economisch belang, maar via deze prioriteitsaandelen hield SCLI 51% van de stemrechten in de algemene vergadering van Libra Oud. De statuten van Libra Oud, zoals deze na wijziging op 19 februari 2014 zijn komen te luiden, bepaalden dat goedkeuring van de prioriteit (SCLI) vereist is voor verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen (art. 13 lid 1) en dat de benoeming van de bestuurders door de algemene vergadering geschiedt uit een bindende voordracht, opgemaakt door de prioriteit (art. 19 lid 1-2). Art. 16 lid 1 van de statuten van Libra Oud (hierna ook: de blokkeringsregeling) luidt:

Indien een aandeelhouder (...) aandelen wil overdragen, of als aandelen krachtens een door een aandeelhouder gemaakt legaat worden overgedragen, behoeft een dergelijke overdracht, wil zij geldig zijn, de goedkeuring van de prioriteit, met dien verstande dat een aandeelhouder zijn aandelen vrijelijk mag overdragen:

a. aan [ [de vader] ] (...);

b. aan de bloedverwanten in de rechte lijn onbeperkt van [ [de vader] ], voornoemd.

c. (...) Stichting Natura Africae (...)

Op 24 juli 2015 hebben [de vader] , [de kinderen] en SCLI in een notariële akte vastgelegde afspraken gemaakt (hierna: de Familieafspraken). [de vader] en [de kinderen] zijn in de kop, bij de opsomming van de partijen, tezamen aangeduid als “de Familieleden”. In de considerans staat onder meer:

3. Het bestuur van de Stichting [SCLI (…)] bestaat onder andere uit Familieleden. De Familieleden hebben gezien de huidige bestuurssamenstelling en het bepaalde in de statuten van de Stichting samen de doorslaggevende stem bij het nemen van bestuursbesluiten in de Stichting, waaronder onder meer behoort het uitbrengen van een stem op de door de Stichting gehouden prioriteitsaandelen.

4. Het bestuur van de Vennootschap [Libra Oud (…)] bestaat uit twee leden te weten [verzoeker 2] en [de vader] , hierna te noemen: het Bestuur, waarbij geldt dat de vergadering van aandeelhouders bestuursbesluiten aan haar goedkeuring kan onderwerpen.

5. De Familieleden zijn zich bewust van de verschillende functies die zij bekleden in de Vennootschap en wensen de Vennootschap als familiebedrijf te continueren. In dat kader zijn er nadere afspraken gemaakt welke afspraken de Familieleden, in al hun gemelde hoedanigheden, thans vast wensen te leggen in deze akte.

Voor zover van belang luiden de Familieafspraken als volgt:

10. Indien gewenst door één of meer van de Familieleden moet de mogelijkheid geboden worden dat de Familieleden uit elkaar gaan na vijfentwintig mei tweeduizend achttien door bijvoorbeeld de Vennootschap te splitsen.

Op 10 augustus 2018 hebben [verzoeker 2] en [betrokkene 1] een overeenkomst van koop en verkoop gesloten waarbij [betrokkene 1] de door hem gehouden gewone aandelen in Libra Oud aan [verzoeker 2] verkocht.

Op 3 oktober 2018 is [de vader] overleden. Op grond van een legaat heeft [verzoeker 2] toen, tegen inbreng van de waarde in de nalatenschap, de 5,03% gewone aandelen verkregen die [de vader] hield in Libra Oud.

Op 15 november 2018 heeft KPMG een fiscaal advies met een stappenplan uitgebracht over splitsing in de zin van art. 2:334cc BW van Libra Oud. Daarin staat onder meer:

Het is mogelijk dat Stichting Continuïteit Libra International aandeelhouder wordt in beide vennootschappen, met een meerderheidspakket (51%) via prioriteitsaandelen.

(…)

In het stappenplan wordt vooralsnog in het midden gelaten of Stichting Continuïteit Libra International een rol in de nieuwe structuren zal spelen. Als dit wel het geval is, zullen bij de splitsing prioriteitsaandelen worden uitgegeven aan Stichting Continuïteit Libra International. Als Stichting Continuïteit Libra International geen rol meer zal spelen in de nieuwe situatie dan kunnen de prioriteitsaandelen voorafgaand aan of na de splitsing worden ingekocht.

[verzoeker 2] en [betrokkene 2] zijn vervolgens op 30 november 2018 een Heads of Terms overeengekomen over splitsing van Libra Oud. Art. 12 daarvan bepaalt:

Bij wijze van gentlemen’s agreement spreken Partijen af dat [betrokkene 2] en haar bloed- en aanverwanten de [betrokkene 2] -portefeuille na splitsing zoveel mogelijk in stand houden.

Op 3 januari 2019 heeft [betrokkene 1] zijn gewone aandelen in Libra Oud geleverd aan [verzoeker 2] , die daardoor 67,13% (twee keer 31,05% en 5,03%) van de gewone aandelen in Libra Oud hield. [betrokkene 1] is in het bestuur van SCLI opgevolgd door [verweerder 1] , de zoon van [verzoeker 2] .

Op 6 juni 2019 hebben [verzoeker 2] , [betrokkene 2] , Libra Oud, “Minerva Monumenten” (een dochtervennootschap van Libra Oud), SCLI en Almade Vastgoed B.V. (hierna: Almade, een vennootschap van [betrokkene 2] ) een overeenkomst tot splitsing in de zin van art. 2:334cc BW van Libra Oud gesloten (hierna: de splitsingsovereenkomst), inhoudende dat Libra Oud ophoudt te bestaan, 31,05% van Libra Oud wordt afgesplitst en overgaat naar Almade en de resterende aandelen overgaan naar een nieuw op te richten vennootschap met dezelfde naam, dus ‘Libra International B.V.’ (dit werd verzoekster onder 1 in cassatie, oftewel Libra). SCLI heeft met een unaniem bestuursbesluit ingestemd met deze splitsing. Bij een splitsing in de zin van art. 2:334cc BW kan een beroep worden gedaan op vrijstellingen met betrekking tot de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting indien de aandelen van de verkrijgende vennootschappen gedurende drie jaar na de splitsing niet worden vervreemd en de onderneming grotendeels in stand blijft. Met het oog op deze fiscale vrijstellingen zijn [verzoeker 2] , [betrokkene 2] en Almade in de splitsingsovereenkomst op straffe van een boete van € 100 miljoen overeengekomen dat zij gedurende drie jaar na de splitsing niet overgaan tot verkoop van aandelen in Libra en Almade of tot vervreemding van een substantieel deel (gesteld op meer dan 30% van het aantal eenheden) van beide vastgoedportefeuilles. De splitsingsovereenkomst bepaalt onder meer dat al het personeel in dienst van Libra Oud in dienst zal treden van Libra en dat sprake zal zijn, uitgaande van het door het hof gehanteerde citaat, van:

een overgang van onderneming van de door (Libra Oud) gedreven onderneming naar (Libra), zodat Partijen er uit dien hoofde vanuit gaan dat alle arbeidsovereenkomsten met werknemers van rechtswege overgaan naar (Libra).

Libra Oud is op 31 juli 2019 met toepassing van art. 2:334cc BW gesplitst (hierna: de splitsing) in Libra en Almade. Als gevolg van de splitsing is Libra Oud opgehouden te bestaan en is haar vermogen verdeeld tussen, en onder algemene titel overgegaan op, Libra en Almade.

Sinds de splitsing is de situatie als volgt. [verzoeker 2] is sinds de oprichting van Libra haar enig bestuurder. Libra heeft 51% prioriteitsaandelen uitgegeven en 49% gewone aandelen. [verzoeker 2] houdt 97,35% van de gewone aandelen in Libra. Van de overige 2,65% van de gewone aandelen wordt 1,75% gehouden door Libra en 0,9% door derden. 99,1% van de winstrechten van Libra komt toe aan [verzoeker 2] . Overeenkomstig hun aandelenbezit houden de houders van de gewone aandelen tezamen 49% van de stemrechten in de algemene vergadering van Libra. SCLI is blijven bestaan. Haar statuten zijn niet gewijzigd. Zij houdt alle prioriteitsaandelen die Libra ten tijde van de splitsing heeft uitgegeven en heeft overeenkomstig dit aandelenbezit 51% van de stemrechten in de algemene vergadering van Libra. Aan de prioriteitsaandelen zijn dezelfde bevoegdheden verbonden als aan de prioriteitsaandelen in Libra Oud. Aan de door SCLI gehouden prioriteitsaandelen is een preferent winstrecht van geringe omvang verbonden, waarmee de kosten van SCLI kunnen worden voldaan. [betrokkene 2] is in het bestuur van SCLI opgevolgd door [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]), de partner van [verzoeker 2] . Het bestuur bestaat thans naast [betrokkene 3] uit [verzoeker 2] , [verweerder 1] en de buitenstaanders. De blokkeringsregeling in art. 16 lid 1 van de statuten van Libra is gelijkluidend aan art. 16 lid 1 van de statuten van Libra Oud, met dien verstande dat “ [de vader] ” is vervangen door “ [verzoeker 2] ” aan wie en aan wiens nazaten aandelen buiten de blokkeringsregeling om mogen worden overgedragen.

Na de splitsing heeft het bestuur van SCLI vergaderd en beslissingen genomen met betrekking tot Libra. Daarbij hebben de buitenstaanders een paar keer een doorslaggevende stem gehad, omdat de “Partners” niet unaniem waren vanwege verschil van inzicht tussen [verzoeker 2] en [verweerder 1] .

[verzoeker 2] heeft drie jaar na de splitsing te kennen gegeven dat hij SCLI wenst te ontbinden. [verweerder 1] en de buitenstaanders hebben niet ingestemd met het voorstel daartoe van [verzoeker 2] .

2. Procesverloop

In eerste aanleg

Bij verzoekschrift van 2 juni 2023 heeft Libra c.s. de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) verzocht om:

I. SCLI te ontbinden;

II. als vereffenaar van het vermogen van SCLI te benoemen: primair [verzoeker 2] ; subsidiair een onafhankelijke derde;

III. de vereffenaar de instructie te geven de prioriteitsaandelen in het vermogen van SCLI enkel aan Libra te verkopen;

IV. SCLI te veroordelen in de kosten van de procedure.

[verweerder 1] heeft een verweerschrift ingediend.

[verweerder 3] en [verweerder 4] hebben een verweerschrift ingediend.

Op 18 oktober 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Bij beschikking van 14 december 2023 (hierna: de rechtbank-beschikking) heeft de rechtbank SCLI ontbonden, de griffier opgedragen daarvan opgaaf te doen aan de registers, het destijds zittende bestuur van SCLI benoemd tot vereffenaars van het vermogen, aan hen bevolen de prioriteitsaandelen in Libra aan Libra te verkopen tegen maximaal de nominale waarde, en aan hen opgedragen om zodra de vereffening eindigt daarvan opgaaf te doen aan de registers. De rechtbank heeft verder het meer of anders verzochte afgewezen en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In hoger beroep

[verweerder 1] is bij beroepschrift van 8 januari 2024 in hoger beroep gekomen van de rechtbank-beschikking. Daarbij is tevens een incidenteel verzoek ingediend om aan de rechtbank-beschikking de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring te ontnemen.

Libra c.s. heeft een verweerschrift inzake het incidentele verzoek ingediend.

[verweerder 3] en [verweerder 4] hebben zich hier gerefereerd aan ‘s hofs oordeel.

Op 23 april 2024 heeft een mondelinge behandeling in het incident plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Bij beschikking van 21 mei 2024 heeft het hof het incidentele verzoek afgewezen, de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden en in de hoofdzaak bepaald dat Libra c.s. een verweerschrift mag indienen. Het incidentele verzoek speelt in cassatie geen rol.

Libra c.s. heeft een verweerschrift ingediend.

Op 12 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).

Bij de beschikking heeft het hof de rechtbank-beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van Libra c.s. afgewezen. Daaraan legde het hof, voor zover in cassatie relevant en samengevat, het volgende ten grondslag.

- Verzoek van Libra c.s.; oordeel van rechtbank; grieven van [verweerder 1]Libra c.s. verzoekt de ontbinding van SCLI, met benoeming van een vereffenaar die de door SCLI gehouden prioriteitsaandelen aan Libra moet verkopen. In de rechtbank-beschikking is SCLI ontbonden en zijn de huidige leden van het bestuur van SCLI tot vereffenaars benoemd, met het bevel de prioriteitsaandelen in Libra aan Libra te verkopen tegen maximaal de nominale waarde. De grieven richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. (rov. 4.1)

- Wettelijke basis van verzoek van Libra c.s.Het verzoek van Libra c.s. is gegrond op art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW. Daarin is bepaald dat de rechtbank de stichting ontbindt op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt, en wijziging van het doel niet in aanmerking komt. (rov. 4.2)

- Grondslag van verzoek van Libra c.s.Libra c.s. stelt dat de doelomschrijving van SCLI het in stand houden is van een achterhaalde beschermingsconstructie ten behoeve van een rechtspersoon die niet meer bestaat. Volgens Libra c.s. kan SCLI haar statutaire doel niet meer bereiken, omdat de huidige situatie wezenlijk verschilt van die ten tijde van oprichting van SCLI, de relevante fiscale termijnen zijn verstreken en de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet. (rov. 4.4)

- Strekking van grief 1 van [verweerder 1]Grief 1 strekt ertoe te betogen dat de rechtbank de verzoeken van Libra c.s. ten onrechte heeft toegewezen, omdat SCLI is opgericht om de continuïteit van ‘Libra International B.V.’ te waarborgen, Libra nog steeds kwalificeert als familievennootschap en het doel van SCLI nog steeds kan worden verwezenlijkt. (rov. 4.5)

- Statutaire doel van SCLI; beschermingsconstructie

Het doel van SCLI is opgenomen in art. 2 van haar statuten. De bewoordingen van deze in beginsel objectief uit te leggen statutaire bepaling brengen tot uiting dat de oprichters wensen dat ‘Libra International B.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen’ wordt gecontinueerd als ‘familievennootschap’ en dat SCLI dit bevordert. Niet in geschil is dat SCLI is opgericht om als prioriteitsaandeelhouder met een meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van ‘Libra International B.V.’ en door middel van een aantal bijzondere aandeelhouders(goedkeurings)rechten te waarborgen dat de familievennootschap zou worden gecontinueerd. Met de oprichting van SCLI is een beschermingsconstructie (hierna: de beschermingsconstructie) voor Libra Oud in het leven geroepen waarbij een scheiding is aangebracht tussen economisch eigendom en zeggenschap in de algemene vergadering. De gewone aandeelhouders kunnen alleen beslissingen nemen in de algemene vergadering als SCLI daarmee instemt en een aantal beslissingen vergt goedkeuring van SCLI, terwijl bestuurders van de vennootschap alleen op voordracht van SCLI kunnen worden benoemd. Met de (nog onverkort geldende) statutaire bepaling dat de “Partners” in het bestuur van SCLI bloedverwanten van [de vader] in de rechtstreekse neergaande lijn moeten zijn of personen met wie zij zijn getrouwd of via een geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract zijn verbonden, en dat één van hen een bloedverwant in rechtstreekse neergaande lijn van [de vader] moet zijn, is de stem van [de familie] in het bestuur van SCLI verzekerd. De bloedverwanten die als “partner” bestuurder van SCLI kunnen zijn, zijn niet beperkt tot [de kinderen] en kunnen dus ook bloedverwanten uit volgende generaties zijn. Als de “Partners” in het bestuur van SCLI het onderling eens zijn, kunnen zij tezamen via SCLI de aan de prioriteitsaandelen verbonden 51% zeggenschap uitoefenen in Libra Oud. Als de “Partners” verdeeld zijn, hebben de buitenstaanders een doorslaggevende stem. Art. 16 lid 1 van de statuten van Libra Oud werpt voorts een blokkade op voor overdracht van aandelen aan anderen dan (onder meer) [de vader] en zijn bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn. Ook deze bepaling laat ruimte voor volgende generaties. Terecht is niet in geschil dat de continuïteit van Libra Oud als familievennootschap werd gediend met de beschermingsconstructie. (rov. 4.6)

- Ruime formulering van SCLI’s statutaire doel: continuïteit van familievennootschap, wat mede ziet op continuïteit van gedreven onderneming(en); geen (beoogde) beperking of nadere begrenzing van SCLI’s doelstellingEr is voor gekozen het statutaire doel van SCLI ruim te formuleren; het houdt alleen in dat de familievennootschap wordt gecontinueerd. De aanduiding van ‘de familievennootschap’ als ‘Libra International B.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen’ wijst erop dat de statutaire doelstelling mede ziet op de continuïteit van de onderneming(en) die door deze vennootschappen worden gedreven. Dat volgt ook uit de aanleiding voor oprichting van SCLI en de daarbij in het leven geroepen beschermingsconstructie, waarmee een scheiding is aangebracht tussen de economische eigendom van Libra Oud en zeggenschap in haar algemene vergadering. Noch uit art. 2 van de SCLI-statuten noch uit het geheel van de statutaire bepalingen - onder meer de ruime omschrijving van “Partners” - volgt een (beoogde) beperking of nadere begrenzing van de doelstelling van SCLI. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat dit wel had kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door: het doel te beperken tot de specifieke situatie ten tijde van oprichting; te kiezen voor de bescherming van aandeelhouders en niet van de onderneming; begrenzingen in de tijd tot bijvoorbeeld de fiscaal relevante periode van vijf jaar na het overlijden van [de moeder] ; een en ander te beperken tot een bepaalde generatie - alleen [de vader] en [de kinderen] en niet toekomstige generaties - of tot de situatie dat meer dan één familielid (gewoon) aandeelhouder is. (rov. 4.7)

- Belang van redelijke verwachtingen van oprichters en andere bij oprichting betrokkenen; Familieafspraken kleuren redelijke verwachtingen inVoor de interpretatie van de doelomschrijving in de statuten van SCLI zijn verder de redelijke verwachtingen van de oprichters en anderen die bij haar oprichting waren betrokken van belang. De Familieafspraken kleuren de redelijke verwachtingen van de oprichters van SCLI, Libra Oud, de gewone aandeelhouders ( [de vader] en [de kinderen] ) en SCLI nader in. Libra c.s. kan niet worden gevolgd in haar betoog dat uit de Familieafspraken volgt dat alle betrokkenen destijds de statutaire doelstelling van SCLI (alleen) opvatten als het voorkomen dat “Familieleden” zoals gedefinieerd in de Familieovereenkomst met een meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van Libra Oud ingrijpende beslissingen zouden kunnen nemen tegen de wens van minderheidsaandeelhouder. Er zijn geen aanknopingspunten dat met de Familieafspraken op voorhand afscheid is genomen van SCLI, zoals Libra c.s. stelt, of dat de familievennootschap bij alle vormen van uit elkaar gaan zou ophouden te bestaan. De uitvoering van deze afspraken wijst veeleer erop dat juist is getracht het karakter van familievennootschap in stand te houden. (rov. 4.8)

- SCLI’s statutaire doel ziet ook op Libra; Libra is thans ‘familievennootschap’ in zin van dat doelOmdat ‘Libra International B.V.’ zowel de naam is van Libra Oud als van Libra, en een specificering met bijvoorbeeld een inschrijvingsnummer in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ontbreekt, kan de tekst van art. 2 van de SCLI-statuten op twee manieren worden uitgelegd, namelijk: (a) dat ‘de familievennootschap’ ‘Libra International B.V.’ alleen ziet op Libra Oud; en (b) dat dit ook ziet op Libra. Het hof concludeert dat de statutaire doelstelling van SCLI ook ziet op Libra en dat Libra thans ‘de familievennootschap’ is in de zin van art. 2 van de SCLI-statuten. Hieraan staat niet in de weg dat [verzoeker 2] vrijwel alle gewone aandelen houdt, vrijwel volledig economisch eigenaar en enig bestuurder is van Libra en zonder beschermingsconstructie in de algemene vergadering van Libra niet kan worden overstemd. (rov. 4.9)

- Geen tijdelijke beperking van SCLI’s statutaire doelstelling na splitsing De volgens Libra c.s. door [verzoeker 2] beoogde tijdelijkheid van het na de splitsing voortbestaan van SCLI, uitsluitend of overwegend om fiscale redenen, komt niet tot uitdrukking in de (ongewijzigde) statuten van SCLI, de statuten van Libra of de splitsingsovereenkomst. Ook overigens blijkt niet van consensus tussen de aandeelhouders van Libra dat SCLI na verloop van de door [verzoeker 2] genoemde periode haar doel zou hebben bereikt of niet meer zou kunnen bereiken. (rov. 4.10)

- Tussenconclusie Gelet op het voorgaande is de statutaire doelstelling van SCLI ongewijzigd van toepassing in de huidige situatie, ook al is deze anders dan toen SCLI werd opgericht en zijn de fiscaal relevante periodes met het oog waarop [verzoeker 2] naar eigen zeggen heeft ingestemd met het na de splitsing voortbestaan van SCLI verstreken. De door de jaren heen gedane uitlatingen van [de vader] , [verzoeker 2] en de buitenstaanders over nut en noodzaak van (het voortbestaan van) SCLI en de feiten en omstandigheden waarop partijen wijzen leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit volgt geen consensus van de aandeelhouders van Libra Oud of Libra die de statutaire doelstelling van SCLI nader zou kunnen inkleuren. (rov. 4.11)

- Stellingen van Libra c.s. gaan niet op De stelling van Libra c.s. dat SCLI haar statutaire doel niet meer kan bereiken, omdat Libra Oud niet meer bestaat, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat ‘de familievennootschap’ ‘Libra International B.V.’ in art. 2 van de SCLI-statuten ook ziet op Libra en dat Libra ‘de familievennootschap’ is in de zin van dit art. 2. Omdat de statutaire doelstelling na de splitsing ongewijzigd is gehandhaafd, zonder aanpassing met het oog op de door [verzoeker 2] naar eigen zeggen beoogde tijdelijkheid van het uitsluitend of overwegend om fiscale redenen voortbestaan van SCLI, leidt het verstrijken van de door Libra c.s. genoemde fiscale termijnen niet ertoe dat het statutaire doel van SCLI niet meer kan worden bereikt. De stelling van Libra c.s. dat de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet, gaat voorbij aan de ruim omschreven doelstelling van SCLI, die zich niet beperkt tot het behoud van de familievennootschap voor alleen huidige generaties en niet beperkt is tot bijvoorbeeld de zich nu voordoende situatie dat één familielid vrijwel alle gewone aandelen houdt en vrijwel volledig eigenaar is van Libra. Het betoog van Libra c.s. over de betrekkelijke waarde van de blokkeringsregeling ziet slechts op een onderdeel van de beschermingsconstructie, waarmee een scheiding is aangebracht tussen economisch eigendom en zeggenschap in de algemene vergadering van Libra. Het daarmee gediende doel van continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties, kan nog steeds worden bereikt. (rov. 4.12)

- Conclusie; verzoek van Libra c.s. is niet toewijsbaar De slotsom luidt dat grief 1 slaagt en dat het verzoek van Libra c.s. niet toewijsbaar is. De rechtbank-beschikking kan niet in stand blijven. Bij verdere bespreking van de grieven en de weren bestaat geen belang. Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Libra c.s. wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [verweerder 1] in beide instanties, zoals vermeld in het dictum. (rov. 4.13)

In cassatie

Bij procesinleiding van 18 juni 2025 heeft Libra c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de beschikking.

Op 9 september 2025 heeft [verweerder 1] een verweerschrift ingediend.

SCLI, [verweerder 3] en [verweerder 4] zijn in cassatie niet verschenen.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

De procesinleiding van Libra c.s. bevat een inleiding zonder klachten (p. 2) en drie onderdelen met klachten (p. 3-10).

Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.12 dat het met de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra gediende doel - continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties - nog steeds kan worden bereikt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof gehanteerde maatstaf is te streng, omdat deze abstraheert van de feitelijke omstandigheden ten tijde van het oordelen over het ontbindingsverzoek. Het hof diende te toetsen of SCLI haar doel in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs nog kan bereiken. Dit is de hoofdklacht.

Het onderdeel werkt dit uit in nrs. 1.1 t/m 1.5. Daartoe wordt eerst opgemerkt hoe de door het hof behandelde grief 1 van [verweerder 1] volgens Libra c.s. moet worden begrepen (nr. 1.1) en welke stellingen van Libra c.s. het hof wel en niet (kenbaar) in zijn oordeel zou hebben betrokken (nrs. 1.2-1.3). Vervolgens wordt betoogd dat het hof niet uiteenzet hoe het beoordeelt of het doel van SCLI nog kan worden bereikt, maar enkel in rov. 4.12 de conclusie trekt dat het doel nog kan worden bereikt. Dit zou het hof doen op basis van het feit dat de in nr. 1.2 genoemde omstandigheden geen afbreuk doen aan het alsnog behalen van dat doel, maar zonder daarbij de in nr. 1.3 genoemde omstandigheden te betrekken (nr. 1.4). Daarmee geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij toetsing aan art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW dient de rechter immers alle (relevante) omstandigheden van het geval te betrekken. Het hof had moeten beoordelen of (redelijkerwijs voorzienbaar is dat) de doelstelling van SCLI, in de gegeven omstandigheden, daadwerkelijk nog kan worden bereikt. Die toets heeft het hof niet uitgevoerd (nr. 1.5).

Behandeling

Het onderdeel faalt, gelet op het volgende. Daarbij lenen de hoofdklacht en nrs. 1.1 t/m 1.5 zich voor gezamenlijke bespreking.

Art. 2:301 BW luidt:

1. De rechtbank ontbindt de stichting op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien:

a. het vermogen van de stichting ten enenmale onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel, en de mogelijkheid dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk is;

b. het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt, en wijziging van het doel niet in aanmerking komt.

2. De rechtbank kan ook ambtshalve de stichting ontbinden tegelijk met de afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 294.

In de onderhavige zaak heeft Libra c.s. haar verzoek gebaseerd op art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW. Dit verzoek, met die bepaling als basis, vat het hof samen in rov. 4.1-4.2. In de rechtbank-beschikking is dit verzoek van Libra c.s. toegewezen zoals tevens samengevat door het hof in rov. 4.1.

In rov. 4.13 komt het hof kort gezegd tot de slotsom dat grief 1 van [verweerder 1] , zoals samengevat in rov. 4.5, doel treft. Hoe het hof daartoe komt, volgt in het bijzonder uit rov. 4.6-4.12. Onderdeel daarvan is dus rov. 4.12, waarin het hof - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang - de vraag behandelt of SCLI haar statutaire doel nog steeds kan bereiken, welke vraag het hof bevestigend beantwoordt.

Rov. 4.12 is als volgt opgebouwd.

- De stelling van Libra c.s. dat SCLI haar statutaire doel niet meer kan bereiken, omdat Libra Oud niet meer bestaat, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat 'de familievennootschap’ ‘Libra International B.V.’ in art. 2 van de SCLI-statuten ook ziet op Libra en dat Libra ‘de familievennootschap’ is in de zin van art. 2 van de SCLI-statuten.

- Omdat de statutaire doelstelling na de splitsing ongewijzigd is gehandhaafd, zonder aanpassing met het oog op de door [verzoeker 2] naar eigen zeggen beoogde tijdelijkheid van het uitsluitend of overwegend om fiscale redenen voortbestaan van SCLI, leidt het verstrijken van de door Libra c.s. genoemde fiscale termijnen niet ertoe dat het statutaire doel van SCLI niet meer kan worden bereikt.

- De stelling van Libra c.s. dat de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet, gaat voorbij aan de ruim omschreven doelstelling van SCLI, die zich niet beperkt tot het behoud van de familievennootschap voor alleen huidige generaties en niet beperkt is tot bijvoorbeeld de zich nu voordoende situatie dat één familielid vrijwel alle gewone aandelen houdt en vrijwel volledig eigenaar is van Libra.

- Het betoog van Libra c.s. over de betrekkelijke waarde van de blokkeringsregeling ziet slechts op een onderdeel van de beschermingsconstructie, waarmee een scheiding is aangebracht tussen economisch eigendom en zeggenschap in de algemene vergadering van Libra.

- Het daarmee (die beschermingsconstructie) gediende doel van continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties, kan nog steeds worden bereikt.

Uit rov. 4.12 blijkt dat het hof bij die behandeling en beantwoording van voornoemde vraag mede oog heeft voor wat Libra c.s. ter zake heeft aangevoerd zoals samengevat in rov. 4.4:

Libra c.s. stellen dat de doelomschrijving van SCLI het in stand houden is van een achterhaalde beschermingsconstructie ten behoeve van een rechtspersoon die niet meer bestaat. Volgens Libra c.s. kan SCLI haar statutaire doel niet meer bereiken omdat de huidige situatie wezenlijk verschilt van die ten tijde van oprichting van SCLI, de relevante fiscale termijnen zijn verstreken en de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet.

Daarbij baseert het hof zich uiteraard op diens uitleg van de gedingstukken en hetgeen ter mondelinge behandeling aan de orde is gekomen.

Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de beschikking. Ik licht toe.

In rov. 4.12 redeneert het hof niet vanuit een maatstaf (inzake art. 2:301 lid 1, aanhef en onder b BW) die “abstraheert van de feitelijke omstandigheden” zoals bedoeld en uitgewerkt in het onderdeel. Het hof beoogt in rov. 4.12 juist de daarin voorliggende vraag te behandelen en beantwoorden - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang, en - met inachtneming van wat door Libra c.s. ter zake is gesteld aan gegeven omstandigheden. Zie onder 2.13 hiervoor, waaruit ook de hoge informatiedichtheid van ’s hofs - sterk feitelijke - oordelen in rov. 4.6-4.12 blijkt. Dit behelst bepaald meer dan het enkele trekken van de conclusie dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken: het hof zet in rov. 4.12 ook uiteen hoe het daartoe komt, met inachtneming van dat betoog van Libra c.s. en in het licht van diens analyse in rov. 4.6-4.11 betreffende aspecten van SCLI en haar statutaire doelomschrijving. Iets anders is dat het hof in rov. 4.12 (en 4.6-4.11): met kracht van argumenten niet meegaat in dat betoog van Libra c.s.; uitgaat van dat betoog van Libra c.s. zoals verstaan door het hof; en onder meer de werking van art. 24 Rv in het oog houdt.

Daarmee ontvalt de bodem aan het onderdeel. Kort en goed: hetgeen daarin wordt aangevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 4.12 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door het aanleggen van een te strenge maatstaf, waarbij niet alle relevante omstandigheden van het geval (hoeven te) worden betrokken.

Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.12 dat het met de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra gediende doel - continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties - nog steeds kan worden bereikt, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof zou hiermee niet althans onvoldoende hebben gerespondeerd op de essentiële stellingen van Libra c.s. dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra bij leven kan overdragen aan niet-familieleden, doordat hij deze: (i) vrijelijk kan overdragen aan SNA “(waarbij het hof ook de feiten in rov. 3.7 en 3.16 onjuist vaststelt)”; en (ii) zonder dat de blokkeringsregeling dat verhindert, kan overdragen aan andere derden. Dit is de hoofdklacht.

Het onderdeel werkt dit uit in nrs. 2.1 t/m 2.6. Ik vat weer samen.

- Nr. 2.1 komt neer op een herhaling van de hoofdklacht, met de toevoeging: dat Libra c.s. heeft gesteld dat van een familievennootschap dus geen sprake meer is. En: dat SCLI hooguit een andere bereidwillige derde kan aanwijzen die de aandelen tegen contante betaling koopt, nu de statuten van Libra geen kwaliteitseisen voor aandeelhouders bevatten (ook niet de eis dat alleen familieleden aandeelhouder kunnen zijn).

- Daarna komt de blote opmerking dat rov. 4.12, voorlaatste en laatste zin geen (afdoende) respons is op de stellingen van Libra c.s. (nr. 2.2).

- Vervolgens wordt in nrs. 2.3-2.4 nader ingegaan op stelling (i) in de hoofdklacht. Eerst wordt opgemerkt: dat anders dan het hof vaststelt in rov. 3.7 en 3.16, de statuten van Libra Oud niet bepalen dat aandelen vrij overdraagbaar zijn aan SNA. En: dat het daarmee onmiskenbaar de bedoeling was een ‘extra’ mogelijkheid te bieden voor [verzoeker 2] om zijn aandelen aan een ander dan een familielid over te dragen (nr. 2.3).

- Daaraan wordt toegevoegd, in nr. 2.4: dat rov. 4.12, voorlaatste zin eraan voorbijgaat dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra (zoals de bedoeling was bij haar oprichting) vrijelijk kan overdragen aan SNA, een algemeen nut beogende instelling die zich inzet voor het algemeen belang en (dus) niet voor de belangen van [de familie] . En:

Het hof heeft ofwel deze essentiële stelling gemist, dan wel een in het licht van die stelling onbegrijpelijk oordeel gegeven; de zeggenschap in de algemene vergadering van Libra heeft immers niets van doen met de vraag of de aandelen in Libra Nieuw nog toekomen aan een lid van [de familie] . SCLI heeft geen enkele zeggenschap over het al dan niet overdragen van alle aandelen in Libra Nieuw aan SNA en heeft het dus ook niet in haar macht te bewerkstelligen dat [de familie] nog verbonden is en zal zijn met de ‘familievennootschap’ Libra Nieuw.

- Vervolgens wordt in nr. 2.5 nader ingegaan op stelling (ii) in de hoofdklacht. Eerst wordt opgemerkt dat voor de desbetreffende stelling van Libra c.s. “praktisch [hetzelfde] geldt”, wat kennelijk terugslaat op nr. 2.4. Daaraan wordt kort gezegd toegevoegd dat SCLI het - of zij nu zeggenschap heeft in de algemene vergadering of niet - niet in de hand heeft om de continuïteit van Libra als ‘familievennootschap’ te bevorderen, nu het feit dat SCLI een andere bereidwillige partij zou kunnen aanwijzen die de aandelen tegen contante betaling koopt “in praktische zin” niet ertoe zal leiden dat SCLI de aandelenoverdracht aan niet-familieleden kan ‘blokkeren’.

- Volgens nr. 2.6, tot slot, is de enkele overweging in rov. 4.12, laatste zin ontoereikend. Want in het licht van “de twee hiervoor besproken stellingen van Libra c.s.” blijft onduidelijk hoe SCLI haar statutaire doel nog kan bereiken als zij niet redelijkerwijs kan verhinderen dat [verzoeker 2] zijn aandelen overdraagt aan een derde.

Behandeling

Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.

Vooropgesteld: er bestaat geen rechtsregel die vergt dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter steeds uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken, of dat verwerping van zo’n stelling steeds individueel (niet in samenhang met een of meer andere stellingen) en met zoveel woorden (niet impliciet) geschiedt. Verder geldt dat naarmate een rechterlijke beoordeling feitelijk van aard is (de beschikking is dat in hoge mate), de vatbaarheid voor toetsing in cassatie van die beoordeling afneemt; een hernieuwde feitelijke beoordeling van stellingen gaat de taak van de cassatierechter te buiten. Het voorgaande doet uiteraard ook opgeld bij onderdeel 3, in zekere zin een reprise van dit onderdeel.

Ik begin met stelling (i) in de hoofdklacht, zie onder 3.13 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel: van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans SCLI’s relevantie voor Libra in de huidige situatie,, waarop het hof uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12; en van de ommekomst van bepaalde fiscale termijnen en de betekenis daarvan voor (het statutaire doel van) SCLI, wat het hof expliciet adresseert in rov. 4.10 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Zie nader onder 2.13, 3.6-3.9 en 3.11 hiervoor, hetgeen voor zich spreekt. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Ik verwijs kortheidshalve naar 2.13 hiervoor.

Dan nr. 2.1. Voor zover daarin wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 2.1 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 2.1 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.

Dan nr. 2.2. Dit mist zelfstandige betekenis althans voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu het niet meer bevat dan een blote stelling bij een citaat uit rov. 4.12.

Dan nr. 2.3. Het is juist dat, anders dan het hof vaststelt in rov. 3.7 en 3.16, art. 16 van de statuten van Libra Oud (in tegenstelling tot art. 16 van de statuten van Libra) niet bepaalde dat aandeelhouders hun aandelen vrijelijk konden overdragen aan SNA. In nr. 2.3 (of elders in de procesinleiding) wordt hieraan op zichzelf evenwel geen concrete klacht verbonden, laat staan conform de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Dát als gevolg van die enkele feitenvaststelling ’s hofs oordeel wegens onvoldoende (begrijpelijke) motivering niet in stand zou kunnen blijven, valt zonder meer ook niet in te zien. De vervolgopmerking in nr. 2.3 dat “het daarmee” (ik begrijp: die aanpassing van art. 16 van de statuten van Libra) onmiskenbaar de bedoeling was een ‘extra’ mogelijkheid te bieden voor [verzoeker 2] om zijn aandelen aan een ander dan een familielid over te dragen, kan Libra c.s. evenmin baten, reeds bij gebrek aan verwijzing naar een vindplaats waar te lezen valt dat Libra c.s. een dergelijke stelling al in feitelijke instanties heeft betrokken.

Dan nr. 2.4. Wat er zij van hetgeen daarin te berde wordt gebracht over kort gezegd SNA als “algemeen nut beogende instelling”, etc., dienaangaande ontbreekt iedere verwijzing naar een vindplaats waar te lezen valt dat Libra c.s. een dergelijke stelling al in feitelijke instanties heeft betrokken. Daarmee ontvalt in zoverre reeds de bodem aan nr. 2.4. Voor de herhaling in nr. 2.4 “dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra Nieuw (…) vrijelijk kan overdragen aan SNA”, geldt hetgeen ik schreef onder 3.17 hiervoor. De daar gesignaleerde lacune in de procesinleiding wordt (dus) ook door nr. 2.4 niet weggenomen.

Ik wend nu de steven naar stelling (ii) in de hoofdklacht, zie onder 3.13 hiervoor. Dit loopt vast in lijn met 3.17 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof zoals gezegd uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En ook hier geldt: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.

Dan nr. 2.5. Dit loopt vast in lijn met 3.18 hiervoor. Voor zover in nr. 2.5 wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 2.5 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En wederom: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 2.5 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.

Tot slot nr. 2.6. Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat ’s hofs oordeel dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken niet enkel hangt op rov. 4.12, laatste zin. Verder bouwt nr. 2.6 voort op de hoofdklacht en nrs. 2.1 t/m 2.5, die dus niet de conclusie rechtvaardigen dat ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Zie onder 3.16-3.23 hiervoor. Dit is al fataal. Overigens zet het hof in rov. 4.12 - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang - goed navolgbaar uiteen dat de stellingen van Libra c.s., zoals eerder samengevat in rov. 4.4, onverlet laten dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken. Dit is zodanig gemotiveerd dat het hof daarmee royaal inzicht geeft in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan diens beslissing.

Op dit een en ander ketst het onderdeel al af.

Onderdeel 3 klaagt vanuit een iets andere invalshoek dat het oordeel van het hof in rov. 4.12 dat het met de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra gediende doel - continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties - nog steeds kan worden bereikt, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Het hof zou hiermee niet althans onvoldoende hebben gerespondeerd op de essentiële stellingen van Libra c.s. dat [verzoeker 2] zijn aandelen bij zijn overlijden zal nalaten aan niet-familieleden, omdat hij (i) niet beperkt is in zijn testeervrijheid en (ii) zijn enige afstammeling [verweerder 1] en diens nakomelingen inmiddels heeft onterfd. Dit is de hoofdklacht.

Het onderdeel werkt dit uit in nrs. 3.1 t/m 3.9. Ik vat weer samen.

- Nr. 3.1 bevat slechts een korte duiding van rov. 4.6-4.12.

- Nr. 3.2 bevat slechts de opmerking dat “[d]it oordeel van het hof” onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, aangezien het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op de in de hoofdklacht onder (i)-(ii) bedoelde stellingen van Libra c.s.

- Vervolgens wordt in nr. 3.3 nader ingegaan op stelling (i) in de hoofdklacht. Dit komt neer op het volgende. [verzoeker 2] kan vrijelijk en zonder tussenkomst van SCLI bewerkstelligen dat [verweerder 1] de aandelen in Libra nooit zal verkrijgen. De testamenten van [de vader] en [de moeder] bevatten geen tweetrapsmaking. Er zijn ook geen indicaties dat het hun intentie was dat de onderneming zou worden overgedragen aan [verweerder 1] . De vrijheid van [verzoeker 2] om zijn nalatenschap in te richten naar eigen goeddunken brengt mee dat SCLI het door het hof vastgestelde doel niet meer kan bereiken. Libra is door deze testeervrijheid geen familievennootschap meer. Niet valt in te zien hoe de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra ertoe kan leiden dat de continuïteit van Libra als familievennootschap wordt bereikt, nu SCLI op geen enkele wijze invloed kan uitoefenen op de inrichting van [verzoeker 2] nalatenschap.

- Vervolgens wordt in nr. 3.4 nader ingegaan op stelling (ii) in de hoofdklacht. Dit komt neer op het volgende. [verzoeker 2] heeft bovendien [verweerder 1] daadwerkelijk onterfd. Dit brengt mee dat [verweerder 1] , na het overlijden van [verzoeker 2] , de aandelen in Libra niet zal verkrijgen. [verweerder 1] heeft namelijk ‘slechts’ recht op zijn legitieme portie, die uitsluitend uit een geldbedrag bestaat (art. 4:80 lid 1 BW). De aandelen in Libra zullen (dus) niet overgaan op ‘toekomstige generaties’. De ‘neerdalende lijn’ vanaf [de vader] eindigt bij [verzoeker 2] . Wederom valt niet in te zien hoe de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra ertoe kan leiden dat de continuïteit van Libra als familievennootschap wordt bereikt, nu SCLI op geen enkele manier de onterving van [verweerder 1] kan terugdraaien.

- Dan nrs. 3.5 t/m 3.8. Daarin wordt aangevoerd dat de tweeconclusieregel niet eraan in de weg staat dat het hof de door Libra c.s. bij mondelinge behandeling betrokken stelling dat [verweerder 1] is onterfd in zijn oordeel diende te betrekken (nr. 3.5). Ofwel omdat geen sprake is van een nieuwe grond, want van een nadere precisering (nr. 3.6); ofwel, zo sprake zou zijn van een nieuwe grond, omdat deze stelling dusdanig in het verlengde lag van de grond dat [verzoeker 2] niet beperkt is in zijn testeervrijheid dat het hof op die stelling acht had moeten slaan (nr. 3.7). Daarnaast geldt dat Libra c.s. de stelling dat [verweerder 1] is onterfd niet eerder kon innemen dan tijdens de mondelinge behandeling (nr. 3.8).

- Tot slot nr. 3.9. Daarin wordt toegevoegd dat het hof in het geheel geen inzicht geeft in zijn gedachtegang die heeft geleid tot het oordeel dat SCLI haar statutaire doel nog steeds kan bereiken, ondanks het feit dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra kan nalaten aan een niet-familielid en dat dit inmiddels ook is bewerkstelligd. Zonder nadere motivering, die in de beschikking ontbreekt, valt niet in te zien waarom en hoe SCLI toch de continuïteit van Libra als familievennootschap kan (blijven) bevorderen.

Behandeling

Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.

Ik begin met stelling (i) in de hoofdklacht, zie onder 3.26 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans SCLI’s relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Zie nader onder 3.17 hiervoor. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Ik verwijs kortheidshalve naar 2.13 hiervoor.

Dan nrs. 3.1-3.2. Deze missen zelfstandige betekenis althans bevatten geen klacht die voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

Dan nr. 3.3. Voor zover daarin wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 3.3 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 3.3 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.

Ik wend nu de steven naar stelling (ii) in de hoofdklacht, zie onder 3.26 hiervoor. Dit loopt vast in lijn met 3.29 hiervoor. Op de met die stelling (ii) verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof zoals gezegd uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En ook hier geldt: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.

Dan nr. 3.4. Dit loopt vast in lijn met 3.31 hiervoor. Voor zover in nr. 3.4 wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Het wordt repeterend, maar ja: waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 3.4 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En wederom: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 3.4 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.

Dan nrs. 3.5 t/m 3.8, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. Daarin veronderstelt Libra c.s. dat het hof op basis van de tweeconclusieregel niet in zijn oordeel betrekt haar stelling dat [verweerder 1] is onterfd. Naar volgt uit het voorgaande mist dit feitelijke grondslag, want gaat Libra c.s. daarmee uit van een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof neemt die (met de testeervrijheid van [verzoeker 2] verband houdende) stelling mee in het kader van de uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving en haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Zie onder 3.32-3.33 hiervoor.

Tot slot nr. 3.9. Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat ’s hofs oordeel dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken niet enkel hangt op rov. 4.12. Verder bouwt nr. 3.9 voort op de hoofdklacht en nrs. 3.1 t/m 3.8, die dus niet de conclusie rechtvaardigen dat ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Zie onder 3.29-3.34 hiervoor. Dit is al fataal. Overigens zet het hof in rov. 4.12 - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang - dus goed navolgbaar uiteen dat de stellingen van Libra c.s., zoals eerder samengevat in rov. 4.4, onverlet laten dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken. Zoals gezegd: dit is zodanig gemotiveerd dat het hof daarmee royaal inzicht geeft in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan diens beslissing.

Op dit een en ander ketst het onderdeel al af.

Slotsom

Het cassatiemiddel van Libra c.s. is derhalve vergeefs voorgesteld.

Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?