PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02484 C
Zitting 27 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij vonnis van 6 juni 2024 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumlandsverordening 1960" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 1] (24/02483 C) en [medeverdachte 2] (24/02485 C). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft A.A. Franken, ten tijde van het indienen van de schriftuur advocaat in Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
Op 25 juli 2022 is de bemanning van het vaartuig [A] (verder: [A] ) door de Kustwacht Caribisch Gebied erop gewezen dat een vaartuig (‘ [B] ’) was gespot op een bekende smokkelroute nabij Punto Fijo (Venezuela). Hierop heeft [A] twee bijboten (‘Frisc’s’) gelanceerd. Door de leden van het interceptieteam die zich op de Frisc’s bevonden, werd gezien dat de bemanning van de (inmiddels stateloos verklaarde) [B] balen overboord gooide. Door de leden van het interceptieteam zijn eerst waarschuwingsschoten gelost om [B] tot stoppen te dwingen en toen deze niet effectief bleken, is toestemming verkregen om op niet vitale delen van [B] te schieten. [B] bevond zich op dat moment in internationale wateren. Nadat [B] uiteindelijk was gestopt, is het interceptieteam daarop overgestapt. Op enig moment daarna is de kapitein van [B] (de broer van de medeverdachte) door een lid van het interceptieteam door het hoofd geschoten en om het leven gekomen. De overige vier op de boot aanwezige personen zijn aangehouden. Daarnaast zijn 54 balen inbeslaggenomen, die – naar later bleek – cocaïne bevatten. De verdachte is veroordeeld wegens het samen met zijn mededaders vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kilo cocaïne.
3. Het eerste middel
Het middel klaagt over de afwijzing van het herhaalde verzoek tot voeging van (de resultaten van) het onderzoek van de Landsrecherche, dat betrekking zou hebben op de wijze van aanhouding en het daarbij toegepaste geweld.
Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 18 januari en 8 februari 2024, houdt onder meer in:
“De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de onderzoekswens van de verdediging nader toe te lichten.
De raadsman voert het woord overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde toelichting, die in het dossier is gevoegd en hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.
In aanvulling op de toelichting deelt mr. Sulvaran – zakelijk weergegeven – het volgende mede:
De boot is door de golven gaan kiepen. De kapitein is daardoor naar de zijkant van de boot geschoven. Vervolgens is hij in zijn hoofd geschoten.
Op de vraag van de voorzitter wie naar het standpunt van de verdediging de waarheid geweld hebben aangedaan in de opmaak van de dossierstukken, deel ik mede dat dit de verbalisant [verbalisant] is en de commandant van het Marineschip, [C] . Op de vraag van de voorzitter of zij het goed heeft begrepen dat het standpunt van de verdediging ter zake van de leugens verband houdt met de toepassing van geweld bij de aanhouding dat heeft geleid tot de dood van de kapitein van [B] , antwoord ik dat deze samenvatting klopt. De kern van het verwijt dat de verdediging over die leugens maakt, is dat er meineed is gepleegd over de wijze waarop de achtervolging en de aanhouding heeft plaatsgevonden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachten het recht hebben om te weten wat de bij de achtervolging en aanhouding betrokken kustwacht- en marine-medewerkers bij de Landsrecherche hebben verklaard. Ik heb nog geen enkele reden of motivering gehoord waarom de verdediging deze verklaringen tot nu toe niet heeft mogen inzien.
De voorzitter stelt de procureur-generaal in de gelegenheid te reageren op hetgeen door de raadsman van de verdachten naar voren is gebracht en het standpunt van het openbaar ministerie nader toe te lichten. Zij deelt hierop -zakelijk weergegeven- het volgende mede:
[…]
De raadsman voert twee vormverzuimen aan. Het eerste vormverzuim zou zijn gelegen in het geweld dat bij de aanhouding is toegepast, te weten het doodschieten van de kapitein van [B] . Deze kwestie regardeert echter niet de zaken van de verdachten, maar de overleden kapitein, hoe betreurenswaardig zijn dood ook is. Het tweede vormverzuim zou het niet verstrekken van de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche betreffen. Dit kan echter niet een separaat vormverzuim opleveren, omdat het onderzoek van de Landsrecherche juist enkel en alleen is gericht op de geweldstoepassing ter zake van de overleden kapitein. Ik stel me op het standpunt dat het dossier voldoende stukken bevat voor de oordeelsvorming ter zake van de aanhouding van de verdachten in de onderhavige zaken. De videobeelden zijn objectief en duidelijk. De stukken van het onderzoek van de Landsrecherche kunnen hier niets aan toevoegen. Ik persisteer bij het standpunt dat de onderzoekswens van de verdediging tot het aan het dossier toevoegen van de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche dient te worden afgewezen.
[…]
De voorzitter deelt als beslissing van het Hof op het namens de verdachten door de raadsman gedane verzoek tot toevoeging van stukken van de Landsrecherche het volgende mede:
Het Hof komt tot afwijzing van het verzoek tot het aan het dossier doen toevoegen van de stukken van de Landsrecherche ter zake van het onderzoek naar de geweldsaanwending bij de aanhouding (het schietincident), waarbij de kapitein van [B] is doodgeschoten, nu daartoe de noodzaak niet is gebleken.
Het Hof overweegt als volgt.
De raadsman van de verdachten heeft bepleit dat bij de aanhouding van de verdachten en de verslaglegging daarvan normen zijn geschonden. Ter adstructie van deze ter inhoudelijke terechtzitting te voeren verweren, acht de verdediging het van belang dat zij kennis kan nemen van het voornoemde onderzoek van de Landsrecherche. Het Hof is van oordeel dat het dossier thans voldoende stukken bevat, zowel ter adstructie van door de raadsman te voeren verweren ter zake van gestelde geschonden normen als ter beoordeling daarvan door het Hof. Daarbij betrekt het Hof dat zich in het dossier videobeelden bevinden die van goede beeld- en geluidskwaliteit zijn en vanwege het filmen vanuit verschillende hoeken een minutieus beeld verschaffen van de achtervolging, de interceptie, het schietincident en de aanhouding van de verdachten. Kennisneming en becommentariëring van deze videobeelden ter terechtzitting doet naar het oordeel van het Hof bij uitstek recht aan het onmiddellijkheidsvereiste. De betrouwbaarheid en de (bewijs)waarde van de overige dossierstukken kan naar het oordeel van het Hof in voldoende mate worden getoetst aan de hand van deze videobeelden. Aannemelijk is dat de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche daaraan redelijkerwijs niets zullen toevoegen, mede nu dit onderzoek niet is gericht op de vraag of in de zaken van deze verdachten normen zijn geschonden.
Het verzoek wordt afgewezen.”
Op de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2024 heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting het woord gevoerd conform zijn overgelegde pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen houden – voor zover hier van belang – in:
“Ik wil u nu alvast de conclusies voorhouden die ik later in dit pleidooi zal uitwerken:
1. De betrokken opsporingsambtenaren hebben geen proces-verbaal opgemaakt van hetgeen zij tot opsporing hebben verricht of bevonden. Dat verzuim is, anders dan het Gerecht heeft overwogen, ook niet hersteld. Er is immers nog steeds geen proces verbaal van de opsporingsambtenaren die op de achtervolgende boten zaten.
2. De processen-verbaal die wel zijn opgesteld, staan vol met onwaarheden. Ook dat is natuurlijk, anders dan het Gerecht heeft overwogen, niet hersteld door de camerabeelden. De leugens in dat proces-verbaal maken nog steeds onderdeel uit van het strafdossier.
3. Er is zonder enige noodzaak onder verantwoordelijkheid van het lokale openbaar ministerie een man doodgeschoten. Het feit dat die man de kapitein was van een boot waarmee een grote hoeveelheid cocaïne werd vervoerd, neemt de verantwoordelijkheid voor de gewelddadige dood van die man niet weg. Een Amerikaanse cowboy, die onder het gezag van de Nederlandse kustwacht opereerde, vond het leuk om die man – die op zijn knieën zat – van een meter afstand door het hoofd te schieten. De Nederlandse opsporingsambtenaren die daarvan getuigen waren, vonden het prachtig. Zij juichten, feliciteerden elkaar, lachten en vonden het geweldig.
Dat zijn de enige conclusies die je op basis van het dossier en de camerabeelden kunt trekken. Uw Hof weet dat de verdediging gevraagd heeft om meer informatie, met name om de verklaringen van de betrokken opsporingsambtenaren en van de verdachten in het onderzoek van de Landsrecherche. Volgens het Gerecht (vonnis, p. 5) gaat het in casu niet om de vraag of het optreden rechtmatig was, maar of het gevolg van dat optreden (te weten: de dood van de kapitein) gevolgen moet hebben in de strafzaken tegen de verdachten. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van het optreden maakt volgens het Gerecht geen onderdeel uit van de strafzaak tegen de verdachten. Dat oordeel van het Gerecht is onjuist. Alleen al het feit dat een verweer is gevoerd over de rechtmatigheid van dat optreden, maakt dat het rechter onderzoek moet doen naar dat optreden. Dat is alleen anders, in het geval op voorhand duidelijk is dat de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn. Maar die uitzondering doet zich vanzelfsprekend niet voor: de beelden maken duidelijk dat er een stevige basis is voor het verweer en het feit dat er een onderzoek is ingesteld door de Landsrecherche toont eveneens aan dat er een solide feitelijke grondslag voor de verweren bestaat.
Dat betekent dat de resultaten van het onderzoek van de Landsrecherche direct relevant zijn voor de beoordeling van het verweer. En dat betekent dat wij dus kennis moet kunnen nemen van de verklaringen van de betrokken opsporingsambtenaren en van de verdachten. Wat hebben zij gezegd over het uitgeoefende geweld en de noodzaak daarvan? Het kan niet zo zijn dat we daarover moeten speculeren, zoals het Gerecht heeft gedaan (p. 6), door te overwegen dat "zonder meer voorstelbaar is dat er bij de militairen onzekerheid bestond over de aanwezigheid van nog meer (vuur)wapens bij de verdachten" en "kennelijk heeft dit handelen door de kapitein en de verdachten voor de desbetreffende militair in de zich op dat moment voordoende situatie tot het oordeel geleid dat toepassing van geweld noodzakelijk was om tot aanhouding van de verdachten te kunnen overgaan, ook al hebben de verdachten op dat moment geen wapens in hun handen." Het is zeker niet goed dat in het vonnis woorden als "voorstelbaar" en "kennelijk" worden gebruikt, terwijl gewoon aan de hand van de verklaringen van opsporingsambtenaren en verdachten meer duidelijkheid kan worden verkregen over de omvang en de ernst van de schendingen 1, 2 en 3 hierboven.
Daarom is primair weer het verzoek: geef mij die stukken!!”
Het Hof heeft het herhaalde verzoek om voeging van (de resultaten van) het onderzoek van de Landsrecherche bij eindvonnis afgewezen en in dit verband overwogen:
“De vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein in de gegeven omstandigheden (on)rechtmatig was (in de zin van artikel 2 EVRM), ligt in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van het Hof voor. De Landrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein. Wat er ook zij van de uitkomst daarvan, deze is naar het oordeel van het Hof niet relevant voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte.
Zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, is het niet de verdachte die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.
Voorts wijst het Hof het herhaalde verzoek van de verdediging om voeging van het onderzoek door de Landsrecherche, om genoemde reden af. Daarbij betrekt het Hof dat het onderzoek door de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.”
De steller van het middel brengt vooraleerst naar voren “dat alleen (sommige) juristen kunnen verzinnen dat er geen goede reden is om kennis te kunnen nemen van de resultaten van een onderzoek naar het optreden van de militairen/opsporingsambtenaren in deze zaak”, terwijl volgens hem duidelijk is dat:
“(i) die militairen/opsporingsambtenaren meer dan 100 maal hebben geschoten op [B] en op de vijf mannen die zich op die boot hebben bevonden;
(ii) die militairen/opsporingsambtenaren een van de verdachten hebben doodgeschoten en de andere verdachten, waaronder verzoeker, hebben bedreigd, beledigd en bespot;
(iii) die militairen/opsporingsambtenaren daarover niet zelf, door middel van door hen opgemaakte processen-verbaal, verantwoording hebben afgelegd;
(iv) zowel een proces-verbaal over de aanhouding en het geweldgebruik, van de hand van een opsporingsambtenaar die niet zelf aanwezig en betrokken was, als een rapport dat is opgesteld door een medewerker van de Kustwacht valselijk is opgemaakt, omdat in beide documenten op belangrijke punten informatie is opgenomen die aantoonbaar in strijd is met de kenbare waarheid;
(v) de verdediging bij herhaling heeft gesteld verweer te (willen) voeren over deze normschendingen en dat zij daarom kennis wil kunnen nemen van de verklaringen die de militairen/opsporingsambtenaren en de verdachten tegenover de Landsrecherche hebben afgelegd, teneinde de ernst en de omvang van de normschendingen te kunnen vaststellen, in welk verband de verdediging heeft betoogd dat in dat verband van belang is of (ook) de betrokken militairen/opsporingsambtenaren in hun verklaringen ten overstaan van de Landsrecherche “de grote leugen” hebben verkondigd dat de doodgeschoten kapitein met een schroevendraaier een (zwaarbewapende) militair zou hebben aangevallen.”
Het zou volgens de steller van het middel vanzelfsprekend moeten zijn om aan de verdachten in deze zaak en aan de samenleving uit te leggen hoe het op 25 juli 2022 en daarna zo gruwelijk mis heeft kunnen gaan. Hij beschouwt de afwijzing van het verzoek tot voeging van (de resultaten van) het onderzoek van de Landsrecherche als een gekunstelde uitvlucht om het rapport van de Landsrecherche geheim te kunnen houden.
Uit het voorgaande leid ik af dat de Landsrecherche onderzoek heeft gedaan naar het schietincident, maar dat de verdachten, waaronder de broer van de doodgeschoten kapitein, en verdere familieleden niet zijn geïnformeerd over de bevindingen van de Landsrecherche. Dat het gebrek aan informatie naar buiten niet alleen bij hen, maar ook breder in de samenleving tot vragen, twijfels en boosheid heeft geleid, is invoelbaar. Maatgevend voor de voeging van stukken in het strafdossier is dit evenwel niet. In een strafprocedure is slechts relevant of procespartijen tegen de achtergrond van de inhoud van het strafdossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, over voldoende informatie beschikken om verweren te voeren die van belang kunnen zijn voor de betreffende strafzaak en of de rechter over voldoende informatie beschikt om (mede daarover) te beslissen. Of de voeging van stukken nodig is, zal dus mede afhangen van de reeds beschikbare informatie in de strafprocedure. In dat verband zijn de navolgende (meer juridische) klachten die de steller van het middel naar voren brengt in cassatie van belang.
Het middel klaagt dat het Hof het herhaalde verzoek tot voeging van (de resultaten van) het onderzoek van de Landsrecherche ten onrechte heeft afgewezen, althans die afwijzing onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd heeft. De steller van het middel klaagt in het bijzonder dat:
(i.) de door de raadsman in hoger beroep besproken Straatsburgse jurisprudentie –waaruit blijkt dat de verdediging recht heeft op toegang tot “other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence” en tot informatie die essentieel is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de inzet van dwangmiddelen, zoals aanhouding – duidelijk maakt dat het rapport van de Landsrecherche aan het dossier had moeten worden toegevoegd en dat gelet hierop het Hof het verzoek daartoe ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen, alsmede dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het betoog van de raadsman dat het rapport van de Landsrecherche aan het dossier moet worden toegevoegd, omdat daarmee duidelijkheid wordt verkregen over de omvang en de ernst van de normschendingen;
(ii.) het Hof heeft ‘miskend’ dat het rapport van de Landsrecherche een bredere strekking heeft dan de dood van de kapitein en mede ziet op de waardering van gebeurtenissen die onmiskenbaar relevant zijn voor enige in de strafzaak tegen de verdachte te nemen beslissing;
(iii.) het Hof bij de afwijzing van het verzoek om voeging een onjuist criterium heeft gehanteerd, nu de maatstaf niet is of het onderzoek van de Landsrecherche was gericht op beantwoording van de vraag of in het vooronderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen, maar of de resultaten van dat onderzoek relevantie (kunnen) hebben voor de in de strafzaak tegen verzoeker te beantwoorden vragen;
(iv.) het oordeel van het Hof dat het verzoek om voeging van het rapport van de Landsrecherche kan worden afgewezen, omdat i) de vraag of de gewelddadige dood van de kapitein een schending van art. 2 EVRM oplevert niet ter beoordeling aan het Hof voorligt, ii) het antwoord op die vraag niet van belang is voor enige in de voorliggende strafzaak te nemen beslissing en iii) de verdachte, als sprake is van een schending van art. 2 EVRM, niet is getroffen in het belang dat die verdragsbepaling beoogt te beschermen, onbegrijpelijk is, omdat i) het Hof in de strafmotivering de relevantie van de dood van de kapitein voor de strafzaak van de verdachte heeft verwoord, ii) het Hof heeft miskend dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt en iii) de relevantie, zoals in hoger beroep is bepleit, kan worden gebaseerd op de positieve verplichtingen die voortvloeien uit art. 2 en 3 EVRM;
(v.) het onbegrijpelijk is dat het Hof het verzoek tot voeging heeft afgewezen en bij de verwerping van het verweer heeft ‘gespeculeerd’ door ‘een zekere ontlading’ aan de militairen toe te dichten.
Alvorens deze vijf deelklachten te bespreken, geef ik het toepasselijke juridisch kader voor de voeging van processtukken weer en sta ik in algemene zin stil bij de wijze van beoordeling van het verzoek door het Hof.
Juridisch kader
Art. 4 lid 1 van de Landsverordening van de 5de november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering (verder: SvC) luidt:
“Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt.”
Bij Landsverordening van de 18de oktober 2012 (PB 2012/67) houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen) is onder meer art. 50a, eerste lid, in werking getreden, dat luidt:
“De verdachte kan de officier van justitie dan wel, indien een gerechtelijk vooronderzoek is geopend, de rechter-commissaris schriftelijk gemotiveerd verzoeken door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist.”
Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van Curaçao (verder: SvCN) is op 26 mei 2025 ondertekend (PB 2025/60). Niet is bekend wanneer dit wetboek in werking zal treden. In het nieuwe wetboek worden de regels betreffende processtukken in strafzaken aangepast. Het voorgestelde wettelijke kader met betrekking tot de processtukken in het nieuwe wetboek luidt:
-Art. 4, eerste lid, SvCN
“Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 4a.”
-Art. 50a, eerste lid, SvCN
“De verdachte kan de officier van justitie verzoeken door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en is met redenen omkleed.”
Een lezing van het in Curaçao toepasselijke (en huidige) art. 4 lid 1 van SvC doet de vraag rijzen of die regeling niet strikter is dan het Nederlandse art. 149a Sv. De Nederlandse regeling gaat uit van stukken die ‘redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door de rechter op voet van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen’. De Curaçaose regeling rept in beperktere zin over gegevens die ‘in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt’. Het Nederlandse criterium gaat uit van stukken die redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de rechter en ziet niet op het daadwerkelijke gebruik ervan, terwijl het Curaçaose criterium meer ziet op daadwerkelijk gebruik in de strafvervolging tegen de verdachte.
De vraag rijst in dit verband hoe de regeling van Curaçao met betrekking tot het verzoek tot het voegen van processtukken aan het dossier moet worden uitgelegd. Hoewel het Curaçaose criterium strenger lijkt, heb ik – mede in het licht van het concordantiebeginsel dat is neergelegd in art. 39 van het Statuut en dat onder meer Curaçao dwingt om zijn regelgeving zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze met het Nederlandse Wetboek van Strafvordering in te richten – geen reden te veronderstellen dat een strenger regime door ’s lands wetgever is ingevoerd met de intentie om te breken met het regime van het Nederlandse art. 149a Sv. Daarbij wijs ik op het volgende. De regeling met betrekking tot processtukken in Sint Maarten is gelijkluidend aan de regeling van Curaçao. Met betrekking tot die regeling heeft mijn voormalig ambtgenoot Hofstee overwogen dat art. 358, eerste lid, SvSM en art. 371 SvSM materieel gelijkluidend zijn met art. 315, eerste lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering en art. 328 Sv. Op basis daarvan meent hij dat ervan uit kan worden gegaan dat de rechtspraak van de Hoge Raad over verzoeken tot het voegen van stukken en het verlenen van inzage daarin op grond van art. 328 Sv in verbinding met art. 315, eerste lid, Sv eveneens van toepassing is op art. 371 van het Wetboek van Strafvordering Sint Maarten (SvSM) in verbinding met 358, eerste lid, SvSM.
Gelet op het voorgaande zie ik geen reden om een verzoek tot het voegen van stukken dat gericht is tot de rechter in Curaçao anders te beoordelen dan eenzelfde verzoek dat is gericht tot de Nederlandse rechter. Ik meen dan ook dat de voor de beoordeling van dat verzoek geldende uitgangspunten die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn geformuleerd, ook van toepassing zijn op onderhavig verzoek.
Het vorenstaande leidt dan ook tot het volgende beoordelingskader. Ter terechtzitting gedane verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken, zijn verzoeken in de zin van art. 371 in verbinding met 373 SvC om toepassing te geven aan art. 358 SvC. De maatstaf waaraan de rechter dergelijke verzoeken moet toetsen is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij de beoordeling van beslissingen tot afwijzing van een verzoek om voeging dient het richtsnoer zijn ‘of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als ware het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen’. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van art. 4 lid 1 SvC in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. Zij dienen redelijkerwijs van belang te kunnen zijn voor de door de rechter op de voet van art. 392 en 394 SvC te beantwoorden vragen dan wel voor ‘enige’ door de rechter te nemen beslissing.
Of stukken aan het relevantiecriterium voldoen, hangt steeds af van hun concrete inhoud en betekenis voor de desbetreffende strafzaak. De aard van het stuk is niet primair bepalend, het gaat om de relevantie daarvan voor de (ter terechtzitting) door de rechter te nemen beslissingen. Een stuk kan in ieder geval als relevant voor de desbetreffende strafzaak worden beschouwd wanneer het gaat om stukken die van belang kunnen zijn bij het beantwoorden van de vragen van art. 392 SvC en art. 394 SvC, zoals bijvoorbeeld stukken die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, stukken die zien op de (controle) van de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek en stukken die voor de straftoemeting relevant zijn. Ook stukken die betrekking hebben op de rechtmatigheid (van de verkrijging) daarvan kunnen onder het relevantiecriterium vallen.
Het principe van ‘equality of arms’ is een fundamentele hoeksteen van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat geldt ook voor het recht op een contradictoir strafproces, wat met zich brengt dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie de mogelijkheid moeten hebben om van elkaar te weten welk bewijs zij hebben ingebracht alsmede daaromtrent opmerkingen hebben mogen maken. In de Nederlandse context zal dit – indachtig het feit dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor het opstellen van het procesdossier – ertoe leiden dat de verdediging kortgezegd toegang krijgt tot het procesdossier en het openbaar ministerie al het bewijs tegen de verdachte dat in zijn bezit is moet vrijgeven. Van ‘equality of arms’ is geen sprake als de verdediging de toegang tot het dossier wordt ontzegd. Het EHRM wijst er tevens op dat art. 6 lid 3 onder b EHRM garandeert dat de verdachte adequate tijd en gelegenheid krijgt voor het voorbereiden van zijn verdediging. Dat houdt in dat de verdediging in principe recht heeft op alle stukken die noodzakelijk zijn om de zaak voor te bereiden. De verdachte moet de mogelijkheid hebben om zijn verdediging op een passende manier en zonder beperkingen met betrekking tot de mogelijkheid om alle relevante argumenten aan te dragen om zo de uitkomst van het geding te beïnvloeden, te organiseren. Het niet vrijgeven van bewijs aan de verdediging dat zodanig is dat het de verdachte mogelijk maakt om zichzelf te ‘pardonneren’ (gedacht moet worden aan verweren die betrekking hebben op de bewezenverklaring, strafbaarheid van het feit en strafbaarheid van de dader, D.P.) ofwel strafverminderend kan werken, zou uitlopen in een weigering van het bieden van faciliteiten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiden van de verdediging en zou daarom een schending van art. 6 lid 3 onder b EVRM opleveren.
In beginsel dient de vervolgende instantie al het bewijs voor of tegen de verdachte (‘material evidence’) dat in hun bezit is aan de verdediging ter beschikking te stellen. Daarbij gaat het niet enkel om bewijs dat direct relevant is voor de beoordeling van de tenlastegelegde feiten, maar ook om bewijs dat betrekking zou kunnen hebben op de toelaatbaarheid, betrouwbaarheid en compleetheid daarvan. In de zaak Jasper tegen het Verenigd Koninkrijk heeft het EHRM bij zijn oordeel of sprake is van schending van art. 6 EVRM doordat de verdediging geen toegang had tot bewijs waarop de veroordeling steunt, betrokken dat er compenserende maatregelen waren.
Door het EHRM is verder overwogen dat de relevantie van de stukken bij het oordeel over de vraag of sprake is van een schending van art. 6 EVRM mag worden betrokken en wel in die zin dat ‘an issue of access to such evidence arises only to the extent that it was relevant for the applicant’s case (curs. D.P.), specifically that it contained such particulars which could have enabled the applicant to exonerate himself or have his sentence reduced or might have related to the admissibility, reliability and completeness of the directly relevant evidence.’ Het is aan de nationale autoriteiten om te bepalen of het bewijs in een van die categorieën valt. Daarbij mogen de aan het verzoek van de verdediging tot de toegang tot dat bewijs ten grondslag liggende argumenten worden betrokken. Een procedure echter, waarbij de vervolgende instantie zelf bepaalt wat wel of niet relevant is voor de zaak, zonder dat daarbij ‘procedural safeguards’ bestaan voor de verdediging, voldoet niet aan art. 6 lid 1 EVRM.
Ingeval de verdediging verzoekt tot ‘toegang’ tot documenten die zich niet in het procesdossier bevinden, heeft het EHRM vooropgesteld dat het recht op een eerlijk proces in die omstandigheden de verplichting kan meebrengen om die stukken te verstrekken. Daarbij is wel noodzakelijk dat de verdachte de specifieke redenen opgeeft voor dat verzoek, terwijl de rechter bevoegd is tot het onderzoeken van de validiteit van die redenen.
Bij de vaststelling van de gevolgen van voormelde jurisprudentie dient vooraleerst een onderscheid te worden gemaakt tussen ‘toegang tot het procesdossier’ en het ‘voegen van stukken in het procesdossier’. Het verschil zit hem daarin dat een procesdossier op zich de stukken inhoudt die relevant zijn voor de beoordeling van de vragen van art. 348 en 350 Sv (392 en 394 SvC); het procesdossier wordt immers met die focus door de officier van justitie opgemaakt (art. 149a Sv). Indien zich aldus stukken in het procesdossier bevinden, zijn deze reeds ‘relevant’ en kan de toegang tot dat procesdossier, art. 149b Sv daargelaten, in beginsel niet worden ontzegd aan de verdediging. Anders is het bij het tot de rechter gerichte verzoek van de verdediging of het openbaar ministerie tot het ‘voegen’ van stukken in het procesdossier. In die gevallen gaat het immers niet om de ‘toegang tot’ het procesdossier. Daarbij moet worden betrokken dat ingeval de verdachte een beroep doet op stukken die zich niet in het procesdossier bevinden, hij de redenen voor voeging van die stukken moet opgeven. De rechter zal vervolgens de validiteit van die redenen moeten onderzoeken.
De rechter kan als resultaat van een belangenafweging, waarbij hij de redenen van de verdachte in het licht van de beginselen van ‘equality of arms’ toetst op de noodzakelijkheid, in die zin dat de noodzakelijkheid wordt ingevuld door het relevantiecriterium, tot het oordeel komen dat het voegen van de door de verdachte genoemde stukken niet noodzakelijk is, omdat deze niet relevant zijn voor enige door hem te nemen beslissing. Bij dat oordeel kan de rechter in mijn ogen de aard en ‘scope’ van de documenten betrekken. Zo zullen documenten die een verslag inhouden van hetgeen door de strafrechtelijke autoriteiten in de zaak tegen de verdachte is gedaan in beginsel moeten worden gevoegd in dat procesdossier.
De wijze van beoordeling van het verzoek door het Hof
De raadsman heeft bij gelegenheid van pleidooi opnieuw verzocht om voeging van de ‘resultaten van het onderzoek’ van de Landsrecherche in het dossier omdat daarmee meer duidelijkheid kan worden verkregen over de omvang en de ernst van de drie schendingen die onder 3.3 van deze conclusie zijn weergegeven. Het Hof heeft uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, afgeleid dat volgens de verdediging de volgende normen zijn geschonden:
1. het gebruik van disproportioneel geweld bij de aanhouding, immers is de kapitein van [B] onder verantwoordelijkheid van de Kustwacht en het openbaar ministerie doodgeschoten door een militair die bij de interceptie betrokken was en is ook overigens (door militairen onder gezag van de Kustwacht) disproportioneel geweld toegepast bij de interceptie;
2. het achterwege blijven van processen-verbaal van aanhouding en inbeslagname door opsporingsambtenaren die bij de interceptie waren betrokken;
3. onwaarheden en omissies in de processen-verbaal / verslaglegging, immers staan er enerzijds bevindingen in vermeld die op de camerabeelden niet te zien zijn en zijn er anderzijds zaken weggelaten die op de camerabeelden wel zijn waar te nemen.
Het Hof heeft het verzoek tot voeging van het rapport van de Landsrecherche afgewezen. Daartoe heeft het bij de beoordeling van eerstgenoemde normschending overwogen dat in de onderhavige procedure de vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein in de gegeven omstandigheden (on)rechtmatig was (in de zin van artikel 2 EVRM), niet ter beoordeling van het Hof voorligt. Verder heeft het Hof overwogen dat de Landsrecherche een onderzoek heeft ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein, maar wat er ook zij van de uitkomst daarvan, dit onderzoek naar het oordeel van het Hof niet relevant is voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte. Zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, is het volgens het Hof niet de verdachte die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat art. 2 EVRM beoogt te beschermen. Bij de afwijzing van het verzoek tot voeging betrekt het Hof dat het onderzoek door de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.
De beoordeling van de deelklachten
Met betrekking tot de eerste deelklacht, die inhoudt dat de Straatsburgse jurisprudentie ‘duidelijk maakt’ dat het rapport van de Landsrecherche in het dossier had moeten worden gevoegd en dat het Hof daarom het verzoek daartoe ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, zie ik – anders dan de steller van het middel en zonder nadere toelichting – niet in dat en waarom de Straatsburgse jurisprudentie ‘duidelijk maakt’ dat het rapport van de Landsrecherche aan het dossier had moeten worden gevoegd en dat het Hof daarom het verzoek daartoe ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Die jurisprudentie laat immers onverlet dat de verdediging geen onbegrensd recht heeft op (voeging van) stukken en het (onder meer) aan de nationale rechter is om te bepalen of het betreffende stuk ‘relevant’ is, meer in het bijzonder ‘that it contained such particulars which could have enabled the applicant to exonerate himself or have his sentence reduced or might have related to the admissibility, reliability and completeness of the directly relevant evidence’. Bij zijn oordeelsvorming daaromtrent mag de nationale rechter betrekken hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Daarbij merk ik op dat het Hof in verband met de afwijzing van het verzoek heeft overwogen dat de vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein (on)rechtmatig was (in de zin van art. 2 EVRM) in de zaak van de verdachte niet ter beoordeling van het Hof voorligt en de uitkomst van het onderzoek van de Landsrecherche naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein – wat daar ook van zij – niet relevant is voor enig te nemen beslissing in de strafzaak tegen de verdachte. Verder heeft het Hof in dat verband overwogen dat zelfs als sprake zijn van een normschending jegens de kapitein, het niet de verdachte is die daardoor in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen is getroffen en ook ‘overigens dienaangaande’ niet is gebleken van een normschending in de zaak tegen de verdachte.
Met betrekking tot de klacht dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het door de verdediging aangedragen argument ter onderbouwing van het verzoek tot voeging van het rapport, inhoudende dat daarmee duidelijkheid wordt verkregen over de omvang en de ernst van de normschendingen, merk ik op dat het Hof het verzoek kennelijk zo heeft opgevat dat het enkel betrekking heeft op het disproportionele geweld bij de aanhouding. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, te meer nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de procureur-generaal heeft aangegeven dat het onderzoek van de Landsrecherche ‘enkel en alleen’ is gericht op de geweldstoepassing terzake van de overleden kapitein. De klacht faalt dan ook, nu de steller van het middel klaagt dat er ongemotiveerd voorbij is gegaan aan argumenten die niet aan het – door het Hof opgevatte – verzoek ten grondslag liggen. Vervolgens heeft het Hof overwogen dat de vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein (on)rechtmatig was (in de zin van art. 2 EVRM) in de zaak van de verdachte niet ter beoordeling van het Hof voorligt en de uitkomst van het onderzoek van de Landsrecherche naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein – wat daar ook van zij – niet relevant is voor enig te nemen beslissing in de strafzaak tegen de verdachte en dat zelfs als sprake zijn van een normschending jegens de kapitein, het niet de verdachte is die daardoor in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen is getroffen en ook ‘overigens dienaangaande’ niet is gebleken van een normschending in de zaak tegen de verdachte.
De tweede deelklacht, die luidt dat het Hof heeft ‘miskend’ dat het rapport van de Landsrecherche een bredere strekking heeft dan de dood van de kapitein kan ik evenmin volgen. Het Hof heeft, zoals weergegeven, het verzoek op niet onbegrijpelijke wijze opgevat als enkel en alleen betrekking hebbend op het disproportionele geweld bij de aanhouding. Tegen die achtergrond faalt deze deelklacht.
De derde deelklacht luidt dat het Hof bij de afwijzing een onjuist criterium heeft gehanteerd, door te overwegen dat het onderzoek door de Landsrecherche niet was gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen. Het Hof heeft overwogen dat de uitkomst van het onderzoek van de Landsrecherche ‘niet relevant [is] voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte’ en heeft het verzoek ‘om genoemde reden’ afgewezen. Daarmee heeft het Hof het juiste criterium gehanteerd en mist de klacht feitelijke grondslag.
De vierde deelklacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat het verzoek om voeging van het rapport van de Landsrecherche kan worden afgewezen, omdat (kortgezegd) de dood van de kapitein niet in de zaak van de verdachte voorligt en de verdachte door die dood niet is getroffen in zijn belang, onbegrijpelijk is, omdat het Hof in de strafmotivering de relevantie van de dood van de kapitein voor de strafzaak van de verdachte heeft verwoord. Het Hof heeft bij de oplegging van de straf rekening gehouden met de latere impact van de wijze waarop de achtervolging van [B] en de interceptie heeft plaatsgevonden en de ‘overige omstandigheden’ die daarbij een rol hebben gespeeld. Dat het Hof in het kader van die ‘overige omstandigheden’ onder meer de dood van de kapitein heeft genoemd, maakt niet reeds dat de beslissing van het Hof om het verzoek tot voeging van het rapport van de Landsrecherche af te wijzen onbegrijpelijk is. De vraag of een stuk in het dossier dient te worden gevoegd, moet worden beantwoord aan het hand van het noodzaakscriterium, dat wordt ingevuld door het relevantiecriterium, terwijl de rechter bij het bepalen van de straf een grote mate van vrijheid heeft en met alle omstandigheden rekening kan houden. De klacht miskent dat fundamentele verschil en faalt daarom.
Voor zover de klacht verder berust op de veronderstelling dat een onrechtmatige daad jegens een ander, ook onrechtmatig jegens de verdachte kan zijn, is die veronderstelling op zichzelf juist. Die veronderstelling vloeit echter voort uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot civielrechtelijke aangelegenheden, waaronder de vordering van de benadeelde partij. Voornoemd civielrechtelijk onrechtmatigheidsbegrip is niet één op één toepasbaar op het strafrechtelijke onrechtmatigheidsbegrip, waardoor de op zich juiste stelling naar mijn oordeel niet zonder meer toepasbaar is in het strafrecht. Los daarvan heeft het Hof niet geoordeeld dát de geweldsaanwending jegens de kapitein onrechtmatig was. Het Hof heeft geoordeeld dat de vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein onrechtmatig was (in de zin van art. 2 EVRM) in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van het Hof voorligt. Met die overwegingen heeft het Hof die veronderstelling echter – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet miskend. De klacht is daarmee gebaseerd op een onjuiste lezing van het vonnis en mist dan ook in zoverre feitelijke grondslag. Het Hof heeft verder overwogen dat zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, het niet de verdachte is die is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. In die overwegingen lees ik evenmin dat het Hof het vorenstaande daarmee heeft miskend. Ik zie in het licht van het vorenstaande tot slot niet in dat en waarom het Hof ongemotiveerd voorbij zou zijn gegaan aan het verweer dat maximale openheid die moet worden betracht in het licht van art. 2 en 3 EVRM.
De vijfde en laatste deelklacht klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het Hof het verzoek tot voeging heeft afgewezen en bij de verwerping van het verweer heeft ‘gespeculeerd’ door ‘een zekere ontlading’ aan de militairen toe te dichten.
Het Hof heeft nadat het verzoek tot het voegen van het onderzoek van de Landsrecherche in het dossier is afgewezen op de in randnummer 3.25 weergegeven gronden overwogen dat ten aanzien van het gedrag van (sommige leden van) het interceptieteam waarbij zij de verdachten zouden hebben bedreigd, beledigd en vernederd dat sommige van die gedragingen in beginsel als ongepast kunnen worden ervaren, met name na het moment dat de kapitein is neergeschoten. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat deze gedragingen in de context van de buitengewoon dynamische en risicovolle situatie dienen te worden geplaatst. Daarbij heeft het Hof genoemd dat het ging om een risicovolle en intensieve achtervolging, waarbij de vaartuigen onder hoge snelheid, op volle zee, dicht naast elkaar varen, en (sommigen van) de verdachten op enkele momenten op (vuur)wapens gelijkende voorwerpen in handen hebben danwel overboord gooien (zoals een op een machinegeweer gelijkend voorwerp en een schroevendraaier). Daarbij heeft het Hof betrokken dat de verdachten zich niet (meteen) hebben overgegeven op het moment dat enkele leden van het interceptieteam aan boord van [B] gaan en op de videobeelden ten minste enige vorm van zich afweren en/of (weg)duwen van de aan boord komende leden van het interceptieteam door de opvarenden van [B] te zien is. Het door de raadsman aangehaalde gedrag van het interceptieteam is door het Hof in het licht van deze – ook voor het interceptieteam – risicovolle situatie geplaatst, waarbij het Hof het niet onaannemelijk heeft geacht dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team. Op basis van het vorenstaande is het Hof tot de conclusie gekomen dat de gedragingen – mede gelet op de beschreven context, maar ook op het doel van de actie, te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel – geen “minimal level of severity” in de zin van de vaste rechtspraak van het EHRM opleveren en dat zich aldus geen schending van artikel 3 van het EVRM heeft voorgedaan.
Anders dan de steller van het middel kennelijk meent heeft het Hof hiermee niet ‘gespeculeerd’. Het Hof heeft slechts ‘niet onaannemelijk’ geacht dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team en heeft geoordeeld dat de gedragingen – mede gelet op de door het Hof beschreven context, maar ook op het doel van de actie, te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel – geen “minimal level of severity” opleveren. Daarmee heeft het Hof toepassing gegeven aan de in de rechtspraak van het EHRM genoemde criterium, waarbij het onder meer de context waarin de behandeling heeft plaatsgevonden, zoals een “atmosphere of heightened tension and emotions”, heeft betrokken.
Wederom geldt hier dat de vraag of een stuk aan het dossier dient te worden gevoegd moet worden beantwoord aan het hand van het relevantiecriterium, terwijl de vraag die het Hof hier voorlag – of sprake is van een ‘minimal level of severity’ als bedoeld in art. 3 EVRM – een andere afweging vergt en wel de afweging die het Hof heeft gemaakt. Daarmee is er geen sprake van de gestelde ‘speculatie’.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het tweede middel
Het middel klaagt primair over de gestelde verwerping door het Hof van het verweer dat de vervolging van de verdachte (en zijn medeverdachten) dusdanig apert onevenredig is dat geen redelijk denkend officier van justitie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging nog enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. Subsidiair klaagt het middel dat het Hof heeft verzuimd ambtshalve onderzoek te verrichten naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte (en zijn medeverdachten), terwijl die vervolging apert onevenredig is en daarmee in strijd is met het verbod van willekeur.
De steller van het middel wijst ter onderbouwing van zijn primaire klacht op de ‘eindconclusie’ in het pleidooi in hoger beroep. Die eindconclusie luidt als volgt:
“Als ooit in een zaak niet-ontvankelijkheid OM als einduitspraak een passende einduitspraak is, dan wel in deze zaak. Hoe kan worden volgehouden dat het Land nog het recht heeft op strafvervolging als op basis van de bekende feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat onder verantwoordelijkheid van het lokale OM door opsporingsambtenaren zonder enige noodzaak een man is doodgeschoten, dat die opsporingsambtenaren daarover hebben gejuicht, gelachen en feestgevierd, dat zij verdachten hebben bedreigd, beledigd, vernederd en dat - om dat alles te bedekken - een grote cover up operatie is geïnitieerd waarbij niet is geschroomd om valse processen-verbaal op te stellen.”
Volgens de steller van het middel kan deze eindconclusie bezwaarlijk anders worden begrepen dan als het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte (en de medeverdachten), omdat die vervolging ‘apert onevenredig is en geen redelijk denkend officier van justitie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging nog enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend’. Op dat verweer zou het Hof niet hebben gerespondeerd.
Het Hof heeft de door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft hij – naar het Hof begrijpt en samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting de volgende normen zijn geschonden:
1. het gebruik van disproportioneel geweld bij de aanhouding, immers is de kapitein van [B] onder verantwoordelijkheid van de Kustwacht en het openbaar ministerie doodgeschoten door een militair die bij de interceptie betrokken was en is ook overigens (door militairen onder gezag van de Kustwacht) disproportioneel geweld toegepast bij de interceptie;
2. het achterwege blijven van processen-verbaal van aanhouding en inbeslagname door opsporingsambtenaren die bij de interceptie waren betrokken;
3. onwaarheden en omissies in de processen-verbaal / verslaglegging, immers staan er enerzijds bevindingen in vermeld die op de camerabeelden niet te zien zijn en zijn er anderzijds zaken weggelaten die op de camerabeelden wel zijn waar te nemen.
1. Disproportioneel geweld bij de aanhouding
Naar het Hof begrijpt, strekt de kern van het verweer ertoe dat de aanhouding van de verdachten om de volgende redenen disproportioneel is geweest, waarbij inbreuk is gemaakt op de artikelen 2 en 3 van het EVRM:
- bij de aanhouding zijn militairen ingezet, hetgeen een uiterst zwaar middel is;
- er is veelvuldig op [B] geschoten waarin de verdachten zich bevonden;
- de kapitein van [B] is van korte afstand door zijn hoofd geschoten terwijl hij op dat moment ongewapend was en zich al vallend op zijn knieën begaf, na uit balans te zijn geraakt;
- het interceptieteam heeft tijdens de interceptie de verdachten bedreigd, beledigd en vernederd, ook nadat de kapitein was neergeschoten.
Het Hof overweegt omtrent de verschillende onderdelen van dit verweer als volgt.
Voorop wordt gesteld dat ingevolge de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curacao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet Kustwacht) de Kustwacht belast is met opsporingstaken, waaronder operaties ter bestrijding van de handel en smokkel in verdovende middelen op zee. Uit geen wetsbepaling vloeit voort dat de Kustwacht zich daarbij niet mag laten vergezellen door militairen. Nu de militairen zich aan boord van het Kustwachtschip bevonden en onder gezag stonden van de commandant van de Kustwacht waren zij naar het oordeel van het Hof in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, en indien noodzakelijk, ook bevoegd tot toepassing van gepast geweld.
Ten aanzien van het veelvuldig schieten op [B] overweegt het Hof dat uit de stukken in het dossier en uit de videobeelden van de interceptie is op te maken dat de achtervolging van [B] waarop de verdachten zich bevonden en (naar later is gebleken) een grote hoeveelheid cocaïne, door de zogeheten Friscs van de Kustwacht langere tijd heeft geduurd. Daarbij is met behulp van blauwe zwaailichten, stoptekens, verbale halt-toeroepingen en later ook waarschuwingsschoten getracht de (opvarenden van de) [B] tot stoppen te brengen. [B] is al die tijd doorgevaren, waarbij op de videobeelden te zien is dat de verdachten terug schreeuwden en aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen, overboord in zee gooiden. Gelet op het voorgaande acht het Hof het niet disproportioneel dat uiteindelijk is overgegaan tot het schieten op [B] teneinde deze tot stoppen te brengen. Bij het lossen van deze schoten, zijn de opvarenden van [B] niet geraakt.
Het verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het doodschieten van de kapitein overweegt het Hof als volgt.
Het Hof stelt voorop dat het ten zeerste te betreuren valt dat de kapitein van [B] om het leven is gekomen tijdens de interceptie. Het lijdt geen twijfel dat het doodschieten van de kapitein grote impact heeft gehad op de verdachten. Het Hof zal daar bij de strafmotivering nader bij stil staan.
De vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein in de gegeven omstandigheden (on)rechtmatig was (in de zin van artikel 2 EVRM), ligt in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van het Hof voor. De Landrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein. Wat er ook zij van de uitkomst daarvan, deze is naar het oordeel van het Hof niet relevant voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte.
Zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, is het niet de verdachte die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Nu ook overigens dienaangaande naar het oordeel van het Hof niet is gebleken van een normschending in de zaak van de verdachte in de zin van artikel 413 Sv (waaronder schending van artikel 2 en 3 van het EVRM), wordt het verweer verworpen.
Voorts wijst het Hof het herhaalde verzoek van de verdediging om voeging van het onderzoek door de Landsrecherche, om genoemde reden af. Daarbij betrekt het Hof dat het onderzoek door de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.
Het Hof overweegt ten aanzien van het gedrag van (sommige leden van) het interceptieteam, waarbij zij de verdachten zouden hebben bedreigd, beledigd en vernederd, als volgt. Het Hof heeft de door de raadsman naar voren gebrachte gedragingen van het interceptieteam op de videobeelden waargenomen en (deels) gehoord. Het Hof kan de verdediging volgen voor zover zij betoogt dat sommige gedragingen op bepaalde momenten in beginsel als ongepast kunnen worden ervaren, met name na het moment dat de kapitein is neergeschoten. Het Hof is evenwel van oordeel dat deze gedragingen in de context van de buitengewoon dynamische en risicovolle situatie dienen te worden geplaatst. Naast de hiervoor omschreven risicovolle en intensieve achtervolging is op de videobeelden ook te zien dat de vaartuigen onder hoge snelheid, op volle zee, dicht naast elkaar varen, waarbij (sommigen van) de verdachten op enkele momenten op (vuur)wapens gelijkende voorwerpen in handen hebben danwel overboord gooien (zoals een op een machinegeweer gelijkend voorwerp en een schroevendraaier). Daar komt bij dat de verdachten zich niet (meteen) hebben overgegeven op het moment dat enkele leden van het interceptieteam aan boord van [B] gaan. Op de videobeelden is ten minste enige vorm te zien van zich afweren en/of (weg)duwen van de aan boord komende leden van het interceptieteam door de opvarenden van [B] . Het Hof plaatst het door de raadsman aangehaalde gedrag van het interceptieteam in het licht van deze – ook voor het interceptieteam – risicovolle situatie en acht het daarbij niet onaannemelijk dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team. Het Hof komt tot de conclusie dat de gedragingen – mede gelet op de beschreven context, maar ook op het doel van de actie, te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel – geen “minimal level of severity” in de zin van de vaste rechtspraak van het EHRM opleveren en dat zich aldus geen schending van artikel 3 van het EVRM heeft voorgedaan.
De verweren worden verworpen.
2. Schending van de verbaliseringsplicht
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat het ontbreken van een proces-verbaal van aanhouding en van de inbeslagneming van de pakketten met verdovende middelen een normschending oplevert. Artikel 186 Sv bepaalt immers dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen (zelf) opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen door opsporing is verricht of bevonden. Dat heeft in het onderhavige opsporingsonderzoek niet plaatsgevonden. Het Hof neemt aan dat, gezien de bepalingen in de Rijkswet Kustwacht, in het interceptieteam personen aanwezig waren met opsporingsbevoegdheid. Het is niet duidelijk waarom in dit geval geen processen-verbaal van aanhouding en inbeslagname van de verdovende middelen zijn opgemaakt door betrokken opsporingsambtenaren. De opmerking van de procureur-generaal dat het de vaste werkwijze van de Kustwacht is om verslag te doen en (later) proces-verbaal op te (doen) maken, zoals in het onderhavige geval ook is gebeurd, doet de niet behoorlijke naleving van het wettelijk voorschrift niet teniet. Nu de waarheidsvinding in deze fase van het onderzoek, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat een en ander op andere wijze door de aanwezigheid van de vele camerabeelden van de interceptie gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof gecompenseerd is kunnen worden, niet wordt gediend met herstel van het verzuim – en de verdediging daarom ook niet heeft verzocht - beschouwt het Hof de normschending als onherstelbaar. Het verweer is in zoverre gegrond.
Over het gevolg dat hieraan dient te worden verbonden, overweegt het Hof als volgt. Het Hof stelt voorop dat van de aanhouding van de verdachten en de inbeslagname van de aanwezige balen (met daarin, naar later is gebleken, cocaïne) een rapport van bevindingen is opgemaakt door KLTZ [C] van de Kustwacht Caribisch Gebied, welk rapport onderdeel uitmaakt van het procesdossier. De grond voor de aanhouding is niet betwist en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding, in zijn belangen is geschaad. Voorts overweegt het Hof dat de wijze waarop de (aanleiding tot) aanhouding heeft plaatsgevonden, aan de hand van de beschikbare videobeelden gecontroleerd is kunnen worden.
Er was naar het oordeel van het Hof, mede gezien hetgeen kan worden waargenomen op de beschikbare camerabeelden, sprake van een heterdaad-situatie waarbij een ieder over kon gaan tot aanhouding en (mitsdien ook) tot inbeslagname van de verdachte pakketten (balen).
Ten aanzien van het verzuim met betrekking tot het ontbreken van een proces-verbaal terzake de inbeslagname van de drugs overweegt het Hof voorts dat de overname van de balen drugs van de Kustwacht aan het KPC zowel door de Kustwacht als het KPC is geverbaliseerd in ambtsedige processen-verbaal, net als het wegen, testen en overbrenging van de monsters naar het lab.
Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding en terzake de inbeslagname van de pakketten (met daarin cocaïne) in dit geval niet in zijn belangen is geschaad zodat met de constatering van de normschending kan worden volstaan.
3. Onwaarheden en omissies in processtukken
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het proces-verbaal van 2 augustus 2022 van “bevindingen camerabeelden interceptie” en het rapport van bevindingen KWCARIB van 26 juli 2022 onwaarheden en omissies bevatten, hetgeen volgens de raadsman een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Met de raadsman en het Gerecht heeft het Hof geconstateerd dat op de beschikbare camerabeelden niet is te zien dat er meerdere telefoons en twee machinegeweren door de verdachten overboord worden gegooid. Evenmin is te zien dat de kapitein die is neergeschoten door een van de militairen met een schroevendraaier een van de andere militairen die aan boord kwam, aanviel en dat er een gevecht ontstond. Deze feiten en omstandigheden zijn wel opgenomen in (onder meer) het proces-verbaal “bevindingen camerabeelden interceptie”. Dat er verschillen zitten tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, doet afbreuk aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen. Het Hof is van oordeel dat dit in beginsel een normschending oplevert, maar zal hieraan in dit geval geen verdere gevolgen aan verbinden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden.
Het Hof volstaat ook ten aanzien van dit onderdeel van het verweer met de constatering van de normschending.
Tot slot heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht, danwel het opmaken van een meinedig proces-verbaal vanwege – onder meer – het achterwege laten van door leden van het interceptieteam geuite bedreigingen en beledigingen ten tijde van de interceptie. Het Hof is van oordeel dat in dit geval geen plicht bestond om de dreigementen en beledigingen te verbaliseren aangezien geoordeeld kon worden dat die redelijkerwijs niet van belang zouden zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak van de verdachte zodat het verweer reeds om die reden niet kan slagen. Dit nog daargelaten de omstandigheid dat door de vastlegging van een en ander op video opnamen, de verdachte door het uitblijven van de verbalisering van de betreffende uitlatingen niet in zijn belangen is geschaad.
Conclusies ten aanzien van de verweren
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat sprake is geweest van een aantal normschendingen in het vooronderzoek, zoals hiervoor vermeld. Het Hof volstaat in dit geval met de constatering daarvan.
Al met al is het Hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd. Mede gelet op het niet ontijdig ter beschikking komen van de camerabeelden voor de verdediging en de voeging van dat materiaal aan het dossier, is het Hof van oordeel dat de procedure als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM.
De verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte worden mitsdien verworpen.”
Het Hof heeft de verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte kennelijk niet opgevat als een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege een apert onredelijke vervolging, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, maar heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd aangemerkt als afzonderlijke verweren allen strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter en die uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk acht ik die uitleg in dit geval niet. Ik meen dat de primaire klacht dan ook feitelijke grondslag mist, nu het ‘verweer’ waarop door het Hof niet zou zijn gerespondeerd, volgens het Hof in hoger beroep niet is gevoerd. Daarbij merk ik op dat de enkele omstandigheid dat de leden van het Interceptieteam niet zijn vervolgd wegens ‘levensdelicten en pogingen om die geweldsexplosie te verbergen via valse documenten’ – wat daar ook van zij – niet reeds met zich brengt dat daardoor sprake is van een ‘apert onevenredige’ vervolging van de verdachten. Daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake, zoals wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Verder berust de subsidaire klacht dat het Hof ambtshalve onderzoek had moeten doen naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat uit de stukken van het geding het rechtstreeks en ernstig vermoeden voortvloeit dat sprake is van een schending van het verbod op willekeur, op de veronderstelling dat een dergelijke ‘onderzoeksplicht’ bestaat. Die veronderstelling vindt echter geen steun in het recht. Het regime van art. 359a Sv brengt immers niet met zich dat een ambtshalve onderzoek naar vormverzuimen is vereist. Op grond daarvan geldt slechts een responsieplicht als een verweer is gevoerd dat aan de daartoe te stellen eisen voldoet.
5. Het derde middel
Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging en valt in vijf deelklachten uiteen.
De eerste deelklacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het veelvuldig schieten op [B] om deze tot stoppen te brengen niet disproportioneel is, althans dat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
De overwegingen van het Hof luiden – voor zover hier relevant – als volgt:
“Ten aanzien van het veelvuldig schieten op [B] overweegt het Hof dat uit de stukken in het dossier en uit de videobeelden van de interceptie is op te maken dat de achtervolging van [B] waarop de verdachten zich bevonden en (naar later is gebleken) een grote hoeveelheid cocaïne, door de zogeheten Friscs van de Kustwacht langere tijd heeft geduurd. Daarbij is met behulp van blauwe zwaailichten, stoptekens, verbale halt-toeroepingen en later ook waarschuwingsschoten getracht de (opvarenden van de) [B] tot stoppen te brengen. [B] is al die tijd doorgevaren, waarbij op videobeelden te zien is dat de verdachten terug schreeuwden en aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen, overboord in zee gooiden. Gelet op het voorgaande acht het Hof het niet disproportioneel dat uiteindelijk is overgegaan tot het schieten op [B] teneinde deze tot stoppen te brengen. Bij het lossen van deze schoten, zijn de opvarenden van [B] niet geraakt.”
De eerste deelklacht berust mede op de veronderstelling dat met het schieten op [B] door het interceptieteam ook is geschoten ‘op’ de vijf bemanningsleden. Die veronderstelling mist echter feitelijke grondslag, nu het Hof bij de verwerping van het verweer niet alleen heeft vastgesteld dat is overgegaan tot het schieten ‘op’ [B] , waarbij de opvarenden niet zijn geraakt, maar met bewijsmiddel 2 tevens heeft vastgesteld dat de commandant – nadat was gebleken dat waarschuwen en waarschuwingsschoten niet effectief bleken – slechts toestemming heeft gegeven voor het schieten op niet vitale delen van het vaartuig. Dat het Hof in de strafmotivering heeft overwogen dat er op [B] ‘waarop de verdachte zich bevond’ is geschoten, maakt dat niet anders omdat die overweging er niet op duidt dat ‘op’ de bemanning is geschoten.
Voor zover de eerste deelklacht opkomt tegen het oordeel van het Hof dat het schieten op [B] niet disproportioneel was, wijs ik verder op het volgende. Het Hof heeft aan zijn oordeel de volgende vaststellingen ten grondslag gelegd.
(i.) Er was sprake van een achtervolging (op volle zee);
(ii.) de achtervolging heeft langere tijd geduurd;
(iii.) met blauwe zwaailichten, stoptekens, verbale halt-toeroepingen en ook waarschuwingsschoten is getracht [B] tot stoppen te brengen;
(iv.) [B] is al die tijd doorgevaren, en
(v.) de verdachten schreeuwden terug en gooiden aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een wapen gelijkend voorwerp, overboord in zee.
Ik acht het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat het schieten op [B] niet disproportioneel was niet onjuist, noch onbegrijpelijk. Het standpunt dat het meer dan 100 maal schieten op een boot ‘nimmer’ als proportioneel kan worden beschouwd, deel ik niet, nu de beoordeling van (dis)proportionaliteit sterk afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval. Het meer dan 100 maal schieten op een boot – voor zover daar inderdaad sprake van was – is ook niet zonder meer in strijd met de regels van het Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor Aruba, Curacao en Sint-Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Genoemde regeling betreft het gebruik geweld in algemene zin en verzet zich daar niet zonder meer tegen. Het (gericht) schieten op de motor van de boot, acht ik in het licht van de vaststellingen van het Hof niet maken dat dat schieten ‘levensgevaar voor de opvarenden van [B] ’ heeft opgeleverd, noch dat de ‘risico’s niet zo veel mogelijk zijn beperkt en niet de meest lichte vorm van geweld is gebruikt’.
Voor zover de eerste deelklacht verder klaagt dat ‘het enkele feit’ dat de opvarenden van [B] op de vlucht sloegen en geen gehoor gaven aan bijvoorbeeld de blauwe zwaailichten, stoptekens en verbale halt-toeroepingen, nimmer tot het oordeel kan leiden dat het proportioneel is meer dan 100 maal te schieten op een boot – wat ook van de waarheid van dat door de steller van het middel genoemde aantal zij – miskent de steller van het middel dat het oordeel van het Hof niet op dit ‘enkele feit’ is gebaseerd, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Aan het oordeel van het Hof dat het gebruikte geweld in de gegeven situatie proportioneel was, liggen immers de door mij in randnummer 5.5 weergegeven vaststellingen ten grondslag, waaronder dat sprake was van een langdurige achtervolging op volle zee en de verdachten – naar aanleiding van de signalen van het interceptieteam – terugschreeuwden en aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen, overboord in zee gooiden.
De tweede deelklacht klaagt – evenals het eerste middel – dat het oordeel van het Hof dat (kortgezegd) de dood van de kapitein niet in de zaak van de verdachte voorligt en de verdachte door die dood niet is getroffen in zijn belang, onbegrijpelijk is, omdat het Hof in de strafmotivering de relevantie van de dood van de kapitein voor de strafzaak van de verdachte heeft verwoord. Deze klacht faalt op gronden die ik in randnummer 3.30 uiteen heb gezet. Daarbij meen ik dat de positieve verplichtingen van art. 2 en 3 EVRM waarop de steller van het middel – zonder nadere onderbouwing – een beroep doet, voor wat betreft art. 2 EVRM (recht op leven) slechts gelden jegens het slachtoffer of de nabestaanden ingeval zij in die hoedanigheid daarom vragen. Daarbij houdt de positieve verplichting van art. 3 EVRM (verbod van foltering) verband met de mogelijkheid voor de klager om een verdedigbare klacht aan de rechter voor te leggen.
De derde deelklacht klaagt over het oordeel van het Hof dat de bedreigingen, beledigingen en vernederingen niet voldoen aan de ‘minimum level of severity’, welk oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn.
De overwegingen van het Hof luiden – voor zover hier relevant – als volgt:
“Het Hof heeft de door de raadsman naar voren gebrachte gedragingen van het interceptieteam op de videobeelden waargenomen en (deels) gehoord. Het Hof kan de verdediging volgen voor zover zij betoogt dat sommige gedragingen op bepaalde momenten in beginsel als ongepast kunnen worden ervaren, met name na het moment dat de kapitein is neergeschoten. Het Hof is evenwel van oordeel dat deze gedragingen in de context van de buitengewoon dynamische en risicovolle situatie dienen te worden geplaatst. Naast de hiervoor omschreven risicovolle en intensieve achtervolging is op de videobeelden ook te zien dat de vaartuigen onder hoge snelheid, op volle zee, dicht naast elkaar varen, waarbij (sommige van) de verdachten op enkele momenten op (vuur)wapens gelijkende voorwerpen in handen hebben dan wel overboord gooien (zoals een op een machinegeweer gelijkend voorwerp en een schroevendraaier). Daar komt bij dat de verdachten zich niet (meteen) hebben overgegeven op het moment dat enkele leden van het interceptieteam aan boord van [B] gaan. Op de videobeelden is ten minste enige vorm te zien van zich afweren en/of wegduwen van de aan boord komende leden van het interceptieteam door de opvarenden van [B] . Het Hof plaatst het door de raadsman aangehaalde gedrag van het interceptieteam in het licht van deze - ook voor het interceptieteam - risicovolle situatie en acht het daarbij niet onaannemelijk dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team. Het Hof komt tot de conclusie dat de gedragingen - mede gelet op de beschreven context, maar ook op het doel van de actie, te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel - geen “minimal level of severity” in de zin van de vaste rechtspraak van het EHRM opleveren en dat zich aldus geen schending van artikel 3 EVRM heeft voorgedaan.”
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet een behandeling of bestraffing een “minimum level of severity” hebben om binnen het bereik van art. 3 EVRM te vallen. Of dat minimumniveau van ernst wordt bereikt hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de duur van de behandeling en haar lichamelijke en geestelijke gevolgen en, in sommige gevallen, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van het slachtoffer. Andere factoren zijn “the purpose for which the treatment was inflicted together with the intention or motivation behind it” en de context waarin de behandeling heeft plaatsgevonden, zoals een “atmosphere of heightened tension and emotions”.
Met betrekking tot het begrip onmenselijke behandeling herhaalt het EHRM in verschillende uitspraken dat het “has considered treatment to be ‘inhuman’ because, inter alia, it was premeditated, was applied for hours at a stretch and caused either actual bodily injury or intense physical and mental suffering”. Een behandeling kan volgens het EHRM als vernederend worden aangemerkt “when it arouses in the victim feelings of fear, anguish or inferiority capable of breaking his or her moral and physical resistance, or when it is such as to drive the victim to act against his or her will or conscience”.
Aan de klacht ligt ten grondslag dat het Hof niet heeft uitgelegd waarom naar zijn oordeel niet aan die maatstaf is voldaan. Het Hof heeft evenwel overwogen dat deze gedragingen in de context van de buitengewoon dynamische en risicovolle situatie dienen te worden geplaatst. Daarbij heeft het Hof vastgesteld:(i.) dat sprake is geweest van een risicovolle en intensieve achtervolging;
(ii.) dat op de camerabeelden is te zien dat de vaartuigen onder hoge snelheid, op volle zee, dicht naast elkaar varen, waarbij (sommige van) de verdachten op enkele momenten voorwerpen in handen hebben danwel overboord gooien, zoals een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen en een schroevendraaier;
(iii.) dat de verdachten zich niet (meteen) hebben overgegeven op het moment dat enkele leden van het interceptieteam aan boord van [B] gaan;
(iv.) dat op de camerabeelden ten minste enige vorm te zien is van zich afweren en/of (weg)duwen van de aan boord komende leden van het interceptieteam door de opvarenden van [B] .
Op basis van deze vaststellingen heeft het Hof het gedrag van het interceptieteam geplaatst in het licht van deze – ook voor het interceptieteam – risicovolle situatie en heeft het daarbij ‘niet onaannemelijk’ geacht dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van het team. Vervolgens heeft het Hof – mede gelet op de beschreven context, maar ook op het doel van de actie te weten de aanhouding op volle zee van verdachten van grootschalige drugssmokkel – geconcludeerd dat de gedragingen geen ‘minimal level of severity’ in de zin van ‘de vaste rechtspraak van het EHRM’ opleveren en er zich aldus geen schending van artikel 3 van het EVRM heeft voorgedaan.
Het Hof heeft met zijn overwegingen naar mijn mening voldoende tot uitdrukking gebracht dat en waarom naar zijn oordeel niet aan de maatstaf van ‘minimal severity’ is voldaan. Dit oordeel acht ik, verweven als het is met de feiten, evenmin onbegrijpelijk. Ik zie daarbij in het licht van de door het Hof vastgestelde context en doel van de aanhouding, niet zonder meer in dat de feiten ‘onmiskenbaar’ op een vernederende behandeling wijzen. Met betrekking tot de door de gestelde ‘speculatie’ merk ik op dat het Hof met zijn overwegingen heeft willen aanknopen bij de vaste rechtspraak van het EHRM, door bij zijn oordeel te betrekken dat het rekening heeft gehouden met de factor dat sprake is van een “atmosphere of heightened tension and emotions”. Ik zie dan ook niet in dat het Hof zich schuldig zou hebben gemaakt aan speculatie.
De vierde deelklacht keert zich tegen de verwerping van de verweren met betrekking tot de schending van de verbaliseringsplicht en de onwaarheden en omissies in processtukken.
De overwegingen van het Hof luiden – voor zover hier relevant – als volgt:
“2. Schending van de verbaliseringsplicht
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat het ontbreken van een proces-verbaal van aanhouding en van de inbeslagneming van de pakketten met verdovende middelen een normschending oplevert. Artikel 186 Sv bepaalt immers dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen (zelf) opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen door opsporing is verricht of bevonden. Dat heeft in het onderhavige opsporingsonderzoek niet plaatsgevonden. Het Hof neemt aan dat, gezien de bepalingen in de Rijkswet Kustwacht, in het interceptieteam personen aanwezig waren met opsporingsbevoegdheid. Het is niet duidelijk waarom in dit geval geen processen-verbaal van aanhouding en inbeslagname van de verdovende middelen zijn opgemaakt door betrokken opsporingsambtenaren. De opmerking van de procureur-generaal dat het de vaste werkwijze van de Kustwacht is om verslag te doen en (later) proces-verbaal op te (doen) maken, zoals in het onderhavige geval ook is gebeurd, doet de niet behoorlijke naleving van het wettelijk voorschrift niet teniet. Nu de waarheidsvinding in deze fase van het onderzoek, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat een en ander op andere wijze door de aanwezigheid van de vele camerabeelden van de interceptie gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof gecompenseerd is kunnen worden, niet wordt gediend met herstel van het verzuim – en de verdediging daarom ook niet heeft verzocht - beschouwt het Hof de normschending als onherstelbaar. Het verweer is in zoverre gegrond.
Over het gevolg dat hieraan dient te worden verbonden, overweegt het Hof als volgt. Het Hof stelt voorop dat van de aanhouding van de verdachten en de inbeslagname van de aanwezige balen (met daarin, naar later is gebleken, cocaïne) een rapport van bevindingen is opgemaakt door KLTZ [C] van de Kustwacht Caribisch Gebied, welk rapport onderdeel uitmaakt van het procesdossier. De grond voor de aanhouding is niet betwist en niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding, in zijn belangen is geschaad. Voorts overweegt het Hof dat de wijze waarop de (aanleiding tot) aanhouding heeft plaatsgevonden, aan de hand van de beschikbare videobeelden gecontroleerd is kunnen worden.
Er was naar het oordeel van het Hof, mede gezien hetgeen kan worden waargenomen op de beschikbare camerabeelden, sprake van een heterdaad-situatie waarbij een ieder over kon gaan tot aanhouding en (mitsdien ook) tot inbeslagname van de verdachte pakketten (balen).
Ten aanzien van het verzuim met betrekking tot het ontbreken van een proces-verbaal terzake de inbeslagname van de drugs overweegt het Hof voorts dat de overname van de balen drugs van de Kustwacht aan het KPC zowel door de Kustwacht als het KPC is geverbaliseerd in ambtsedige processen-verbaal, net als het wegen, testen en overbrenging van de monsters naar het lab.
Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte door het achterwege blijven van een ambtsedig proces-verbaal terzake zijn aanhouding en terzake de inbeslagname van de pakketten (met daarin cocaïne) in dit geval niet in zijn belangen is geschaad zodat met de constatering van de normschending kan worden volstaan.
3. Onwaarheden en omissies in processtukken
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het proces-verbaal van 2 augustus 2022 van “bevindingen camerabeelden interceptie” en het rapport van bevindingen KWCARIB van 26 juli 2022 onwaarheden en omissies bevatten, hetgeen volgens de raadsman een schending van artikel 6 EVRM oplevert.
Met de raadsman en het Gerecht heeft het Hof geconstateerd dat op de beschikbare camerabeelden niet is te zien dat er meerdere telefoons en twee machinegeweren door de verdachten overboord worden gegooid. Evenmin is te zien dat de kapitein die is neergeschoten door een van de militairen met een schroevendraaier een van de andere militairen die aan boord kwam, aanviel en dat er een gevecht ontstond. Deze feiten en omstandigheden zijn wel opgenomen in (onder meer) het proces-verbaal “bevindingen camerabeelden interceptie”. Dat er verschillen zitten tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, doet afbreuk aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen. Het Hof is van oordeel dat dit in beginsel een normschending oplevert, maar zal hieraan in dit geval geen verdere gevolgen aan verbinden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden.
Het Hof volstaat ook ten aanzien van dit onderdeel van het verweer met de constatering van de normschending.
Tot slot heeft de raadsman betoogd dat sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht, danwel het opmaken van een meinedig proces-verbaal vanwege – onder meer – het achterwege laten van door leden van het interceptieteam geuite bedreigingen en beledigingen ten tijde van de interceptie. Het Hof is van oordeel dat in dit geval geen plicht bestond om de dreigementen en beledigingen te verbaliseren aangezien geoordeeld kon worden dat die redelijkerwijs niet van belang zouden zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak van de verdachte zodat het verweer reeds om die reden niet kan slagen. Dit nog daargelaten de omstandigheid dat door de vastlegging van een en ander op video opnamen, de verdachte door het uitblijven van de verbalisering van de betreffende uitlatingen niet in zijn belangen is geschaad.
Conclusies ten aanzien van de verweren
Het Hof is met de verdediging van oordeel dat sprake is geweest van een aantal normschendingen in het vooronderzoek, zoals hiervoor vermeld. Het Hof volstaat in dit geval met de constatering daarvan.
Al met al is het Hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd. Mede gelet op het niet ontijdig ter beschikking komen van de camerabeelden voor de verdediging en de voeging van dat materiaal aan het dossier, is het Hof van oordeel dat de procedure als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM.
De verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte worden mitsdien verworpen.”
In het bijzonder wordt geklaagd dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer van de raadsman dat van meet af aan is geprobeerd de waarheid geweld aan te doen en met name is geprobeerd het (onjuiste) beeld te schetsen dat de kapitein is doodgeschoten, omdat deze kapitein een militair met een schroevendraaier zou hebben bedreigd. Voorts zou het Hof ten onrechte en ongemotiveerd voorbij zijn gegaan aan de bredere context van het verweer, inhoudende de schending van het recht op een eerlijk proces doordat is geprobeerd de rechter en de verdediging door een valse voorstelling van zaken te misleiden.
Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het kader van art. 359a Sv heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest als volgt overwogen:
“2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.”
Het Hof heeft met de raadsman in hoger beroep vastgesteld dat op de beschikbare camerabeelden niet is te zien dat er meerdere telefoons en twee machinegeweren door de verdachten overboord worden gegooid. Het Hof overwoog verder dat evenmin is te zien dat de kapitein die is neergeschoten door een van de militairen, met een schroevendraaier een van de andere militairen die aan boord kwam, aanviel en dat er een gevecht ontstond. Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat deze feiten en omstandigheden wel zijn opgenomen in het proces-verbaal “bevindingen camerabeelden interceptie” en daaropvolgend overwogen dat het feit dat er verschillen zitten tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, afbreuk doet aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen. Het Hof heeft geoordeeld dat dit in beginsel een normschending oplevert, maar heeft daaraan ‘in dit geval’ geen verdere gevolgen aan verbonden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden. Uiteindelijk heeft het Hof onder het kopje ‘conclusies ten aanzien van de verweren’ geoordeeld dat het ‘al met al’ van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd.
Het Hof heeft met inachtneming van het juiste beoordelingskader het verweer beoordeeld en heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad omdat een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden. Daaraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd. Daarmee is in deze zaak dus de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet in beeld gekomen.
Vervolgens heeft het Hof overwogen dat de verschillen tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, afbreuk doet aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen en in beginsel een ‘normschending’ oplevert. Daaraan heeft het Hof ‘in dit geval’ geen verdere gevolgen aan verbonden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en gecompenseerd kan worden door de beschikbaar gekomen beelden. Tot slot heeft het geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd. Daarmee heeft het Hof ook oog gehad voor de ‘bredere context’ van het verweer, te weten dat sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces doordat is geprobeerd de rechter en de verdediging door een valse voorstelling van zaken te misleiden.
Tevens wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat er in dit geval geen plicht bestond om de dreigementen en beledigingen aan het adres van de verdachte (en de medeverdachten) te verbaliseren, welk oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zou zijn.
De overweging van het Hof dat in dit geval geen plicht bestond om de dreigementen en beledigingen aan het adres van verzoeker (en de medeverdachten) te verbaliseren, omdat geoordeeld kon worden dat die redelijkerwijs niet van belang zouden zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak van de verdachte, acht ik niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik evenmin onbegrijpelijk gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de context van die dreigementen en beledigingen. In dat verband heeft het Hof het gedrag van het interceptieteam geplaatst in het licht van de – ook voor het interceptieteam – risicovolle situatie en heeft het daarbij niet onaannemelijk geacht dat sprake is geweest van een zekere ontlading bij leden van dit team. Verder wijs ik erop dat het Hof heeft overwogen dat de verdachte door het uitblijven van de verbalisering van de betreffende uitlatingen niet in zijn belangen is geschaad, nu door de vastlegging van een en ander op video-opnamen, de verdachte door het uitblijven van de verbalisering van de betreffende uitlatingen niet in zijn belangen is geschaad.
De vijfde deelklacht borduurt voort op de eerdere deelklachten en klaagt dat het oordeel van het Hof dat hoewel er sprake is geweest van een aantal normschendingen in het vooronderzoek welke het Hof constateert, al met al geen sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd en de procedure als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM, ‘in het licht van het voorgaande’ onjuist en/of onbegrijpelijk is. Nu de eerdere deelklachten mijns inziens falen, deelt deze deelklacht in dat lot. Daarbij merk ik op dat de vaststelling van één of meerdere normschendingen niet zonder meer maakt dat daarom geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Het oordeel van het Hof acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Ten overvloede
De steller van het middel klaagt in de introductie van zijn schriftuur in algemene zin over de wijze waarop rechters en vertegenwoordigers van het openbaar ministerie in deze zaak invulling hebben gegeven aan hun ambt en aan de daarbij behorende verantwoordelijkheden. Hij gaat er daarbij van uit dat professionele deelnemers aan het strafproces in deze zaak:
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat door meer dan 100 maal op zee te schieten op [B] bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de personen op [B] dodelijk zouden worden getroffen, terwijl reeds het tijdsverloop van de achtervolging maakt dat aannemelijk is dat bovendien met voorbedachte raad is geschoten;
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat een verdachte in het kader van de opsporing van strafbare feiten op lafhartige wijze door een militair of opsporingsambtenaar opzettelijk - al dan niet met voorbedachte raad - van het leven is beroofd;
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat andere verdachten, waaronder de verdachte, door militairen of opsporingsambtenaren vervolgens zijn vernederd, bedreigd en bespot;
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat grapjes zijn gemaakt over de doodgeschoten verdachte en dat de betrokken militairen en opsporingsambtenaren lachend, juichend en elkaar ophitsend te werk zijn gegaan;
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat de betrokken militairen en opsporingsambtenaren geen proces-verbaal hebben opgemaakt en er, met toestemming of op instigatie van de verantwoordelijke autoriteiten, als dieven in het holst van de nacht vandoor zijn gegaan;
• geen consequenties hebben willen verbinden aan de vaststelling dat in een proces-verbaal van bevindingen en in een door de Kustwacht opgesteld rapport op cruciale punten een weergave is gegeven van de gebeurtenissen die in strijd is met de waarheid, met als uitsluitend doel om de deelnemers aan het strafproces een rad voor ogen te draaien;
• hebben geweigerd gehoor te geven aan verzoeken om de resultaten van een onderzoek van de Landsrecherche naar de wijze van aanhouding en het daarbij toegepaste vuurwapengeweld aan het dossier toe te voegen en daarvan dus een afschrift te verstrekken aan de verdediging;
• prematuur een persbericht hebben uitgebracht waarin is gesteld dat er geen aanleiding bestaat een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar ‘het schietincident’”.
Als wordt uitgegaan van voormelde feiten en omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat de steller van het middel het standpunt inneemt dat deze zaak in de kern gaat over de vraag of strafvorderlijk overheidsoptreden aan een normatieve ondergrens is gebonden en over de vraag of de strafrechter bereid is die ondergrens te handhaven door rechtsgevolgen te verbinden aan strafvorderlijk optreden dat door die ondergrens zakt. Maar, zoals uit de bespreking van de middelen is gebleken, zijn de feiten en omstandigheden waarvan het Hof bij de beoordeling van de voorliggende strafzaak is uitgegaan – en mede gelet op de beschikbare camerabeelden ook heeft kunnen uitgaan – overwegend anders. Dat heeft vervolgens geleid tot een andere beoordeling, die wat mij betreft in cassatie in stand kan blijven.
Het Hof heeft onderkend dat de impact van het voor de ogen van de verdachte doodschieten van de kapitein door een lid van het interceptieteam groot is geweest, en heeft daarmee rekening gehouden bij de straftoemeting wegens de invoer van de cocaïne. Geen rechter in Curaçao heeft zich echter kunnen uitspreken over de vraag of de door het kennelijk Amerikaanse lid van het interceptieteam toegepaste vuurwapengeweld dat heeft geleid tot de dood van de kapitein van [B] rechtmatig is geweest. Dat zal de onvrede over de strafvervolging van de verdachte in deze zaak hebben gevoed, maar laat zich mogelijk verklaren door art. 22 van het Verdrag van San José uit 2003. Lid 6 daarvan schrijft voor dat wanneer het gebruik van geweld (volgens dit verdrag) is toegestaan en noodzakelijk is bij het aan boord gaan en doorzoeken van vaartuigen die zich zeewaarts van de territoriale zee van een Partij bevinden, de rechtshandhavingsfunctionarissen de wetten en procedures van hun Staat en de instructies van de vlaggenstaat eerbiedigen. Het vuurwapengeweld in deze zaak lijkt dus te moeten worden beoordeeld naar Amerikaans recht (en door de Amerikaanse autoriteiten).
7. Slotsom
De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 11 juni 2024. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat zal moeten leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG