ECLI:NL:RBALK:2012:BY2596

ECLI:NL:RBALK:2012:BY2596, Rechtbank Alkmaar, 11-10-2012, 12/417

Instantie Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak 11-10-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/417
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2014:2595
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002367 BWBR0005537 BWBR0032634

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat hoewel het belang van eiser door de primaire besluiten kan worden geraakt, de gevolgen van deze besluiten voor eiser niet rechtstreeks, maar eerst via een contractuele relatie tussen hem en zijn (ex-)werkgever tot stand komen. Aldus heeft eiser slechts een afgeleid belang. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet op grond van artikel 6 EVRM toegang tot de bestuursrechter. Eiser kan derhalve evenmin op die grond als belanghebbende worden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/417

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.A.M. Lamers),

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigden: mr. I.P.G.M. Rijken, mr. A. Mearadji en W.M. Steinhoff).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 mei 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder de verzoeken van Airkub B.V. (hierna: Airkub) om de aan haar verleende Air Operator Certificate (hierna: AOC) en Continuing Airwhorthiness Management Organisation Approval (hierna: CAMOA) te wijzigen door eiser als accountable manager aan te stellen, afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2012, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser niet als belanghebbende is aan te merken.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Bij brief van 2 maart 2011 heeft eiser namens Airkub de voornoemde verzoeken bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft vervolgens de primaire besluiten genomen. De primaire besluiten zijn gericht aan Offshore Marine Holding Nederland B.V. (hierna: Offshore). Offshore is, naar de rechtbank met verweerder aanneemt, bestuurder van Airkub.

Als gevolg van de primaire besluiten heeft eiser met ingang van 1 juni 2011 zijn werkzaamheden voor Airkub moeten beëindigen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet als belanghebbende bij de primaire besluiten kan worden aangemerkt. De gevolgen van de primaire besluiten komen volgens verweerder eerst via een contractuele relatie tussen eiser en Airkub tot stand. Er is sprake van een van Airkub afgeleid belang en niet van een rechtstreeks belang, aldus verweerder. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2000 (LJN: AA7514). Naar de mening van verweerder kan daarnaast niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat door Airkub inmiddels een andere accountable manager is aangesteld die verweerder heeft geaccepteerd. Er ontbreekt, aldus verweerder, een voldoende actueel en concreet belang. Verder wijst verweerder er op dat een eventuele AOC-houder die eiser in de toekomst als accountable manager zou willen voordragen de mogelijkheid heeft rechtsmiddelen aan te wenden tegen een eventuele afwijzing van een verzoek tot wijziging van een AOC en/of CAMOA. Ook om die reden is volgens verweerder sprake van een onvoldoende actueel en concreet belang aan de zijde van eiser.

4. Eiser betoogt dat hij als belanghebbende bij de primaire besluiten kan worden aangemerkt. Doordat verweerder heeft geweigerd eiser als accountable manager van Airkub te accepteren, heeft eiser niet alleen zijn werkzaamheden voor Airkub moeten beëindigen, maar is geen enkele andere luchtvaartmaatschappij op dit moment bereid eiser als accountable manager aan te nemen. Aldus bestaat er volgens eiser een direct causaal verband tussen zijn belang en de primaire besluiten. Daarnaast is de goede naam van eiser aangetast. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam door verweerder gaat volgens eiser niet op, omdat in die zaak geen sprake was van de aantasting van de goede naam van betrokkene.

5. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge art. 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge art. 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover belang, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…).

6. De rechtbank overweegt als volgt. Om van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen spreken moet er, onder meer, een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van het besluit en de belangen van degene die opkomt tegen het besluit.

De rechtbank is van oordeel dat hoewel het belang van eiser door de primaire besluiten kan worden geraakt, de gevolgen van deze besluiten voor eiser niet rechtstreeks, maar eerst via een contractuele relatie tussen hem en Airkub tot stand komen. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Airkub is daar een voorbeeld van. Aldus heeft eiser slechts een afgeleid belang en is zijn belang niet rechtstreeks bij de primaire besluiten betrokken (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 november 2009 (LJN: BK4306)).

7.1 De rechtbank overweegt verder als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007 (LJN: BB2906) in samenhang bezien met die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 juli 2006 (LJN: AY9144), volgt dat artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) er, onder omstandigheden, aan in de weg staat personen die worden geraakt in een concreet materieel belang de toegang tot de bestuursrechter te ontzeggen op de grond dat zij hun belang (uitsluitend) ontlenen aan een (toekomstige) contractuele relatie met de geadresseerde van het aangevochten besluit. Daarvan is volgens genoemde jurisprudentie sprake indien de uitkomst van een bestuursrechtelijke procedure (in verband met een vereiste publiekrechtelijke toestemming) bepalend is voor de civielrechtelijke relatie tussen werkgever en werknemer, waardoor de bestuursrechtelijke procedure een ‘civil’ karakter heeft gekregen. De werknemer heeft dan op grond van artikel 6 van het EVRM ook in de bestuursrechtelijke procedure recht op toegang tot de rechter. Er moet dan wel concreet zicht zijn op een arbeidsovereenkomst.

Blijkens de genoemde uitspraken - die zijn gedaan in procedures naar aanleiding van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning - is sprake van een voldoende concreet zicht op een arbeidsovereenkomst indien de werkgever daadwerkelijk zijn recht op afgifte van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de werknemer heeft geclaimd en zowel de werkgever als de (beoogd) werknemer bezwaar hebben gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag en zij er aldus blijk van hebben gegeven het (nog) eens te zijn over de tewerkstelling van de (beoogd) werknemer.

7.2 De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een vereiste publiekrechtelijke toestemming voor concrete arbeidsplannen. De onderhavige procedure zou dan ook in beginsel bepalend kunnen zijn voor de civielrechtelijke relatie tussen eiser en Airkub. De rechtbank stelt evenwel voorts vast dat Airkub geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van de namens haar gedane verzoeken van 2 maart 2011. Ook overigens is niet gebleken dat Airkub (nog) nastreeft eiser als accountable manager aan te stellen en hem (weer) in dienst te nemen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [naam] namens Airkub bij brief van 26 augustus 2011 aan verweerder heeft meegedeeld dat Airkub de voorliggende zaak als een privé-aangelegenheid van eiser beschouwt, alsmede dat Airkub inmiddels een andere accountable manager heeft aangesteld. Ter zitting is verder komen vast te staan dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen eiser en Airkub.

Aldus is geen sprake van een voldoende concreet zicht op een arbeidsovereenkomst. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet op grond van artikel 6 EVRM toegang tot de bestuursrechter. Eiser kan derhalve evenmin op die grond als belanghebbende worden aangemerkt.

8. Gelet op het voorgaande kan eiser niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de primaire besluiten worden aangemerkt. Nu bezwaar ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van die wet, slechts openstaat voor een belanghebbende, heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

9. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen eiser met betrekking tot de aantasting van zijn goede naam heeft aangevoerd.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zijp, voorzitter, mr. W.B. Klaus en

mr. drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Zijp
  • mr. W.B. Klaus
  • mr. drs. C.M. van Wechem

Griffier

  • mr. W.I.K. Baart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?