RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/400983-09 (PROMIS)
Datum uitspraak: 1 april 2011
verstek
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvend op het adres [adres] ,
alias
[naam alias] ,
geboren te [geboorteplaats alias] ) op [geboortedatum alias] 1983,
geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2011.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. H. Leepel.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten letsel in het gezicht en/of een zwelling op het (rechter)jukbeen en/of een hevig bloedende neus en/of een (snij)wond op de neus) heeft/hebben toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) met een of meer vuist(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat te stompen en/of te slaan en/of (met kracht) met een of meer voet(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag);
(Artikel 47 juncto 302 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair:
hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, (met kracht) met een of meer vuist(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of (met kracht) met een of meer voet(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen (terwijl die [slachtoffer] al op de grond lag);
(Artikel 45/47 juncto 302 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), (met kracht) met een of meer vuist(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of (met kracht) met een of meer voet(en) (meermalen) in/op/tegen het hoofd/gelaat en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen (terwijl die [slachtoffer] al op de grond lag), waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
(Artikel 47 juncto 300 Wetboek van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 13 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Rembrandtplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen het (voor)wiel van de fiets en/of met een of meer vuist(en) (met kracht) (meermalen) stompen en/of slaan in/op/tegen het hoofd/gelaat en/of met een of meer voet(en) (met kracht) (meermalen) schoppen en/of slaan
in/op/tegen hoofd/gelaat en/of het lichaam (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag);
(Artikel 141 Wetboek van Strafrecht)
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Waardering van het bewijs
De vaststaande feiten
Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, gaat de rechtbank van de volgende feiten en omstandigheden uit.
In de vroege zaterdagochtend van 13 juni 2009 in Amsterdam ziet [slachtoffer] op het Rembrandtplein een drietal Engels sprekende jongens staan. [slachtoffer] loopt met een fiets aan zijn hand over het plein en ziet dat een van die jongens hard tegen zijn voorwiel aantrapt en verder loopt. Door de trap klapt het stuur van de fiets om. [slachtoffer] spreekt de jongens hierop aan en loopt naar ze toe. Hij krijgt van een van de jongens een aantal harde vuistslagen in zijn gezicht waarna hij zijn evenwicht verliest en op de grond valt. De drie jongens staan om [slachtoffer] heen en trappen hem in het gezicht en tegen het lichaam. Een van de jongens heeft een bierflesje (Heineken) in zijn handen. [slachtoffer] probeert de schoppen te weren en schreeuwt om hulp: hij is bang dat hij met het Heineken-flesje gestoken zal worden. De jongens rennen weg. Door het trappen en de klappen heeft [slachtoffer] letsel in zijn gezicht opgelopen: een zwelling in zijn rechter jukbeen, een dikke - hevig bloedende - neus met een snijwond, een dikke bovenlip en hoofdpijn.
Kort na het incident worden op het Rembrandtplein drie personen aangehouden, waaronder [medeverdachte 1] en verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – kort gezegd - aangevoerd dat de onder 1 primair ten laste gelegde en de onder 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
Nu verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en zijn raadsman, mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat te Amsterdam, niet gemachtigd heeft hem ter terechtzitting te vertegenwoordigen, heeft de verdediging geen verweer kunnen voeren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte als een van de daders betrokken is geweest bij de vechtpartij op het Rembrandtplein. Zij overweegt daartoe als volgt.
Slachtoffer [slachtoffer] geeft in zijn aangifte zo nauwkeurig mogelijk aan wat hem is overkomen. Een aantal getuigen komt op die bewuste ochtend een uitgaansgelegenheid – Smokey’s op het Rembrandtplein - uitlopen en ziet dat er om het slachtoffer drie mannen staan. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zien dat er met iets (vermoedelijk een flesje) naar het slachtoffer wordt uitgehaald en dat het slachtoffer hevig begint te bloeden. Beide getuigen zien de drie personen wegrennen en horen het slachtoffer zeggen: “houd ze tegen”! Getuige [getuige 2] verklaart dat zij er vervolgens achteraan zijn gegaan, omdat zij dit “echt niet vonden kunnen”. Getuige [getuige 3] verklaart dat hij geschreeuw hoorde, zag dat er een man werd geschopt en geslagen door drie mannen, dat een van de mannen een Heineken-flesje in zijn handen had en dat hij er toen met zijn vrienden op af is gegaan. Hij verklaart verder dat zij de politie erbij hebben geroepen en de jongens konden worden aangehouden, omdat de politie van de andere kant kwam.
De getuigen zien dat het slachtoffer wordt mishandeld door drie jongens, alleen [getuige 4] ziet niemand daadwerkelijk slaan, maar ziet dat een van de jongens een fles probeert kapot te slaan om mee te steken. Alle getuigen verklaren dat zich onder het drietal jongens een jongen bevindt met een Heineken-flesje. De getuigen rennen direct achter díe wegrennende jongens aan. Getuige [getuige 4] verklaart ook dat díe jongens werden aangehouden door de politie. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een vergissing tijdens deze “heterdaad-situatie” geen sprake zijn. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende vaststaat dat de getuigen daadwerkelijk achter de juiste personen zijn aangerend en dat daarna ook de juiste personen zijn aangehouden, mede gezien het feit dat alle getuigen verklaren over een man met een Heineken-flesje, het flesje dat later overigens op aanwijzen van een getuige in beslag is genomen. Dat de getuigen verder geen precieze signalementen van de daders kunnen opgeven en dat de aangehouden drie mannen niet geheel aan die signalementen voldoen, doet daaraan niet af, nu de getuigenverklaringen en de aangifte van [slachtoffer] duidelijk sterke overeenkomsten vertonen op andere onderdelen, zoals hierboven omschreven.
Ook wordt de rechtbank gesterkt in haar oordeel door het gegeven dat het slachtoffer van een van de jongens uit het groepje (de rechtbank begrijpt van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 3] ) te horen krijgt: “we hebben ze gepakt voor je”.
Daarnaast is door dienstdoende agenten geverbaliseerd dat een drietal personen, dat betrokken zou zijn geweest bij een vechtpartij, over het plein wegrent. Deze personen zouden achtervolgd worden door een andere groep jongens (de rechtbank begrijpt bovengenoemde getuigen). De drie personen worden vervolgens door de verbalisanten staande gehouden. Op dat moment wordt middels de portofoon gehoord dat zich een andere politiepost bij het slachtoffer heeft gevoegd en dat zij samen naar de drie staande gehouden verdachten kijken. Middels de portofoon horen de verbalisanten dat het de drie personen betreft die de mishandeling hebben gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is ook in deze portofonische bevestiging gelegen dat het de juiste drie rennende personen zijn geweest die zijn aangehouden. Daaraan doet niet af dat onduidelijk is welke dienstdoende agent deze bevestiging geeft. Vaststaat dat deze verbalisanten op ambtseed verklaren dat zij die bevestiging van een andere politiepost krijgen. Verdachte is derhalve als een van de daders betrokken geweest bij de vechtpartij.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde – medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge - dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, omdat een bloeduitstorting, een oppervlakkige schaafwond of een forse zwelling op de neusbrug - vanwege het tijdelijke karakter van het letsel - niet aan te merken valt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Een dergelijke tijdelijke en herstelbare verstoring van lichamelijke functies levert derhalve geen zwaar lichamelijk letsel op. Het enkele feit dat het slachtoffer thans nog een litteken in zijn gezicht heeft als gevolg van het incident, maakt nog niet dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van poging tot zware mishandeling. De aard van het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd, correspondeert met het te verwachten letsel als gevolg van opzettelijk met kracht slaan en schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam. Verdachte had daarmee samen met zijn medeverdachten opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met twee anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Nu bovengenoemde mishandeling in de openbare ruimte, op de openbare weg – het Rembrandtplein te Amsterdam - tezamen en in vereniging met twee anderen is begaan, acht de rechtbank ook het onder 2 tenlastegelegde - openlijke geweldpleging - bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1. op 13 juni 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met kracht met vuisten meermalen in/tegen het hoofd/gelaat hebben gestompt en met kracht met voeten meermalen tegen het hoofd en het lichaam hebben geschopt en geslagen terwijl die [slachtoffer] al op de grond lag;
2. op 13 juni 2009 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg, het Rembrandtplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het met kracht schoppen tegen het voorwiel van de fiets en met vuisten met kracht stompen in/tegen het hoofd/gelaat en met voeten met kracht meermalen schoppen en slaan tegen het hoofd en het lichaam terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 1 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling in eendaadse samenloop is begaan met het onder 2 bewezenverklaarde.
Dienaangaande is in onderlinge samenhang doorslaggevend dat de bewezenverklaarde gedragingen eenheid laten zien in tijd en plaats, voor zover het onder 2 bewezenverklaarde ziet op geweld tegen personen, te weten [slachtoffer] . Om die reden kan artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vinden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met deze eendaadse samenloop en heeft deze daarin verdisconteerd.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe te wijzen tot € 1.289,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige, voor € 60,- gevorderde schade aan het dekbed, niet-ontvankelijk te verklaren, omdat benadeelde daarvoor geen nota heeft overgelegd.
Het standpunt van de officier van justitie
Nu verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en zijn raadsman, mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat te Amsterdam, niet gemachtigd heeft hem ter terechtzitting te vertegenwoordigen, heeft de verdediging geen verweer kunnen voeren.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in samenloop met openlijke geweldpleging. Deze misdrijven brengen grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Door dergelijk zinloos geweld te plegen heeft verdachte de rechtsorde schade toegebracht. Door zo te handelen heeft hij van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van zijn medemens blijk gegeven.
De rechtbank wijkt bij de straftoemeting af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, in het bijzonder omdat zij acht slaat op de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken (de LOVS-richtlijnen). Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in samenloop met openlijke geweldpleging. Voor een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van schoppen/trappen tegen het hoofd geldt op grond van de LOVS-richtlijnen als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoon van verdachte aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen.
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden.
Blijkens de vordering heeft benadeelde door de mishandeling schade geleden doordat onder andere zijn dekbedovertrek ter waarde van € 60,- bebloed is geraakt. De benadeelde heeft hiervan geen nota kunnen overleggen, waardoor de officier van justitie dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard wil zien. De rechtbank stelt echter vast dat het bedrag van € 60,- een reëel te noemen bedrag is voor een dekbedovertrek en dat daarmee de onderbouwing voldoende is. Ook dat bedrag zal de rechtbank daarom toewijzen. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.349,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.
Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander is betaald.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair onder 1 tenlastegelegd is en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4. is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:
Eendaadse samenloop van
- Medeplegen van poging tot zware mishandeling.
en
- Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] alias [naam alias], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , [adres] , toe tot een bedrag van € 1.349,- (dertienhonderdennegenenveertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.349,- (dertienhonderdennegenenveertig euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander is betaald.
Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. van den Brink, voorzitter,
mrs. F.P. Geelhoed en A.J. Wesdorp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Tanoǧlu, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 2011.