ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4444

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4444, Rechtbank Amsterdam, 24-03-2011, AWB 09-6087 WW44

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-03-2011
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB 09-6087 WW44
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2011:BU6323
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005181

Samenvatting

Herroeping van bouwvergunning na bezwaren van derden. Schaduw- en lichthinder onevenredig. Variatie in straatbeeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/6087 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

SeArch B.V. en [eiser 2],

gevestigd te Amsterdam,

eisers,

gemachtigde mr. C.J. Koenen,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. H.D. Hosper.

Tevens hebben als partij aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende A], wonende te [woonplaats],

gemachtigde: P. Commandeur,

derdebelanghebbende 1

en

[belanghebbende B], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende C], wonende te [woonplaats],

Verenigen van Eigenaren gebouw [a-straat] 4, gevestigd te Amsterdam,

gemachtigde mr. J.M. van den Berg,

derdebelanghebbenden 2,

en

[belanghebbende D], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende E], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende F], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende G]; wettelijk vertegenwoordiger [belanghebbende H], wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. M. Klijnstra,

derdebelanghebbenden 3,

en

Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad te Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

gemachtigde: J.B.H.E. Pinkse,

derdebelanghebbende 4,

en

[belanghebbende I], wonende te [woonplaats],

derdebelanghebbende 5.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder bouwvergunning en binnenplanse vrijstelling verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw [a-straat] 13,15 en 17 te [woonplaats] met bestemming daarvan tot woning met bedrijfsruimte.

Bij besluit van 27 november 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derdebelanghebbenden tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de bouwvergunning ingetrokken.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2011.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derdebelanghebbenden zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het slopen van een voormalige timmerwerkplaats, waarna de oorspronkelijke timmerwerkplaats herbouwd wordt en voorzien van twee nieuwe bouwlagen.

2. Op 1 juli 2008 is artikel 44 van de Woningwet gewijzigd. Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro (Staatsblad 2008,180) is op dit beroep artikel 44 van de Woningwet, zoals dit luidde tot 1 juli 2008, van toepassing.

3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan Nieuwmarkt 2004, dat aangeeft dat de feitelijke hoogte van een gebouw, in dit geval 3 tot 6 meter, de toegestane hoogte is.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder 9 van de planvoorschriften is verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, sub i en j tot ten hoogste de op de plankaart aangegeven goot- en bouwhoogte, in dit geval 11 tot 13 meter.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften mag toepassing van een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid niet tot gevolg hebben, dat de karakteristiek van het stadsbeeld in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk word gedaan.

Op grond van artikel 18, tweede lid en onder e van de planvoorschriften, wordt een vrijstelling ten aanzien van de overschrijding van de maximale goot- en bouwhoogte van orde 1 en orde 2 panden alleen verleend voorzover het straatbeeld dit toelaat.

4. Verweerder heeft aanvankelijk medewerking aan het bouwplan verleend maar heeft de verleende bouwvergunning na bezwaren van omwonenden ingetrokken om twee redenen: door het bouwplan verdwijnt de variatie in de gevelwand en dus de karakteristiek van het stadsbeeld en van het straatbeeld in deze historische binnenstad, terwijl dit een beschermd stadsgezicht is; en aanvankelijk is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de bewoners van de [b-straat] 12 en 14 en de [a-straat] 19.

5.1. Eisers stellen in beroep dat verweerder de vrijstelling en bouwvergunning ten onrechte heeft herroepen. De stelling in het bestreden besluit dat de vrijstelling niet goed was gemotiveerd en dat de belangen niet goed waren afgewogen is niet juist. Er is in eerste instantie een duidelijk en volledig stedenbouwkundige motivering gegeven. Er is expliciet aandacht besteed aan het behoud van variatie binnen de gevelwand. Volgens eisers zijn de toonaangevende elementen van het orde-2-pand niet alleen gelegen in de hoogte, maar ook juist in de unieke schaal, de langgerekte vorm en horizontale gevelopbouw en dakbeëindiging van de oude timmerwerkplaats. In de motivering was benadrukt dat al deze elementen met het bouwplan worden gehandhaafd en zelfs versterkt. De gevelwand blijft hierdoor voldoende gevarieerd, aldus eisers. Na realisatie van het bouwplan blijft volgens eisers ook qua hoogte voldoende variatie binnen de gevelwand bestaan, omdat deze hoogte niet gelijk is aan die van het aangrenzende pand. Uit de motivering van het primaire besluit blijkt dat de aanwezige orde 1-panden in de straat bij de stedenbouwkundige afweging zijn betrokken en daarvan is overwogen dat het ophogen van de goot- en bouwhoogte van de oude timmerwerkplaats nu juist passend is met de hoogten van de naastgelegen orde 1-panden. De Commissie voor Welstand en Monumenten (welstandscommissie) was bovendien van mening dat het bouwplan binnen het straatbeeld past en had een positief advies uitgebracht. Het bestemmingsplan voorziet bovendien in de mogelijkheid vrijstelling te verlenen voor een bouwplan tot een hoogte van 11 tot 13 meter.

5.2. Hoewel volgens het TNO het rapport de hoeveelheid zonlicht op de achtergevel van de direct omwonenden zal verminderen, is hier volgens eisers geen sprake van onevenredige beperking van de inval van zonlicht. De bezonning op de achterkant van de woningen aan de [b-straat] zal met de uitvoering van het bouwplan niet wezenlijk anders zijn dan die van de andere gebouwen aan de [b-straat]. De vermindering van daglichttoetreding door de ramen op de tweede en derde verdieping en het zolderraam van het pand [a-straat] 19 kan niet van doorslaggevende betekenis zijn volgens eisers. Deze ramen zijn nooit vergund, de mate van lichttoetreding voldoet aan de wettelijke normen van het Bouwbesluit en de verminderde lichttoetreding is niet ongebruikelijk voor woningen die in een historische binnenstad zijn gelegen.

5.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het essentieel is dat de gegeven stedenbouwkundige motivering van de verlening van de vrijstelling onvoldoende rekening heeft gehouden met het ter plaatse aanwezig straatbeeld. Het gaat hierbij om de variatie binnen een gevelwand, waarbij rekening moet worden gehouden met het aantal orde 1 en orde 2 panden. In deze straatgevel staan naast de orde 2 panden 13, 15 en 17, overwegend orde 1-panden die als toonaangevende elementen een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld. Vooral het beleidsuitgangspunt in het bestemmingsplan dat er bij het bouwen aan of op orde 2-panden dient te worden uitgegaan van behoud en herstel en het feit dat sprake is van een aanzienlijke metamorfose van het gebouw na de verbouw is onvoldoende duidelijk en volledig in het stedenbouwkundig advies uitgewerkt. Het advies van de welstandscommissie kan hieraan niet afdoen nu verweerder in tegenstelling tot de welstandscommissie van mening is dat de variatie in bouw – en goothoogte verdwijnt door de verhoging van het gebouw. Het bouwplan zorgt ervoor dat een van de bestaande toonaangevende elementen in deze straat, namelijk het lage gebouw, minder toonaangevend wordt.

Verder vindt verweerder de impact van het bouwplan op de directe leef- en woonomgeving te groot. Het bouwplan heeft grote invloed op de lichttoetreding in en de bezonning op de naburige gebouwen. Hoewel volgens het TNO-onderzoek van eiser deze gebouwen blijven voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit is sprake van een grote vermindering van het toetreden van daglicht in de gebouwen [a-straat] 19, waar twee zijramen vrijwel worden dichtgezet, en [b-straat] 12 en 14. Door de verhoging van het gebouw kan er niet worden gesproken van een goede inpassing in de stedenbouwkundige structuur, net name omdat de bestaande situatie ernstig wordt verslechterd. Dat de goot- en bouwhoogte met binnenplanse vrijstelling mogen worden verhoogd doet niet af aan het feit dat het gebouw in zijn bestaande toestand al zeer dicht tegen de omliggende bebouwing ligt.

5.5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de afweging of medewerking wordt verleend aan verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat de rechtbank de belangenafweging van verweerder terughoudend dient te toetsen, zie bijvoor¬beeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2010, LJN BN1924.

5.6. In dit geval is verweerder teruggekomen van zijn aanvankelijke bereidheid om medewerking te verlenen aan het bouwplan. Gelet op de omstandigheid dat verweerder in eerste instantie de vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend, en er een positief welstandsadvies is uitgebracht, dient een dergelijk besluit deugdelijk te worden gemotiveerd, mede gelet op de belangen van vergunninghouder. Daar staat tegenover dat ook eisers als vergunninghouder rekening moeten houden met de omstandigheid dat derden bezwaren tegen een verleende bouwvergunning en vrijstelling kunnen indienen en dat die bezwaren ertoe kunnen leiden dat verweerder een ander standpunt inneemt.

5.7 In dit geval hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het bouwplan en de daarmee gepaard gaande wijziging in het straatbeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het woongenot van vooral de zeer ondiepe woningen aan de [b-straat] 12 en 14 wezenlijk wordt aangetast omdat het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 11 tot 13 meter op een afstand van 1.30 meter van die woningen. Het bouwplan ligt ten zuiden van die woningen, zodat die woningen door het bouwplan vrijwel geheel verstoken zullen zijn van zonlicht aan de achterzijde, maar ook van een grote mate van daglicht. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat verweerder zich op het standpunt stelt dat vooral voor die woningen sprake is van een onevenredig nadeel.

Aan de voorzijde van het bouwplan wordt de bouwhoogte nagenoeg gelijkgetrokken met de aangrenzende panden omdat met de vrijstelling de maximale bouwhoogte wordt benut. Door de langgerektheid van het bouwplan voorziet het bouwplan in een lange rechte even hoge gevelwand. Naar het oordeel van de rechtbank is het noch onredelijk noch onbegrijpelijk dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat bij de verlening van de vrijstelling onvoldoende rekening is gehouden met het (verdwijnen van de variatie van het) straatbeeld, terwijl dat volgens het bestemmingsplan een aspect is waar bij de verlening van de binnenplanse vrijstelling juist op moet worden gelet.

Voor wat betreft het na aanvankelijke bezwaren van de welstandscommissie uiteindelijk positieve welstandsadvies stelt de rechtbank vast dat daarbij niet de gevolgen van licht- en luchttoetreding door het bouwplan op omliggende woningen zijn betrokken en dat de nadere toelichting van de welstandscommissie van 5 december 2008, dat door dit plan juist de historische structuur en variatie in de straat wordt gehandhaafd, niet zodanig begrijpelijk is dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft mogen stellen dat die variatie door de goothoogte van het bouwplan juist verdwijnt.

De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder na de bezwaren niet in redelijkheid terug mocht komen op zijn eerdere besluit, en evenmin voor het oordeel dat dat standpunt niet deugdelijk is gemotiveerd.

6.1 Eisers voeren ten slotte aan dat de vrijstellingsbevoegdheid van verweerder een dode letter is, omdat gezien de overwegingen in het bestreden besluit de ophoging van het p[a-straat] 13,15 en 17 praktisch nooit kan worden gerealiseerd. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 3 april 1986, te vinden in het tijdschrift BR 1986/671.

6.2 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de vrijstellingsbepaling geen dode letter is louter omdat voor dit bouwplan geen vrijstelling wordt verleend.

7. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van der Voort, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2011.

de griffier is buiten staat de rechter

de uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

‘s-Gravenhage.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.A.A.G. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?