ECLI:NL:RBAMS:2013:5910

ECLI:NL:RBAMS:2013:5910, Rechtbank Amsterdam, 18-09-2013, 511177 HA ZA 12-223

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 18-09-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 511177 HA ZA 12-223
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:766
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Vervolg op Rb. Amsterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4617. Rechtbank stelt Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvraag: Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW de verjaring stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, strekkend tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld?

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

afdeling privaatrecht

Vonnis van 18 september 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 511177 / HA ZA 12-223 van

de vereniging

VEB NCVB,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. G.F.E. Koster te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. de openbare maatschap

DELOITTE ACCOUNTANTS,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

niet verschenen,

2. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

3. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

4. de onderstaande natuurlijke personen

gedaagden,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

5. ---

6. ---

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 146] REGISTERACCOUNTANTS B.V.,

gedaagde in de hoofdzaak,

gevestigd te Papendrecht,

niet verschenen,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARJABA B.V.,

gedaagde in de hoofdzaak,

gevestigd te Papendrecht,

niet verschenen,

9 tot en met 44. de onderstaande besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

gedaagden,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 517402 / HA ZA 12-624 van

de vereniging

VEB NCVB,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het voegingsincident,

advocaat mr. G.F.E. Koster te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARHES B.V.,

gevestigd te Blaricum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARHES HOLDING B.V.,

gevestigd te Blaricum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 153] B.V.,

gevestigd te Hilversum,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 153] HOLDING B.V.,

gevestigd te Hilversum,

5. [naam 153],

wonende te [plaats],

gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het voegingsincident,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

1. De procedures

In beide (hoofd)zaken

Het verdere verloop van de procedures blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 juni 2013 (hierna: het tussenvonnis);

- de akte uitlating inzake prejudiciële vraag (r.o.v. 5.8.8. van het vonnis van 26 juni 2013) van de VEB;

- de akte uitlating prejudiciële vraag (art. 392 lid 2 Rv), met producties, van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

Bij het tussenvonnis zijn partijen op de voet van artikel 392 lid 2 Rv in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de Hoge Raad een rechtsvraag te stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing alsmede over de inhoud van de te stellen vraag.

De VEB, de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden hebben vervolgens akten genomen.

Alle genoemde partijen scharen zich (uiteindelijk) achter het voornemen van de rechtbank.

De VEB stelt als aan de Hoge Raad te stellen vraag voor: “Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt stuiten ex art. 3:317 lid 1 BW?”.

De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden stellen als aan de Hoge Raad te stellen vraag voor: “Kan een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van art. 3:317 lid 1 BW de verjaring stuiten van rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld, welke schadevergoedingsvorderingen toebehoren aan personen, wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt?”.

De rechtbank zal de Hoge Raad de door de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden geformuleerde vraag stellen. De door de VEB geformuleerde vraag houdt in wezen hetzelfde in.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis, onder 5.8.6.1, reeds uiteengezet waarom een antwoord “nodig” is in de zin van artikel 392 lid 1 aanhef BW. De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden voegen aan het daar gezegde enkele argumenten toe (akte uitlating prejudiciële vraag, onder 2 tot en met 6).

De Praktijkvennootschappen, de Holdings de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden wijzen er terecht op dat de subvraag die de rechtbank in gedachten had (sorteert de stuiting effect ten behoeve van alle in artikel 3:305a lid 1 BW bedoelde andere personen dan wel slechts ten behoeve van de leden van de VEB) zich niet laat verenigen met de door artikel 392 lid 1 Rv gestelde vereisten. De rechtbank zal daarom de Hoge Raad de subvraag niet stellen.

Artikel 392 lid 3, eerste volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt.

Het onderwerp van geschil is, kort gezegd, of de gedaagden aansprakelijk zijn voor schade die aandeelhouders Ahold volgens de VEB hebben geleden als gevolg van beroepsfouten die volgens de VEB aan de zijde van de gedaagden zijn gemaakt. De VEB heeft in dit verband een uit meerdere onderdelen bestaand petitum geformuleerd (zie het tussenvonnis, onder 3.1). In dit stadium van de procedure zijn in het bijzonder de onderdelen (iv) en (v) van belang. Die onderdelen strekken er, voor zover hier van belang, toe dat voor recht wordt verklaard dat de VEB, optredend op de voet van artikel 3:305a BW, de vorderingen van de aandeelhouders Ahold tijdig heeft gestuit.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis, onder 2.1.1 tot en met 2.10, een aantal feiten vastgesteld. In dit stadium van de procedure is in het bijzonder het onder 2.9.2 vastgestelde feit van belang: bij exploiten van 19, 20, 21 respectievelijk 22 februari 2008 heeft de VEB aan de Deloitte Maatschap, [naam 146] Registeraccountants B.V., Arjaba B.V. en aan ieder van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden een brief van haar toenmalige advocaat doen betekenen. Die brief strekt er, voor zover hier van belang, toe dat de vorderingen van de aandeelhouders Ahold door de VEB, optredend op de voet van artikel 3:305a BW, worden gestuit.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis, onder 5.8.7, de standpunten van enerzijds de VEB en anderzijds de Praktijkvennootschappen, de Holdings de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden reeds kort weergegeven. Zij heeft hen vervolgens verzocht hun standpunten (nog eens) kort maar krachtig, schematisch, samen te vatten.

De VEB betoogt – vrijwel letterlijk – het volgende (akte uitlating inzake prejudiciële vraag, onder 3 (“Schematisch overzicht van het standpunt”)):

Inleiding

De VEB stelt zich op het standpunt dat een 305a-organisatie de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt kan stuiten ex art. 3:317 lid 1 BW.

Het standpunt van de VEB blijkt uit het volgende:

A. de taalkundige/grammaticale uitleg van art. 3:305a BW en artt. 3:316-317 BW;

B. de wetssystematische/wetshistorische uitleg van art. 305a BW als grondslag voor de stuitingsbevoegdheid;

C. de teleologische uitleg van art. 3:305a BW; en

D. het ruime toepassingsbereik van art. 3:305a BW op grond van de huidige jurisprudentie.

A De taalkundige/grammaticale uitleg van art. 3:305a BW en artt. 3:316-317 BW

De taalkundige uitleg van de relevante verjaringsartikelen (artt. 3:316-317 BW) en de collectieve bevoegdheidsgrondslag zoals neergelegd in art. 3:305a BW verzetten zich niet tegen de mogelijkheid dat een 305a-organisatie de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt ook buiten rechte (ex art. 3:317 lid 1 BW) kan stuiten.

Dit standpunt volgt (onder meer) uit het volgende:

(i) in art. 3:317 lid 1 BW ontbreekt de bevoegdheidsgrondslag; art. 3:317 lid 1 BW bepaalt slechts de inhoud van de schriftelijke aanmaning/mededeling;

(ii) de gelaagde structuur van het BW brengt met zich dat deze bevoegdheidsgrondslag elders in het BW moet worden gevonden.

B De wetssystematische/wetshistorische uitleg van art. 3:305a BW als grondslag voor de stuitingsbevoegdheid

De wetgever heeft uitdrukkelijk voorzien dat een 305a-organisatie ook buiten rechte kan optreden voor degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt.

Zoals in het algemeen deel van de Memorie van Toelichting is uiteengezet, kan een 305a-organisatie immers de gemeenschappelijke schuldenaar in gebreke stellen door middel van het sturen van een schriftelijke aanmaning (voetnoot: Kamerstukken II, 1992-1993, 22 486, nr. 3 (MvT), p. 26).

Weliswaar merkt de wetgever in de artikelsgewijze toelichting op dat vanwege het belang van de partijautonomie, de 305a-organisatie niet buitengerechtelijk kan ontbinden of vernietigen (voetnoot: Volgens de wetgever is deze bevoegdheid in een collectieve actie uitdrukkelijk aan de rechter voorbehouden in een constitutief vonnis). Echter, dit doet geenszins af aan het feit dat een 305a-organisatie buitengerechtelijk de vorderingen van degenen wier gelijksoortige belangen zij behartigt, kan stuiten. Immers, anders dan bij buitengerechtelijke vernietiging of ontbinding wordt de rechtspositie van degenen wier belangen worden behartigd niet aangetast.

Overigens merkt de VEB op dat art. 3:305a lid 5 BW degenen wier belangen wordt behartigd de mogelijkheid biedt zich te onttrekken aan de gevolgen van een rechterlijke uitspraak. De partijautonomie van degenen wier belangen worden behartigd, wordt derhalve niet geraakt.

C Teleologische uitleg van art. 3:305a BW

De VEB stelt zich op het standpunt dat ter verwezenlijking van het doel van de collectieve actie – efficiënte geschillenbeslechting van gelijksoortige belangen – de bevoegdheid tot stuiting ex art. 3:317 lid 1 BW niet kan ontbreken.

Indien een 305a-organisatie vorderingen ex art. 3:317 lid 1 BW niet kan stuiten dan zou het collectief actiestelsel verworden tot een lege huls.

Een tegengestelde opvatting is ook gegeven de doelstelling van art. 3:305a BW onaanvaardbaar. Door een collectieve actie hoeft de individuele gerechtigde niet zelf zijn processuele belangen te bewaken, maar kan hij opgaan in het collectief.

Voorts is het onverenigbaar met de ‘ordeningsgedachte’ van art. 3:305a BW (het idee dat men een waaier aan individuele vorderingen trechtert naar een punt om het debat efficiënter te kunnen voeren) dat de 305a-organisatie niet de bevoegdheid zou hebben te stuiten in de zin van art. 3:317 BW. Een gecentraliseerde stuitingshandeling stroomlijnt het debat en voorkomt een wildgroei aan stuitingshandelingen (met uiteenlopende inhoud) en daarop volgende procedures.

D Het ruime toepassingsbereik van art. 3:305a BW op grond van de huidige jurisprudentie

De VEB ziet haar standpunt bevestigd in de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van collectieve acties.

De lijn van de rechtspraak van de Hoge Raad neigt in toenemende mate naar het geven van ‘ruim baan’ aan de collectieve actie. Hij heeft in een aantal uitspraken onaanvaardbare beperkingen die art. 3:305a BW praktisch onbruikbaar maken, verworpen (voetnoot: Bijv. HR 27 november 2009, LJN BH2162 (Vereniging van Effectenbezitters, Stichting VEB-Actie WOL / World Online International N.V., ABN Amro Bank N.V., Goldman Sachs International). Bovendien probeerde de Hoge Raad in de aandelenlease-arresten van 5 juni 2009 om algemene uitgangspunten te formuleren voor de afwikkeling van individuele schadeclaims die niet betrokken waren in de betreffende procedures. Ook dat wijst op een verdere poging om vergelijkbare individuele schadevergoedingsclaims zo mogelijk op een geaggregeerd niveau af te wikkelen).

Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eis van gelijksoortige belangen niet zo streng moet worden toegepast dat de belangen van de leden van de groep om wie het gaat, volledig identiek en convergerend zouden moeten zijn (voetnoot: HR 26 februari 2010, LJN BK5756 (Stichting Baas in Eigen Huis/Plazacasa), nt. [naam 154] in NTBR 2010/9, nr. 43). Ook heeft hij geoordeeld dat de aansprakelijke zich niet kan verweren tegen een 305a-actie met de stelling dat bepaalde leden van de groep geen schade zouden hebben geleden (voetnoot: HR 5 juni 2009, 08/00909, LJN: BH2822 (Aegon SprintPlan), r.ov. 4.6.12).

De VEB ziet aldus geen obstakels in eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, die zou beletten dat een 305a-organisatie de vorderingen van haar achterban ex art. 3:317 lid 1 BW kan stuiten. Sterker nog, een positief antwoord op de prejudiciële vraag past binnen de door de Hoge Raad ingezette jurisprudentie.

2.5.4.3. De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden betogen – vrijwel letterlijk – het volgende (akte uitlating prejudiciële vraag, onder 18 tot en met 24).

18 De vraag is (…) of de Brieven [zie hiervoor onder 2.5.3; rechtbank] het beoogde rechtsgevolg, namelijk het stuiten van de verjaring van de daarin omschreven vorderingen en het doen starten van een nieuwe verjaringstermijn, hebben gehad op de voet van art. 3:305a jo 3:317 lid 1. De Individuele Gedaagden [de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden; rechtbank] menen dat de Brieven niet dat rechtsgevolg hebben gehad en hebben drie redenen voor dat standpunt. Deze redenen worden hieronder conform het verzoek van de rechtbank in het Tussenvonnis sterk verkort en schematisch weergegeven.

19 De eerste reden is het tekstuele verschil tussen art. 3:316 lid 1 en art. 3:317 lid 1 BW. In eerstgenoemde bepaling is sprake van een daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde. Algemeen wordt aangenomen dat een belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a BW een daad van rechtsvervolging als bedoeld in art. 3:316 BW van de zijde van de gerechtigde kan doen (voetnoot: HR 19 december 1997, NJ 1998, 403; Kamerstuk 2 1992/1993, 22 486, nr. 5, p. 3-4). Echter in art. 3:317 lid 1 BW is slechts sprake van stuiting in geval een schriftelijke mededeling wordt gedaan waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze wetsbepaling bevat dus niet de woorden van de zijde van de gerechtigde (voetnoot: In deze zin ook AG Wesseling in haar conclusie voor HR 3 december 2010, NJ 2010, 652, § 2.15).

20 Dat impliceert dat slechts de schuldeiser zelf de handeling kan verrichten, althans, dat een belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a dat niet in die hoedanigheid kan doen.

21 De opvatting van de VEB dat een belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW de verjaring wel kan stuiten door middel van het sturen van een aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW miskent dat de wettelijke stuitingsregeling mede beoogt de belangen van de vermeende schuldenaar en die van de rechtszekerheid te beschermen. Het zenden van een aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 317 lid 1 BW is erg eenvoudig. Daarom zou de mogelijkheid om daarmee de verjaring te stuiten ten behoeve van een onbepaald aantal niet nader geïdentificeerde personen door een ander dan de schuldeiser, leiden tot een te ruime toepassing van de wettelijke stuitingsregeling, gelet op de belangen van de schuldenaar en van de rechtszekerheid en voorts gelet op het feit dat de stuitingsregeling een actief optreden van de schuldeiser verlangt.

22 De tweede reden is dat, als al mag worden aangenomen dat art. 3:317 lid 1 BW ondanks de andere bewoordingen daarvan ook van toepassing is op aanmaningen dan wel mededelingen “van de zijde van” de gerechtigde en dus niet alleen op die van de schuldeiser zelf, die aanname dan berust op het verband tussen enerzijds het sturen van een dergelijke aanmaning of mededeling en anderzijds de mogelijkheid voor de belangenorganisatie om vervolgens de desbetreffende rechtsvordering ten behoeve van de gerechtigde(n) in te stellen. Echter, in het geval van een nakomingsvordering met betrekking tot een verbintenis tot betaling van schadevergoeding te voldoen in geld (welke vorderingen de VEB blijkens de brieven onmiskenbaar heeft beoogd te stuiten) is dat ingevolge het bepaalde in art. 3:305a lid 3 BW niet mogelijk.

23 Uit de parlementaire geschiedenis van het collectieve actierecht blijkt dat de wet aan belangenorganisaties geen buitengerechtelijke bevoegdheden toekent (voetnoot: TK 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 26). Als uitzondering wordt vervolgens opgemerkt dat in verband met een in te stellen rechtsvordering kan worden aangenomen dat de belangenorganisatie een ingebrekestelling kan sturen. Uit dat “verband met een in te stellen rechtsvordering” volgt dat een aanmaning of ingebrekestelling moet zien op een rechtsvordering die een belangenorganisatie kan instellen, bijvoorbeeld nakoming van een overeenkomst of ontbinding daarvan. Voor een rechtsvordering die een belangenorganisatie niet kan instellen, zoals een vordering tot nakoming van een verbintenis tot schadevergoeding te voldoen in geld, bestaat die bevoegdheid dan dus niet. Daarom blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever een belangenorganisatie niet de bevoegdheid heeft willen geven om de verjaring van schadevorderingen “buitengerechtelijk” te stuiten op de voet van art. 3:317 lid 1 BW.

24 De derde reden is van wetsystematische aard. Met de invoering in 2005 van de Wet collectieve afwikkeling massaschade is een nieuwe stuitingsgrond in de wet opgenomen. Art. 7:907 lid 5 BW bepaalt dat het indienen van het verzoek tot verbindendverklaring van een collectieve schikkingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW de verjaring stuit van een rechtsvordering tot schadevergoeding tegen personen die partij zijn bij die overeenkomst, voor zover de overeenkomst in de vergoeding van deze schade voorziet. Deze vrij uitvoerig uitgewerkte regeling zou overbodig zijn indien een belangenorganisatie stuiting op de voet van art. 3:317 lid 1 BW kan bewerkstelligen, omdat een belangenorganisatie die partij kan zijn bij een collectieve schikkingsovereenkomst blijkens de daaraan door art. 7:907 lid 1 BW gestelde vereisten, tevens kwalificeert als belangenorganisatie in de zin van art. 3:305a BW.

Artikel 392 lid 3, tweede volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld tevens een uiteenzetting bevat dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan onderdeel a of b van het eerste lid.

De rechtbank heeft die uiteenzetting in het tussenvonnis, onder 5.8.6.2, reeds gegeven. De Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden voegen aan het daar gezegde enkele argumenten toe (akte uitlating prejudiciële vraag, onder 7), waarbij zij niet alleen een verband leggen met artikel 392 lid 1 aanhef en onder b Rv maar ook met artikel 392 lid 1 aanhef en onder a Rv.

Zoals voorgeschreven in artikel 392 lid 5 Rv zal iedere verdere beslissing worden aangehouden totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.

De rechtbank zal te gelegener tijd terugkomen op de positie van [naam 146] B.V. en Arjaba B.V., zulks naar aanleiding van de akte uitlating prejudiciële vraag van de Praktijkvennootschappen, de Holdings, de Praktijkbeoefenaren en de Overige Gedaagden, onder 27.

3. De beslissing

De rechtbank:

in beide zaken:

- stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvraag: Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW de verjaring stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, strekkend tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld?;

- draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit vonnis en een afschrift van het tussenvonnis aan de Hoge Raad te zenden;

- draagt de griffier op afschriften van andere op de procedures betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. A.P. Schoonbrood-Wessels, mr. L.S. Frakes en mr. P.R. de Geus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2013.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJF 2013/434 JONDR 2013/1175 OR-Updates.nl 2013-0335
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?