RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751902-17
RK-nummer: 17/6512
Datum uitspraak: 28 december 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 oktober 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 augustus 2017 door de procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Bordeaux (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
opgegeven adres: [adres opgeëiste persoon] ,
gedetineerd in de [PI naam] ;
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 december 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 25 augustus 2017 uitgevaardigd door de ondervoorzitter belast met het onderzoek bij de Arrondissementsrechtbank te Bordeaux (referentie [nummer] ).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4. Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
Deelneming aan criminele organisatie en
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De deputy prosecutor bij the regional court of Bordeaux heeft op 28 november 2017 de volgende garantie gegeven:
“I, the undersigned, hereby state that Mr [opgeëiste persoon] , a Dutch national, will be entitled, in case he is sentenced to a custodial sentence by a final judgement, to serve his prison term in The Netherlands pursuant tot he provisions of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences of measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.”
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.
De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
6. Artikel 13 van de OLW
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat de feiten (deels) op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. De rechtbank komt daarom niet toe aan de subsidiair gedane vordering van de officier van justitie overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW.
7. Detentieomstandigheden
Met betrekking tot de detentieomstandigheden heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu de Franse autoriteiten hebben gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in Nîmes zal worden gedetineerd.
De officier van justitie heeft verwezen naar de mail van 7 november 2017 van de Franse autoriteiten en geconcludeerd dat de overlevering dient te worden toegestaan.
De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6648, waarin kortgezegd is geoordeeld dat het ernstig vermoeden dat de situatie in het huis van bewaring in Nîmes wegens ruimtegebrek in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet is weggenomen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het e-mail bericht van 7 november 2017 van de ondervoorzitter van het Tribunal de Grande Instance te Bordeaux waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon in de omgeving van Bordeaux gedetineerd zal worden en onder geen enkele omstandigheden in Nîmes zal worden geplaatst. Dit betekent dat er voor de opgeëiste persoon geen sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie en dat de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering vormen.
8. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Bordeaux (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Smeets en A.M.G. Thijssen, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 december 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.