RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/2474 (voorheen AWB 17/16732)
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.T. ’t Jong).
Procesverloop
Met het besluit van 6 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 oktober 2017 om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 in de vorm van beschermd wonen afgewezen.
Met het besluit van 20 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018, waar de zaken AMS 18/2469, AMS 18/2474, AWB 18/793, AWB 18/1061 en AWB 18/1340 gevoegd zijn behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.
Overwegingen
Onderwerp van de procedure
Op grond van artikel 122a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw verstrekt het CAK bijdragen aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan niet-rechthebbende vreemdelingen als bedoeld in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het tweede lid gaat het daarbij om medische zorg voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard van de prestaties en de verwachte duur van het verblijf van de vreemdeling, medisch noodzakelijk acht.
Artikel 122a regelt de financiering van medisch noodzakelijke zorg aan de zorgaanbieder. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit artikel dan ook op verplichtingen jegens zorgaanbieders en niet op aanspraken van een niet-rechthebbende vreemdeling zoals eiser.
7.
Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 aangevraagd. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting uiteengezet dat aan niet rechthebbende vreemdelingen op grond van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 geen maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 kunnen worden toegekend en dat ook niet bemiddeld wordt naar zorgverleners. Met organisaties als HVO en het Leger des Heils is slechts een relatie in het kader van het uitvoeren van 24-uurs opvang op grond en binnen de grenzen van het Programma Vreemdelingen.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Raad van 26 november 2015. Uit deze uitspraken blijkt dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat medisch noodzakelijk zorg in de vrijheidsbeperkende locatie voorhanden is. Verder volgt uit deze uitspraken dat, anders dan voorheen, de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet (meer) worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015. In de uitspraak van 22 februari 2017 heeft de Raad bevestigd dat vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is geen aanspraak kunnen maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015.
Gelet op deze uitspraken ziet de rechtbank geen aanleiding voor doorbreking van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
8. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoefde verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.