2. De vorderingDe vordering van de officier van justitie van 25 maart 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 110.770,40.Ter terechtzitting van 17 juli 2019 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in die zin dat zij het geschatte voordeel stelt op € 82.603,35.Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft een gedeelte van de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3. Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2018 onder meer ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde:van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
ten aanzien van het in zaak E bewezen verklaarde: oplichting.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
4. Wederrechtelijk verkregen voordeel
De raadsvrouw heeft de vordering van de officier van justitie weersproken conform de door haar ingediende conclusie van antwoord en de aan dit vonnis gehechte pleitnota.De officier van justitie heeft haar reactie op de conclusie van antwoord verwoord in een e-mailbericht van 16 juli 2019.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de bewezenverklaring in het vonnis van 4 juli 2018. Dat [veroordeelde] zich niet met dit vonnis kan verenigen en een andere lezing van de feiten heeft, speelt in de onderhavige procedure geen rol.
Omdat de rechtbank in de onderliggende strafzaak tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan waarvan in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 21 november 2018 wordt uitgegaan, zal de rechtbank dit rapport bij de berekening niet als uitgangspunt nemen.
De rechtbank komt op basis van datgene wat in het vonnis van 4 juli 2018 is opgenomen tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van het onder A bewezenverklaarde:
Bewezen is verklaard dat [veroordeelde] zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank is op basis van hetgeen vermeld onder 4.3.5. en 5 van voornoemd vonnis van oordeel dat het voordeel uit dit strafbare handelen dient te worden geschat op € 56.603,35.
De rechtbank merkt in het bijzonder op dat het betoog van de verdediging inhoudende dat [veroordeelde] een lager voordeel heeft genoten, niet aannemelijk is geworden. De rechtbank acht tevens niet aannemelijk geworden, gelet op [veroordeelde] zijn verklaring bij de politie, dat [veroordeelde] de uitgave aan de trapbekleding niet zelf heeft verricht.
Ten aanzien van het onder E bewezenverklaarde:Bewezen is verklaard dat [veroordeelde] zich op 4 september 2014 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [slachtoffer] door – kort gezegd – [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van € 26.000, - voor een niet geleverde personenauto. Op basis hiervan schat de rechtbank het door [veroordeelde] verkregen voordeel door middel van de oplichting op € 26.000, -.
Aan [veroordeelde] is in de onderliggende strafzaak de verplichting opgelegd tot betaling van € 26.000, - aan het slachtoffer [slachtoffer] . Nu het bedrag nog niet is betaald, ziet de rechtbank geen reden de € 26.000, - in mindering te brengen op het door [veroordeelde] verkregen voordeel. Bij voordeel verkregen na 1 januari 2014 komt de in rechte toegekende vordering namelijk slechts voor aftrek in aanmerking indien en voor zover het bedrag is betaald (Hoge Raad 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene door middel van voornoemde strafbare feiten een voordeel verkregen dat de rechtbank schat op (€ 56.603,35 + € 26.000, -) € 82.603,35.
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden van het in de bijlage opgenomen bewijsmiddel (het vonnis van 4 juli 2018).
5. Verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 82.603,35.
6. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 82.603,35.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 82.603,35 (tweeëntachtigduizend zeshonderddrie euro en vijfendertig eurocent) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,
mrs. A.F. van Hoorn en H.E. Hoogendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2019.
De jongste en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.