RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2019 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/2737
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. N.J. Loekemeijer),
en
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie Strategie, divisie Juridische Zaken, verweerder
.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar.
Verweerder heeft stukken ingediend en een schriftelijke reactie gegeven.
De rechtbank doet uitspraak zonder een rechtszitting te houden.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Op 14 december 2017 heeft eiseres bij verweerder een Wob-verzoek ingediend. Eiseres heeft verzocht om – samengevat – een overzicht vanaf 2015 tot op heden van dierenwelzijns- en diergezondheidscontroles en meldingen bij slachterijen, veetransport en veehouders met betrekking tot herkauwers, varkens en pluimvee.
Bij het primair besluit van 20 februari 2018 heeft verweerder naar aanleiding van het Wob-verzoek van eiseres bepaald dat het verzoek niet onder de reikwijdte van de Wob valt. Volgens verweerder zijn de door eiseres opgevraagde documenten reeds openbaar en voor een ieder toegankelijk.
Eiseres heeft op 29 maart 2018 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 5 april 2018 heeft verweerder de beslistermijn op het verzoek met zes weken verdaagd. Eiseres heeft bij brief van 27 juni 2018 verweerder in gebreke gesteld.
Bij brief van 23 juli 2018 heeft eiseres vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
Bij uitspraak van 24 oktober 2018 heeft de rechtbank verweerder opgedragen uiterlijk op 29 november 2018 een besluit te nemen op straffe van een dwangsom.
Op 5 maart 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Op 16 mei 2019 heeft eiseres wederom beroep ingesteld omdat verweerder nog altijd geen beslissing op haar bezwaar heeft genomen.
De beroepsgrond van eiseres
2. Eiseres verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat verweerder op een door de rechtbank te bepalen (korte) termijn alsnog een besluit neemt, zulks op straffe van een naar redelijkheid vast te stellen dwangsom per dag dat geen besluit is genomen.
Het standpunt van verweerder
3. Verweerder heeft opgemerkt dat de stukken zoals die zijn ingediend door eiseres volledig zijn en dat de geschetste procesgeschiedenis ook juist is. Verder heeft verweerder kenbaar gemaakt dat nog geen beslissing op bezwaar is genomen en dat hij geen duidelijkheid kan geven over de termijn waarop die kan worden verwacht.
Het oordeel van de rechtbank
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
Eiseres heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van dit beroep. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan. De rechtbank heeft verweerder in de eerdergenoemde uitspraak van 24 oktober 2018 namelijk opdracht gegeven om uiterlijk op 29 november 2018 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Aan die opdracht heeft verweerder niet voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom van eiseres redelijkerwijs niet gevergd worden dat zij verweerder hiervoor opnieuw in gebreke stelt . De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019.
Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden, en dat verweerder tot op heden geen beslissing op het bezwaar heeft genomen. Het beroep van eiseres is, gelet op het voorgaande, dus gegrond.
5. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn stellen. Verweerder heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht wat de stand van zaken is ten aanzien van het te nemen besluit, maar daarbij geen duidelijkheid kunnen geven over de beslistermijn. De rechtbank ziet hierin dan ook geen bijzondere omstandigheden die tot een andere termijn zouden moeten leiden. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat de oorspronkelijke beslistermijn ruimschoots is overschreden en verweerder al eerder niet tijdig gevolg heeft gegeven aan een opdracht van de rechtbank.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 256,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.