RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751496-19
RK nummer: 19/3683
Datum uitspraak: 29 augustus 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2018 door de District Court of Miskolc (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 2001,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [plaats detentie],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn, waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen, met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een warrant for arrest issued by the Criminal Investigation Department of the Police Station of Debrecen that was upheld by the District Investigator Prosecutor’s Office of Debrecen on 10 July 2018. The Police Station of Debrecen issued the warrant for arrest on 20 June 2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat het EAB nietig moet worden verklaard. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat in onderdeel d) van het EAB vermeld staat dat de opgeëiste persoon op 13 september 2017 in persoon is gedagvaard, terwijl deze datum voor de pleegperiode ligt.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de overige informatie in het EAB – waaronder de informatie in onderdeel b), onderdeel c) en het ingevulde Form A – ziet de onderhavige zaak op een vervolgings-EAB. Dit volgt ook uit onderdeel d), nu dit voor het overige niet is ingevuld. Bovendien ligt de betekeningsdatum – zoals door de raadsman zelf aangevoerd – vóór de periode, waarin de feiten zouden zijn gepleegd.
Aldus is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. De rechtbank verwerpt het verweer.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
5. Minderjarigheid; artikel 10 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat – hoewel de opgeëiste persoon minderjarig is – niet uit het EAB blijkt dat het adolescentenstrafrecht op de opgeëiste persoon van toepassing is verklaard. Bovendien is de Hongaarse maximumstraf voor deze feiten hoger dan de straf die op grond van artikel 77i van het Wetboek van Strafrecht in Nederland maximaal kan worden opgelegd indien het adolescentenstrafrecht van toepassing is. Om die reden dient de overlevering te worden geweigerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de pleegdatum van de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen, te weten de periode van 2 tot en met 25 november 2017, de in artikel
10 OLW genoemde minimumleeftijd van 12 jaar reeds had bereikt.
Voorts wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
23 januari 2018 (ECLI :EU:C:2018:27). In dat arrest heeft het Hof onder meer overwogen (punt 50) dat het waarborgen van de rechten, waaronder die van minderjarigen, in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de uitvaardigende lidstaat, waarbij ervan dient te worden uitgegaan dat deze lidstaat het Unierecht en in het bijzonder de in dit recht erkende grondrechten eerbiedigt. Voorts dient artikel 3, punt 3 van het Kaderbesluit zo te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat alleen moet nagaan of de betrokkene de minimumleeftijd heeft bereikt om in de uitvoerende lidstaat verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het aanhoudingsbevel. De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat hoeft geen rekening te houden met eventuele aanvullende voorwaarden die in het nationale recht van deze lidstaat worden gesteld voor de vervolging of eventuele veroordeling van een minderjarige (punt 62). Ingevolge artikel 486 van het Wetboek van Strafvordering is de minimumleeftijd voor strafrechtelijke vervolging volgens Nederlands recht dezelfde als genoemd in artikel 10 OLW, te weten 12 jaar.
Aldus is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet slaagt en verwerpt zij het verweer.
6. Flagrante schending artikelen 3, 5 en 6 EVRM
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat de opgeëiste persoon zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, wat – omdat de opgeëiste persoon minderjarig is – leidt tot een flagrante schending van de artikelen 3, 5 en 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en daarom is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
De loutere stelling van de raadsman dat de opgeëiste persoon zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar vormt niet voldoende onderbouwing voor het standpunt dat sprake zal zijn van een flagrante schending van een van de rechten als beschermd door het EVRM. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het simpelweg optellen van de maximumstraffen voor de drie feiten (te weten 2, 2 en 3 jaar gevangenisstraf) niet leidt tot de straf die waarschijnlijk aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd.
Aldus is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet slaagt en verwerpt zij het verweer.
7. Detentieomstandigheden
Inleiding
Uit de aanvullende brief van 10 juli 2019 van het Hongaarse Ministerie van Justitie volgt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering eerst maximaal twee tot drie weken in de Budapest Penitentiary zal worden geplaatst. Vervolgens zal de opgeëiste persoon – omdat hij minderjarig is – in de Baranya County Remand Prison worden geplaatst. Tot slot zal de opgeëiste persoon – zodra hij meerderjarig is – in de Szombathely National Prison of in de Tiszalök National Prison worden geplaatst.
Tussenuitspraak 6 augustus 2019
Deze rechtbank heeft in dit kader op 6 augustus 2019 een tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2019:5853) gewezen, waarbij onder meer het volgende is uiteengezet:
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU (ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).
De rechtbank stelt voor wat betreft de detentieomstandigheden in Hongarije het volgende vast:
De meest recente veroordeling van Hongarije wegens schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dateert van 5 juli 2016 (Bandur/Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:07050705JUD005013012) en zag op een detentie in 2012. Sindsdien heeft het EHRM alleen beslissingen genomen waarbij klachten over detentieomstandigheden in Hongarije niet-ontvankelijk zijn verklaard, hetzij omdat de klager geen gebruik had gemaakt van de nieuwe Hongaarse regeling die zowel in preventieve als in compensatoire rechtsmiddelen tegen slechte detentieomstandigheden voorziet (Domján/Hongarije, 14 november 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1114DEC000543317), hetzij omdat de klager wel gebruik had gemaakt van die regeling, maar de nationale klacht nog hangende is (Fülöp/Hongarije, 31 januari 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0131DEC001401015 betreffende een klacht bij het EHRM uit 2015) of de klacht is afgedaan met een adequate vergoeding, zodat klager niet langer de status van slachtoffer van een schending van artikel 3 EVRM heeft (Magyar/Hongarije, 29 november 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1129DEC003326216 betreffende een klacht bij het EHRM uit 2016). In de zaak Molnár e.a./Hongarije (31 december 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1213DEC000710112) zijn op deze wijze 305 klachten bij het EHRM niet-ontvankelijk verklaard, waarvan de oudste dateerde uit 2012 en de meest recente uit 2015. De rechtbank is niet op de hoogte van klachten over de detentieomstandigheden in Hongarije bij het EHRM die dateren van na 2015.
Daarnaast heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat het meest recente algemene rapport van het CPT over de detentiecentra in Hongarije dateert van 30 april 2014 op basis van een bezoek in 2013. Meer recente rapporten van het CPT zien met name op de border police, immigration and asylum detention centres en transit-zones. Op dit moment is een nieuw rapport in voorbereiding op basis van een bezoek in november 2018.
Voorts heeft de rechtbank het onderzoek in die zaak heropend, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of de rechtspraak van het EHRM en de bevindingen van het CPT nog wel kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens” waarop de conclusie kan worden gebaseerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen.
De rechtbank heeft partijen in de onderhavige zaak op voorhand op de hoogte gebracht van deze voornoemde tussenuitspraak.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – kort gezegd – betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de European Committee for the Prevention of Torture (CPT) de Budapest Penitentiary heeft bezocht en het rapport omtrent dit bezoek nog niet is gepubliceerd. Aldus staat niet vast dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in die detentie-instelling onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – kort gezegd – betoogd dat niet langer kan worden geconcludeerd dat gedetineerden in Hongarije in het algemeen een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling lopen, waarbij zij heeft verwezen naar de voornoemde tussenuitspraak van 6 augustus 2019.
Oordeel van de rechtbank
Tijdens de behandeling ter zitting zijn geen nieuwe gegevens over de detentieomstandigheden in Hongarije naar voren gebracht. Gelet op hetgeen hiervoor is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat de gegevens op basis waarvan zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, niet langer kunnen worden aangemerkt als “naar behoren bijgewerkte gegevens”. Evenmin beschikt zij over nieuwe gegevens op basis waarvan een dergelijk reëel gevaar kan worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer kan worden geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden, sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.
De rechtbank verwerpt het verweer.
8. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court of Miskolc. Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 augustus 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.