ECLI:NL:RBAMS:2019:7158

ECLI:NL:RBAMS:2019:7158, Rechtbank Amsterdam, 01-10-2019, AWB - 19 _ 4463

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-10-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 19 _ 4463
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0006358

Samenvatting

Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden. Toewijzing vovo/bezwaar. Afgezien van één feit 8 WVW een goede staat van dienst, Daarom effectuering intrekking gedurende bezwaarfase minder gewicht dan belang verzoeker om inkomen te behouden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

de korpschef van politie

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4463

(gemachtigde: mr. K. Cras),

en

(gemachtigde: mr. R.P. Nijssens).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft de korpschef de aan beveiligingsorganisaties [naam] en [naam] verleende toestemmingen om verzoeker beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als getuigen zijn gehoord [naam] en [naam] , beiden [functie] / [functie] van verzoeker.

Overwegingen

Het bestreden besluit

1. Op 10 juli 2017 en 26 september 2017 heeft de korpschef aan beveiligingsorganisaties [naam] en [naam] toestemming verleend om verzoeker beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Deze toestemming heeft de korpschef met het bestreden besluit ingetrokken omdat de korpschef bekend is geworden dat verzoeker op 28 februari 2019 onherroepelijk is veroordeeld voor rijden onder invloed. Volgens de korpschef is rijden onder invloed zeer ernstig. Dit feit maakt verzoeker onvoldoende betrouwbaar, aldus de korpschef.

Het standpunt van verzoeker

2. Verzoeker betoogt dat gelet op de omstandigheden geval verweerder had moeten afzien van intrekking van de toestemming. Het gaat om een eenmalig verkeersmisdrijf dat relatief licht is bestraft. Van bijkomende feiten is geen sprake. De kans op recidive is nihil. Verzoeker heeft een goede staat van dienst. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met belangen van verzoeker.

De beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter beoordeelt of het van verzoeker bij de schorsing van het besluit tot de beslissing op bezwaar zwaarder weegt dan het belang dat de korpschef heeft bij onmiddellijke effectuering van dit besluit. De voorzieningenrechter neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker verliest door de intrekking zijn inkomen, maar heeft wel vaste lasten, waaronder een hypotheek, en moet een gezin onderhouden. Omdat zijn echtgenote parttime werkt, heeft verzoeker er belang bij om zijn werkzaamheden als beveiliger te kunnen voortzetten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van verzoeker te verlangen dat hij onderbouwt dat het resterende gezinsinkomen ontoereikend is om de vaste lasten te betalen.

De intrekking berust uitsluitend op de omstandigheid dat eiser is veroordeeld ter zake van het plegen van een misdrijf, te weten rijden onder invloed. Hij is op 13 januari 2019 aangehouden met een ademalcoholgehalte van 345 μg/l. De toegestane norm is 220 μg/l. De zaak is afgedaan met een strafbeschikking van € 325,-. Niet ter discussie staat dat verzoeker voor- en nadien niet voor andere feiten is vervolgd. Verder is van belang dat de strafbaarstelling van rijden onder invloed ten doel heeft de verkeersveiligheid te bevorderen. Het gaat dus niet om een gewelds-, vermogens- of zedenmisdrijf dat rechtstreeks verband zou houden met verzoekers beveiligingswerkzaamheden. Verder heeft verzoeker inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen.

Verzoeker werkt al geruime tijd in de beveiligingsbranche. Hij is in 2005 begonnen als [naam] betaald [naam] . Sinds 2008 werkt hij (ook) als [naam] . Niet in geschil is dat over hem geen andere meldingen dan het genoemde misdrijf bekend zijn. Verzoeker heeft een goede staat van dienst. Dit hebben twee opdrachtgevers die ter zitting als getuigen zijn gehoord bevestigd. Ook buurtregisseur [naam] heeft dit bevestigd. Deze buurtregisseur heeft in een telefoongesprek van 15 juli 2019 aan de vertegenwoordiger van de korpschef laten weten dat hij geruime tijd met verzoeker op het [straatnaam] heeft gewerkt, dat hij altijd blij was verzoeker aan het werk was en dat hij verzoeker beschouwt als een goede beveiliger.

Het publieke belang dat volgens de korpschef met de intrekking van de toestemming is gediend, is het behoud van de kwaliteit van de beveiligingsbranche. In het licht van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden weegt dat belang niet zo zwaar dat de intrekking gedurende de bezwaarfase al moet worden geëffectueerd. Verzoekers belang om tot de beslissing op bezwaar zijn inkomen te behouden weegt daarom zwaarder. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen.

4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

De voorzieningenrechter zal verweerder ook opdragen om het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op

bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoeker te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?