RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser,
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/2657
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Partijen worden hierna [eiser] en het college genoemd.
Procesverloop
In het besluit van 28 september 2018 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van [eiser] tot herziening van het besluit op bezwaar van 15 juni 2018 afgewezen.
In het besluit van 4 april 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 november 2019. Partijen waren, met voorafgaande afmelding, niet aanwezig.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [eiser] is het niet eens met een besluit van 3 november 2008. In dit besluit is zijn aanvraag voor bijstand afgewezen, omdat zijn vermogen boven de geldende norm lag. Volgens [eiser] is zijn studieschuld in dit besluit ten onrechte niet aangemerkt als negatief vermogen. Hij heeft daarom meerdere malen verzocht om herziening van het besluit van 3 november 2008.
2. Op 21 december 2017 heeft het college een herzieningsverzoek van [eiser] afgewezen. Het bezwaar van [eiser] tegen deze beslissing is ongegrond verklaard op 15 juni 2018. [eiser] heeft hierna verzocht om herziening van die beslissing van 15 juni 2018. In deze procedure draait het om dit verzoek.
Het standpunt van [eiser]
3. In zijn beroepschrift benadrukt [eiser] dat zijn studieschuld destijds als negatief vermogen had moeten worden aangemerkt. Volgens [eiser] volgt uit de wet dat hij deze schuld daadwerkelijk moet aflossen. [eiser] heeft daarnaast correspondentie van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) overgelegd. Volgens [eiser] volgt daaruit dat zijn studieschuld – anders dan het college aanneemt – niet zal worden kwijtgescholden. [eiser] wijst er op dat hij in 2010 wel een bijstandsuitkering heeft gekregen en dat zijn studieschuld toen wél is aangemerkt als negatief vermogen. Daarnaast wijst [eiser] er op dat de Belastingdienst een studieschuld wel aanmerkt als negatief vermogen.
Wat vindt de rechtbank van deze zaak?
4. Voor herziening van een besluit zijn nieuwe feiten of omstandigheden nodig. Herziening is niet bedoeld om opnieuw een discussie te voeren en ook niet om een discussie over de juistheid van een besluit te openen. Er moeten nieuwe feiten en omstandigheden zijn die na het besluit van 15 juni 2018 zijn voorgevallen of die [eiser] vóór het besluit van 15 juni 2018 niet kende en redelijkerwijs ook niet heeft kunnen kennen. Als dit niet het geval is, hoeft het college het besluit niet te herzien. Dit is alleen anders als het besluit evident onredelijk is.
5. [eiser] heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden genoemd. De door [eiser] genoemde feiten en omstandigheden waren al bekend vóór het besluit van 15 juni 2018 en konden op dat moment worden aangevoerd. Dat heeft [eiser] ook gedaan. De door [eiser] overgelegde correspondentie met DUO van latere datum bevat geen informatie die eerder niet bekend was.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is. Het is vaste jurisprudentie dat een studieschuld in het kader van bijstandverlening niet wordt aangemerkt als negatief vermogen. Dit volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3394). De reden hiervoor is dat het niet op voorhand vaststaat dat een studieschuld daadwerkelijk geheel moet worden terugbetaald. Het uitgangspunt is weliswaar dat de studieschuld moet worden afgelost, maar de verplichting tot aflossing is afhankelijk van de draagkracht van [eiser] . Als er aan het einde van de aflossingsperiode nog een schuld openstaat, hoeft [eiser] deze niet terug te betalen. De beslissing van het college is dus niet evident onjuist.
7. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het herzieningsverzoek van [eiser] terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.