ECLI:NL:RBAMS:2020:6091

ECLI:NL:RBAMS:2020:6091, Rechtbank Amsterdam, 02-12-2020, 20/3273 e.v.

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 02-12-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/3273 e.v.
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:501
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001987 BWBR0005537 BWBR0012092

Samenvatting

De rechtbank oordeelt dat de wet (Wet AVV en Wet Bpf) de minister niet de mogelijkheid biedt om de cao’s en de verplichting tot deelname aan de bedrijfstakpensioenfondsen in die sectoren buiten toepassing te laten op het moment dat deze algemeen verbindend zijn verklaard en verplicht zijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/3273, 20/3275, 20/3278, 20/3365, 20/3507, 20/3508, 20/3510, 20/3628, 20/3716, 20/3720, 20/3724, 20/3738, 20/4084, 20/4252 en 20/3522.

1. [eiser(es) 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3273),

2. [eiser(es) 2], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3275),

3. [eiser(es) 3], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3278),

4. [eiser(es) 4], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3365),

5. [eiser(es) 5], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3507),

6. [eiser(es) 6], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3508),

7. [eiser(es) 7], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3510),

8. [eiser(es) 8], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3628),

9. [eiser(es) 9], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3716),

10. [eiser(es) 10], wonend te [vestigingsplaats] (20/3720),

11. [eiser(es) 11], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3724),

12. [eiser(es) 12], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3738),

13. [eiser(es) 13], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/4084),

14. [eiser(es) 14], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/4252),

15. [eiser(es) 15], gevestigd te [vestigingsplaats] (20/3522),

eisers

(gemachtigden in alle zaken: [naam] , [naam] en [naam] ),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Procesverloop

Eisers hebben de minister verzocht om de collectieve arbeidsovereenkomsten (de cao’s) [naam] , [naam] en [naam] en de verplichting tot deelname aan de bedrijfstakpensioenfondsen in die sectoren vanaf 2007 buiten toepassing te laten. De minister is niet op dit verzoek ingegaan. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben ieder afzonderlijk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Beroepen die zijn ingediend bij andere rechtbanken zijn op verzoek van partijen doorgezonden naar de rechtbank Amsterdam .

De minister heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld op de zitting van 23 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder waren aanwezig [naam] (eiser 1), [naam] (eiser 2), [naam] en [naam] (eiser 3), [naam] en [naam] (eiser 4), [naam] (eiser 5), [naam] en [naam] (eiser 6), [naam] (eiser 8), [naam] (eiser 11) en [naam] (eiser 13).

Overwegingen

Het oordeel van de rechtbank
Conclusie

Waarover gaan deze zaken?

3. De minister heeft de bezwaren om procedurele redenen niet inhoudelijk behandeld. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De minister vindt dat de brief van 23 december 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De afwijzing van het verzoek van eisers is volgens de minister een informatieve mededeling waar geen rechtsgevolgen aan zijn verbonden. Daartegen is geen bezwaar mogelijk.

4. Eisers vinden dat de minister zijn brief van 23 december 2019 ten onrechte niet aanmerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Volgens hen is de brief wel degelijk gericht op een rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is volgens eisers dat de minister geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de verbindendverklaringen en de verplichtstellingen buiten toepassing te laten. Het verzoek heeft geleid tot een negatief besluit. Eisers erkennen dat verbindendverklaringen en verplichtstellingen algemeen verbindende voorschriften zijn, waartegen op grond van artikel 8:3 van de Awb niet geprocedeerd kan worden. De bestuursrechter heeft echter volgens eisers wel de ruimte om een algemeen verbindend voorschrift in concrete gevallen buiten toepassing te laten (ook wel genoemd: exceptief te toetsen).

5. De rechtbank moet beoordelen of de minister de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarvoor is van belang of de brief van 23 december 2019 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt.

6. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat is een beslissing van een overheidsorgaan die bedoeld is om rechten of verplichtingen te laten ontstaan of daarin veranderingen aan te brengen (rechtsgevolgen). Dit betekent dat eisers alleen een ontvankelijk bezwaar konden maken tegen de brief van 23 december 2019 als deze gericht was op rechtsgevolg.

7. De rechtbank oordeelt dat de brief van 23 december 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank legt dit hierna uit. Als een cao algemeen verbindend is verklaard, is deze verbindend voor alle werkgevers en werknemers die arbeidsovereenkomsten hebben afgesloten die naar hun aard onder de cao vallen. Dat staat in artikel 2 van de Wet AVV. Voor bepaalde groepen personen werkzaam binnen een bedrijfstak kan deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds verplicht worden gesteld. Gedurende de verplichtstelling zijn er ten aanzien van die groepen personen in de wet neergelegde rechten en verplichtingen van toepassing. Dat staat in artikel 3 van de Wet Bpf. Eisers hebben uitdrukkelijk gezegd dat zij niet de in de wet geregelde dispensatie of intrekking vragen, maar dat zij verzoeken om de cao’s en de verplichtstellingen alsnog buiten toepassing te verklaren. De wet (Wet AVV en Wet Bpf) biedt echter de minister niet die mogelijkheid met betrekking tot een eenmaal van kracht zijnde algemeenverbindendverklaring of verplichtstelling. De algemeenverbindendverklaring en verplichtstellingen zijn tot stand gekomen volgens vaste in de wet neergelegde als uitputtend bedoelde procedures. Daarin bestaat de mogelijkheid bedenkingen en zienswijzen in te brengen in de fase voordat een algemeenverbindendverklaring of verplichtstelling van kracht wordt. De minister is dus niet bevoegd verandering te brengen in een eenmaal van kracht zijnde algemeenverbindendverklaring of verplichtstelling. De minister is, anders gezegd, niet bevoegd in deze een besluit te nemen dat op rechtsgevolgen is gericht. Als gevolg is de weigering om een dergelijk besluit te nemen ook geen besluit dat op rechtsgevolg is gericht. Terecht heeft de minister daarom aangegeven dat het slechts een informatieve mededeling is. Daartegen staat geen bezwaar open.

8. Eisers doen verder een beroep op de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Dit houdt in dat de rechter een voorschrift onder bepaalde omstandigheden buiten toepassing dient te laten bij de toetsing van een besluit. De rechtbank is het eens met de minister dat de uitspraak waarnaar eisers verwijzen niet van toepassing is, omdat het daar ging om een procedure over een dispensatieverzoek. In hun pleidooi hebben eisers daarnaast verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin deze oordeelt dat artikel 8:3 van de Awb niet in de weg staat aan exceptieve toetsing van een besluit. De rechtbank oordeelt dat ook deze situatie zich hier niet voordoet. Met een besluit wordt hier gedoeld op een besluit dat op rechtsgevolg is gericht (artikel 1:3 van de Awb). Daarvan is, zoals boven aangegeven, geen sprake.

9. De rechtbank oordeelt tot slot dat de hoorplicht niet geschonden is. Omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb heeft de minister het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb mag de minister afzien van horen als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

10. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. J.W. Vriethoff, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F.L. Bolkestein

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PR-Updates.nl PR-2021-0022 PJ 2021/25
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?