ECLI:NL:RBAMS:2020:6254

ECLI:NL:RBAMS:2020:6254, Rechtbank Amsterdam, 14-12-2020, AWB - 20 _ 5966

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-12-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 20 _ 5966
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001941

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Sluiting van woning ivm onder meer gevonden verdovende middelen en vuurwapen; De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de handelwijze van de burgemeester onvoldoende is gebleken dat de noodzaak bestond om de openbare orde onmiddellijk te herstellen. Daarnaast betreft het een jonge moeder met baby. Het is in dit geval aan de burgemeester om zich er voldoende van te vergewissen dat op korte termijn inderdaad vervangende woonruimte voor verzoekster en haar baby beschikbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] te Amsterdam, verzoekster

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/5966

(gemachtigde: mr. M. Jonk),

en

de burgemeester van Amsterdam, burgemeester

(gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan).

Procesverloop

Met het besluit van 16 november 2020 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester besloten tot sluiting van de woning aan het adres [adres] te Amsterdam voor de duur van drie maanden.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat het bestreden besluit wordt geschorst. De burgemeester heeft mondeling toegezegd niet tot sluiting van de woning over te gaan totdat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en de heer [naam] (adviseur bestuurlijke maatregelen en gebieden, openbare orde en veiligheid).

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. In een strafrechtelijk onderzoek naar verzoekster en haar (ex-)partner heeft de politie op 3 september 2020 de woning aan het adres [adres] te Amsterdam

(de woning) doorzocht. In onder meer de woonkamer en de kinderkamer van de woning heeft de politie diverse spullen aangetroffen, waaronder een zakje hennep, zeven pakketjes met hasjiesj, een vacumeermachine met resten cocaïne, € 5,000,- aan contant geld, diverse dure horloges en een vuurwarpen. Naar aanleiding van de vondst van het vuurwapen is de (ex-)partner aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Hij zit nog steeds in detentie.

2. Naar aanleiding van dit strafrechtelijk onderzoek is op 12 oktober 2020 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. De burgemeester heeft hieruit geconcludeerd dat een handelshoeveelheid drugs in de woning aanwezig is geweest en dat in de woning op grote schaal de Opiumwet wordt overtreden. De burgemeester heeft op 22 oktober 2020 verzoekster laten weten voornemens te zijn de woning te sluiten. Verzoekster en de eigenaar van het pand hebben op respectievelijk 25 oktober 2020 en 23 oktober 2020 een zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit is vervolgens besloten de woning met ingang van

19 november 2020 te sluiten, voor een periode van drie maanden. De burgemeester heeft de sluiting gegrond op de artikelen 13b van de Opiumwet, 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht en 125 van de Gemeentewet.

Gronden verzoekster

3. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens haar heeft de burgemeester onvoldoende rekening gehouden met de uitzonderingssituatie die in haar geval speelt. Zij woont samen met haar dochter van zeven maanden in de woning en zij kan niet binnen een redelijke termijn vervangende woonruimte organiseren. Daarnaast is de sluiting van de woning door het tijdsverloop niet langer doelmatig en had met een minder ingrijpend middel, een waarschuwing, kunnen worden volstaan.

Juridisch kader

4. Op grond van het beleid van de burgemeester volgt onmiddellijke sluiting van de woning als daar bijvoorbeeld een handelshoeveelheid softdrugs en een vuurwapen wordt aangetroffen. Van een sluiting kan worden afgezien als jonge kinderen in de woning wonen en op korte termijn geen vervangende woonruimte beschikbaar is.

5. De voorzieningenrechter wijst ook op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Is sluiting van de woning noodzakelijk en evenredig?

6. Gelet op wat in de woning is aangetroffen, was de burgemeester bevoegd om tot sluiting daarvan over te gaan. De vraag is of de burgemeester desondanks had moeten afzien van het sluiten van de woning. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, stelt de voorzieningenrechter vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of de sluiting van de woning nu nog noodzakelijk en evenredig is.

Blijkens de stukken in het dossier is de woning op 3 september 2020 doorzocht. Pas ruim vijf weken later, op 12 oktober 2020, is de bestuurlijke rapportage opgemaakt. Vervolgens is anderhalve week later, op 22 oktober 2020, het voornemen uitgebracht en binnen een termijn van drie dagen daarna de twee zienswijzen. Na de laatste zienswijze heeft het drie weken geduurd voordat de burgemeester het besluit tot sluiting heeft genomen. Tussen de doorzoeking en het bestreden besluit zit dus een periode van ruim tien weken. Tot op heden is de woning niet gesloten. Verzoekster en haar dochter wonen er nog steeds en tot op de dag van het onderzoek op de zitting hebben zich geen ongeregeldheden voorgedaan in de woning.

Op de zitting heeft de burgemeester nader toegelicht dat zij pas met de bestuurlijke rapportage op de hoogte is gebracht van de in de woning aangetroffen spullen. Toen zij eenmaal hiervan op de hoogte was, heeft zij voortvarend gehandeld. De burgemeester heeft zorgvuldig willen handelen door nadere vragen te stellen aan de politie over de aangetroffen spullen en de rol van verzoekster. Verder diende de zienswijzen te worden afgewacht. De periode tussen de doorzoeking en het bestreden besluit is in dit geval langer dan gebruikelijk, maar dat enkele tijdsverloop maakt niet dat de openbare orde niet ernstig is verstoord. Het sluiten van de woning is dan ook nog steeds noodzakelijk, aldus de burgemeester.

De voorzieningenrechter oordeelt anders. Blijkens het beleid van de burgemeester is sluiting van een woning in dit soort situaties bedoeld om de openbare orde onmiddellijk te herstellen. Volgens het beleid van de burgemeester en het bestreden besluit is de geconstateerde overtreding in de woning ernstig en levert het in gebruik blijven van de woning een ernstig gevaar op voor de openbare orde en veiligheid. Er kan dan ook niet worden volstaan met een waarschuwing. In het bestreden besluit staat verder dat vrees bestaat voor ripdeals, inbraak en de aantrekkingskracht van de woning op criminele activiteiten. Op de zitting is verder toegelicht dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt en dat ook daarom sluiting noodzakelijk is.

Bij de door de burgemeester geschetste omstandigheden en het geschetste gevaar voor de openbare orde, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter temeer op de weg van de burgemeester gelegen om de woning zo snel als mogelijk te sluiten. Een beoogde sluiting ruim tien weken na het aantreffen van de verdovende middelen en het vuurwapen is niet meer te kwalificeren als onmiddellijk. Dat de burgemeester pas na ruim vijf weken op de hoogte is gesteld van de aangetroffen goederen in de woning, komt voor haar risico en maakt het oordeel dan ook niet anders. Verzoekster heeft op de zitting daarnaast onbetwist naar voren gebracht dat een politieagent zelf mag vaststellen of aangetroffen goederen hennep of hasjiesj bevat. De betrokken politieagenten hadden hun bevindingen op dat vlak dus kort na de doorzoeking aan de burgemeester kunnen laten weten.

Al zou de periode tussen de doorzoeking en de bestuurlijke rapportage buiten beschouwing worden gelaten, dan nog is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de handelwijze van de burgemeester onvoldoende is gebleken dat de noodzaak bestond om de openbare orde onmiddellijk te herstellen. Op 12 oktober 2020 is zij in kennis gesteld van de in de woning aangetroffen goederen. Toen de burgemeester op dat moment constateerde dat de woning al ruim vijf weken ongemoeid was gelaten, terwijl de openbare orde kennelijk in het gedrang was, had het op haar weg gelegen om sneller in actie te komen. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van de burgemeester om zorgvuldig te zijn, maar door het reeds ontstane tijdsverloop had zij er in dit geval ook voor kunnen kiezen om geen nader onderzoek bij de politie meer uit te zetten. De nadere vragen aan de politie zagen immers niet op de aangetroffen (soft)drugs, terwijl dat wel de kern is van de sluiting van de woning.

9. Omdat de burgemeester met haar handelwijze onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk is, is het bestreden besluit reeds om die reden genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding zich ook uit te laten over de vraag of de sluiting van de woning, gelet op de minderjarige dochter van verzoekster, evenredig is.

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling is de aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijk van haar bevoegdheid gebruik kan maken. In het beleid van de burgemeester staat dat van een sluiting kan worden afgezien, indien jonge kinderen in de woning woonachtig zijn en op korte termijn geen vervangende woonruimte beschikbaar is.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster en haar (ex-)partner zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte. De burgemeester dient zich wel te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre in dit geval de betrokken ouder zelf in staat is om iets te regelen. De burgemeester heeft in dit kader gewezen op een proces-verbaal van 4 november 2020. Hierin staat dat de (ex-)partner van verzoekster tijdens zijn strafzitting heeft gezegd dat verzoekster en hun dochter na de doorzoeking van de woning, werden opgevangen en onderhouden door familie en dat zij daar ook verbleven. Dat zou nu dus ook kunnen, aldus de burgemeester. Volgens verzoekster klopt dit niet en kan zij – als zij de woning moet verlaten – nergens voor een langere periode terecht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de burgemeester in dit geval niet volstaan met de door haar getrokken conclusie uit de mededeling van de (ex-)partner. Al zou verzoekster eerder bij familie hebben verbleven , dan betekent dat niet zonder meer dat dat nu nog steeds zou kunnen. Het gaat om een jonge moeder met een baby van zeven maanden oud. Het is dan aan de burgemeester om zich er voldoende van te vergewissen dat haar conclusie klopt en dat op korte termijn inderdaad vervangende woonruimte voor verzoekster en haar baby beschikbaar is. Uit het bestreden besluit noch uit wat op de zitting is besproken, blijkt dat dit voldoende is gebeurd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

11. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toewijzen en het bestreden besluit schorsen. Dit betekent dat verzoekster tot bekendmaking van de beslissing op bezwaar in haar woning mag blijven wonen.

12. Omdat het verzoek wordt toegewezen, draagt de voorzieningenrechter de burgemeester op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 178,- aan haar te vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?