RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751037-21
RK nummer: 21/637
Datum uitspraak: 30 maart 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 januari 2019 door de Office of the Prosecutor General in Florence (Italië), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te Nigeria op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 maart 2021. Het verhoor heeft – via telehoren – plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. L.H. Woltring, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Engelse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Enforcement Order for Imprisonment no. 475/16 SIEP van 23 september 2016 van de Office of the Prosecutor General in Florence (Italië), naar aanleiding van een arrest van de Court of Appeal in Florence (Italië) van 6 februari 2015, definitief geworden op 13 september 2016.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit arrest heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Italiaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Zij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.
6. Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat op basis van de algemene omstandigheden in zestien Italiaanse detentiecentra sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld. Zoals ook in eerdere procedures is gebeurd, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie in deze zaak twee brieven van de Italiaanse autoriteiten van 2 en 4 maart 2020 aan het dossier toegevoegd, op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat het gevaar op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) strijdige situatie voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
Bij brief van 15 maart 2021 heeft het Italiaanse Ministerie van Justitie bevestigd dat de bij brieven van 2 en 4 maart 2020 gegeven garanties nog altijd geldig zijn en ook op de opgeëiste persoon van toepassing zijn.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie kan worden afgeleid dat voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zestien detentie-instellingen waar volgens de rechtbank een dergelijk gevaar bestaat. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.
De rechtbank is verder van oordeel dat het inmiddels voldoende vaststaat dat de brieven van 2 en 4 maart 2020 inhoudende een algemene detentiegarantie in elke overleveringszaak geldig zijn, zoals de Italiaanse autoriteiten in bedoelde brieven hebben bevestigd. De rechtbank acht het niet langer noodzakelijk dat voor elke individuele opgeëiste persoon een bevestiging wordt gevraagd bij de Italiaanse autoriteiten.
7. Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: family life
De raadsman heeft gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de overlevering een schending van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 7 van het Handvest oplevert. De opgeëiste persoon heeft twee minderjarige kinderen voor wie zij de zorg draagt. Het is niet waarschijnlijk dat de opgeëiste persoon, als zij in Italië gedetineerd zou worden, contact met haar kinderen kan houden. Het zal voor de kinderen niet mogelijk zijn hun moeder te bezoeken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding teneinde een terugkeergarantie bij de Italiaanse autoriteiten op te vragen, zodat de opgeëiste persoon de opgelegde straf in Nederland uit kan zitten. In Nederland kan de opgeëiste persoon de detentie samen met haar jongste kind ondergaan.
De officier van justitie heeft gesteld dat overlevering, gelet op artikel 52 lid 1 Handvest, een toegestane beperking is van de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. De overlevering kan worden toegestaan.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Duitsland woont met haar kinderen. Zij heeft geen family life met haar kinderen in Nederland en hier te lande is ook geen sprake van ander family life. Om deze reden is het gevoerde verweer niet toepasselijk in deze zaak en bestaat al hierom geen reden om de overlevering op deze grond niet toe te staan. De opgeëiste persoon heeft geen binding met Nederland en voldoet niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. Bovendien gaat het niet om een vervolgings- maar om een executie-overlevering, zodat het niet mogelijk is een terugkeergarantie te vragen. Wel zal de opgeëiste persoon in Italië strafovername door de Duitse autoriteiten kunnen verzoeken. De rechtbank ziet geen reden om tot aanhouding van de behandeling van de zaak over te gaan. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
8. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Office of the Prosecutor General in Florence (Italië).
Aldus gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en N.M. van Waterschoot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 30 maart 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.