ECLI:NL:RBAMS:2021:3317

ECLI:NL:RBAMS:2021:3317, Rechtbank Amsterdam, 15-06-2021, 751351-21

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-06-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 751351-21
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 19 zaken
Aangehaald door 4 zaken
10 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0016664 CELEX:32000X1218 CELEX:32002F0584 CELEX:32013L0048 EU:32000X1218 EU:32002F0584 EU:32013L0048

Samenvatting

EAB Polen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751351-21

RK nummer: 21/1742

Datum uitspraak: 15 juni 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 februari 2017 door de Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division based in Rybnik (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juni 2021. Het verhoor heeft – via telehoren – plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Ertekin, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een viertal vonnissen:

1. Vonnis van de District Court of Rybnik van 15 september 2011 met kenmerk IX 491/11, met het besluit van de District Court of Rybnik van 30 september 2013 met kenmerk III 1 Ko 2820/13 inhoudende de tenuitvoerlegging van de bij het hiervoor genoemde vonnis opgelegde voorwaardelijke straf.

2. Vonnis van de District Court of Rybnik van 25 april 2013 met kenmerk III K 104/13, met het besluit van de District Court of Rybnik van 21 oktober 2013 met kenmerk III 1 Ko 2927/13 inhoudende de tenuitvoerlegging van de bij het hiervoor genoemde vonnis opgelegde voorwaardelijke straf.

3. Vonnis van de District Court of Rybnik van 12 juni 2013 met kenmerk III K 103/13, met het besluit van de District Court of Rybnik van 21 oktober 2013 met kenmerk III 1 Ko 2938/13 inhoudende de tenuitvoerlegging van de bij hiervoor genoemde vonnis opgelegde voorwaardelijke straf.

4. Vonnis van de District Court of Rybnik van 27 februari 2013 met kenmerk III K 863/13.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van in totaal 30 maanden (acht maanden voor vonnis 1, tien maanden voor vonnis 2, acht maanden voor vonnis 3 en vier maanden voor vonnis 4), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Artikel 12 OLW

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.

In het kader van de in overweging 4.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook de verdere handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader kijken naar een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden. Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.4-4.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

Vonnissen 2 en 3

De opgeëiste persoon is volgens de in het EAB onder D gegeven informatie in persoon verschenen bij het proces dat tot vonnis 3 met kenmerk III K 103/13 heeft geleid. De dagvaarding in de zaak waarin vonnis 2 met kenmerk III K 104/13 is gewezen, is in persoon aan de opgeëiste persoon uitgereikt en hij heeft hiervoor getekend. De raadsvrouw stelt dat de overlevering moet worden geweigerd, subsidiair dat nadere informatie moet worden opgevraagd over deze vonnissen en de handtekening op de dagvaarding, nu de opgeëiste persoon stelt dat hij niet in persoon aanwezig is geweest bij de behandeling van vonnis 3, dat hij de dagvaarding van vonnis 2 niet in persoon ontvangen heeft en dat hij geen weet had van de zittingen. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet bij deze 2 vonnissen. De rechtbank heeft, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in het EAB gegeven informatie. De loutere stelling van de opgeëiste persoon dat hij niet op de hoogte was, is geen reden om ervan uit te gaan dat de door de Poolse autoriteiten gegeven informatie niet juist zou zijn. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om nadere informatie op te vragen. Het aanhoudingsverzoek en het verweer worden verworpen.

Vonnissen 1 en 4

Met betrekking tot vonnis 1 met kenmerk IX 491/11 en vonnis 4 met kenmerk III K 863/13 heeft de raadsvrouw gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de dagvaardingen niet in persoon aan de opgeëiste persoon zijn betekend en de opgeëiste persoon geen weet had van de processen.

De officier van justitie is van mening dat de overlevering kan worden toegestaan. De oproep is twee keer naar het huisadres van de opgeëiste persoon gestuurd, maar niet opgehaald. De opgeëiste persoon is geïnstrueerd over de gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging. Hij heeft deze instructie volgens het EAB persoonlijk ondertekend. In een eerdere uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de handelwijze van de opgeëiste persoon kan worden meegenomen in het oordeel over artikel 12 OLW. In dit geval is het zo dat de opgeëiste persoon ondanks vorenbedoelde instructie bij zijn vertrek zijn adreswijziging niet heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Hij is naar Nederland vertrokken in 2013. Twee maanden eerder had nog een betekening plaatsgevonden op zijn adres. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon na zijn vertrek niet langer bereikbaar was voor de Poolse autoriteiten komt in dit geval voor rekening van de opgeëiste persoon. Daarnaast is het in het belang van de opgeëiste persoon om alle straffen gezamenlijk af te doen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW moet dan ook niet worden toegepast.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot de vonnissen 1 en 4 hebben geleid. De vonnissen zijn verder ook gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing is.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.

Gelet op de informatie in het EAB, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon op grond van art. 139 van de Poolse Code of Criminal Procedure is geïnstrueerd over de gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging en hij deze instructie persoonlijk heeft ondertekend, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat strafrechtelijke procedures tegen hem liepen. De opgeëiste persoon is desondanks naar Nederland vertrokken zonder zijn nieuwe adres door te geven aan de Poolse autoriteiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in de onderhavige situatie worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij door naar Nederland te vertrekken uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.

Het verweer wordt verworpen en de rechtbank zal afzien van weigering van de overlevering ten aanzien van vonnis 1 met kenmerk IX 491/11 en vonnis 4 met kenmerk III K 863/13.

5. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen

diefstal

Met betrekking tot het feit waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis 1 met kenmerk IX 491/11 veroordeeld is, het afleggen van een valse getuigenverklaring, geldt dat niet kan worden vastgesteld of deze verklaring onder ede is afgelegd. Daarmee kan het feit niet worden gekwalificeerd als meineed en is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

Met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet is echter artikel 7 OLW gewijzigd.

Voor zover deze bepaling uitvoering geeft aan artikel 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ brengt een kaderbesluitconforme uitleg van deze gewijzigde bepaling mee dat lid 1 een facultatieve weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.

De rechtbank ziet in de onderhavige situatie aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft – het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen – en dat de overlevering toch al toelaatbaar is voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen en dat de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen ook in het belang van de opgeëiste persoon is. De enkele omstandigheid dat het Nederlandse recht een andere regeling kent om te bewerkstelligen dat getuigen geen valse verklaring afleggen (namelijk de promissoire eed/belofte) is daarom onvoldoende reden om de weigeringsgrond toe te passen.

6. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7. Gelijkstelling

De raadsvrouw heeft een gelijkstellingsverweer gevoerd en de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a OLW. Zij heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds 2013 onafgebroken in Nederland verblijft en dat hij vanaf 2014 onafgebroken heeft gewerkt. Hiertoe heeft zij onder andere loonspecificaties overgelegd. Helaas is het niet gelukt stukken met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 te verkrijgen, nu die stukken in het bezit zijn van de voormalige partner van de opgeëiste persoon.

De officier van justitie heeft gewezen op artikel 6a, negende lid, laatste volzin, waarin is bepaald dat eventuele bewijsstukken tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank dienen te worden overgelegd. Nu de stukken ten behoeve van het gelijkstellingsverweer pas tijdens de zitting door de raadsvrouw zijn overlegd, zijn deze stukken niet tijdig ingediend en dienen deze buiten beschouwing te worden gelaten. Door het niet tijdig indienen van de stukken is het niet meer mogelijk de IND te bevragen voor het aflopen van de beslistermijn. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de eisen van gelijkstelling met een Nederlander. Er zitten meerdere gaten in de informatie die meer dan zes maanden bestrijken. Er is geen informatie beschikbaar over de jaren 2016 en 2017. Daarnaast haalt de opgeëiste persoon de inkomenseis niet.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 6a, negende lid, laatste volzin van de OLW, in dit geval van oordeel dat de door de raadsvrouw op de zitting overlegde stukken ten behoeve van het gelijkstellingsverweer buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Ook eerder, zoals in de uitspraak van 1 november 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:8945) , derhalve voor de recente wetswijzing die op 1 april 2021 in werking is getreden, heeft de rechtbank geoordeeld dat:

De rechtbank acht het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid wenselijk het criterium “tijdig voorafgaand aan de zitting” nader te concretiseren. De rechtbank stelt vast dat een termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is, zodat de stukken door de officier van justitie kunnen worden bestudeerd en de officier van justitie desgewenst nog in de gelegenheid is vragen te stellen aan de IND over de verwachting dat de opgeëiste persoon niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6, negende lid, van de OLW. Door de stukken in deze zaak pas op de zitting over te leggen, is de officier van justitie niet meer in de gelegenheid voor afloop van de beslistermijn de IND te bevragen over de verwachting ten aanzien van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit geval op dat als de stukken wel mee zouden worden genomen bij de beoordeling, de opgeëiste persoon niet in aanmerking was gekomen voor gelijkstelling met een Nederlander omdat informatie over werk en woonplaats over de jaren 2016 en 2017 geheel ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

8. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan door de Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division based in Rybnik (Polen).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.G. Vegter

Griffier

  • mr. K. Spanjaart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?