RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 20/2865, AMS 20/2937 en AMS 20/3056
AMS 20/2865
[eiser 1] ,
AMS 20/2937
[eiser 2] ,
[eiser 3] ,
[eiser 4] ,
AMS 20/3056
[eiser 5] ,
[eiser 6] ,
[eiser 7] ,
allen wonende in [plaatsnaam] , eisers,
en
(gemachtigde: mr. P.J.M. Nooij).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen
[naam] en ,
vergunninghouders
(gemachtigde: mr. K. Dankers).
Procesverloop
Op 22 oktober 2019 heeft het college aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor de herbouw van het recreatiehuisje met nummer [nummer] op het terrein van de [locatie] aan de [locatie] in [plaatsnaam] .
Op 15 april 2020 heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
Op 28 oktober 2020 heeft het college de beslissing op het bezwaar ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit. In dit besluit is de vergunning gehandhaafd, maar is voor de hoogte van het recreatiehuisje en de afstand tot de andere recreatiehuisjes afgeweken van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de beroepen mede gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 12 februari 2021. Verschenen zijn [eiser 1] , [eiser 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde [naam] , [eiser 5] , [eiser 7] en beide vergunninghouders, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bestemmingsregels van het bestemmingsplan
De inrichtings- en bebouwingsregels van het bestemmingsplan
De vlonder
De zijgevel
Ecologie en landschap
Conclusie
De standpunten van partijen
3. Eisers vinden ook het gebruik van de gronden in strijd met het bestemmingsplan. Verder wordt de maximale vloeroppervlakte van 35 vierkante meter volgens hen overschreden want het nieuwe huisje inclusief de balkenconstructie is 67 vierkante meter. Het geheel van fundering, binnenruimte en de balkenconstructie vormt volgens eisers één bouwwerk. Daarnaast overschrijdt de verhoging in de zijgevel volgens eisers de maximale bouwhoogte. Tot slot hebben eisers bezwaren uit het oogpunt van behoud van ecologie en landschap.
4. De rechtbank beoordeelt de zaak als volgt. Van toepassing is het bestemmingsplan [locatie] van juni 2006. Tot de oeverlijn is de bestemming dag- en verblijfsrecreatie. Daaronder vallen onder andere recreatieverblijven met de daarbij behorende voorzieningen en bergruimten. Een recreatieverblijf is een bouwwerk in de vorm van een caravan, een stacaravan of een zomerhuis ten behoeve van recreatief verblijf. Voorzieningen zijn gebouwen voor collectief gebruik zoals een kantine, een toiletgebouw, een informatiecentrum, de receptie en bergingen. Vanaf de oeverlijn is de bestemming natuurgebied, waaronder de bestemming water valt.
5. De rechtbank oordeelt dat het gebruik door de vergunninghouders voldoet aan de bestemmingsomschrijving van het bestemmingsplan. De vergunninghouders zullen het recreatiehuisje gebruiken als zomerhuis. Dat is een recreatieverblijf volgens de definitie van het bestemmingsplan.
6. Volgens de bouwregels van het bestemmingplan mogen op en in de grond slechts bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht. Recreatieverblijven mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd. Het bestemmingsplan geeft geen definitie van het begrip vrijstaand. Wel bepaalt het bestemmingsplan dat bij een recreatieverblijf één vrijstaand bijgebouw mag worden gebouwd. Het begrip bijgebouw is gedefinieerd als een bij een woonhuis of recreatieverblijf behorend gebouw, dat geen woonruimte(n) omvat en zich visueel onderscheidt van dat woonhuis of recreatieverblijf. De rechtbank leest daarom in het bestemmingsplan dat recreatieverblijven uitsluitend zo mogen worden gebouwd dat ze zich visueel onderscheiden van de andere bouwwerken.
7. De vloeroppervlakte van een recreatieverblijf mag niet meer dan 35 vierkante meter bedragen. Het begrip vloeroppervlakte is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd.
8. De rechtbank oordeelt dat het huisje van de vergunninghouders voldoet aan de eis dat een recreatieverblijf uitsluitend vrijstaand mag worden gebouwd. De balkenconstructie onderscheidt zich visueel niet van het huisje. Op de bouwtekeningen en op de foto’s is te zien dat de balkenconstructie en het huisje als een geheel zijn ontworpen. De gebruikte kleuren, materialen en vormgeving lopen in elkaar door. De balkenconstructie en het huisje zijn daarom samen te beschouwen als één, vrijstaand recreatieverblijf.
9. Dat betekent echter ook dat het geheel meetelt voor het bepalen van de vloeroppervlakte. Omdat alleen al het huisje 35 vierkante meter groot is, overschrijdt het gehele recreatieverblijf de maximale vloeroppervlakte van het bestemmingplan. De rechtbank oordeelt dan ook dat het recreatieverblijf op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan.
10. De rechtbank vindt niet van belang of het huisje of de balkenconstructie moet worden aangemerkt als gebouw. Een gebouw is volgens het bestemmingsplan elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte omvat. De inrichtings- en bebouwingsregels voor dag- en verblijfsrecreatie verwijzen echter niet naar het begrip gebouw. Een recreatieverblijf moet volgens de definitie een bouwwerk zijn, maar hoeft geen gebouw te zijn. Omdat het begrip gebouw niet van belang is, is ook de meetinstructie in het bestemmingsplan voor bebouwde oppervlakten van gebouwen niet van belang.
11. Wel bepaalt het bestemmingsplan dat bij een recreatieverblijf één vrijstaand bijgebouw mag worden gebouwd tot een oppervlakte van 6 vierkante meter en tot een bouwhoogte van 2,5 meter. De balkenconstructie van de vergunninghouders voldoet echter aan geen van die eisen.
12. Het college heeft niet onderkend dat de vloeroppervlakte in strijd is met artikel 2.1, tweede lid, onder c van het bestemmingsplan. Het college heeft geen vergunning verleend om op dat punt van het bestemmingsplan af te wijken. Dit betekent dat de vergunning ten onrechte is verleend. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar daarom vernietigen.
13. De rechtbank oordeelt dat de vlonder wel voldoet aan het bestemmingsplan. De vlonder is een bouwwerk ten dienste van de bestemming recreatieverblijf. De vlonder onderscheidt zich visueel van het huisje en de balkenconstructie. Voor zover de vlonder zich boven het water bevindt, voldoet deze aan de eis dat steigers tot een lengte van tien meter zijn toegestaan.
14. De verhoging in de zijgevel van 3,70 meter overschrijdt volgens eisers de maximale bouwhoogte. De schoorsteen is volgens hen geen ondergeschikt element maar vormt een gehele gevel die te hoog is, nu slechts een hoogte van maximaal 3,20 meter is toegestaan volgens het bestemmingsplan. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de verwerking van de schoorsteen in een koof samenhangt met het ontwerp. De schoorsteen en de koof worden beschouwd als een ondergeschikt onderdeel van de woning en het dak, net als ontluchtingspijpen. Volgens de definitie van het begrip bouwhoogte is dit toegestaan.
15 . De rechtbank is met het college van oordeel dat de schoorsteen, in verhouding tot de rest van het huisje, een ondergeschikt element is. Deze grond slaagt niet.
16. Eisers voeren verder nog aan dat het huisje afbreuk doet aan de ecologische en landschappelijke waarde van het gebied. De rechtbank overweegt dat het bestemmingsplan zelf in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld, zodat de aanwezigheid van een recreatieverblijf een gegeven is. De rechtbank oordeelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een verdergaande afbreuk aan de ecologische of landschappelijke waarde.
17. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 28 oktober 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het college zal moeten afwegen of het afwijking van het bestemmingsplan wil toestaan voor deze grote overschrijding van de maximale vloeroppervlakte. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na de verzending van deze uitspraak.
17. Nu de beslissing op bezwaar van 15 april 2020 is ingetrokken, hebben eisers geen belang meer bij hun beroep daartegen. De rechtbank zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Er bestaat geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Wel moet het college het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 28 oktober 2020 gegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.