RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6377
(gemachtigde: mr. S.N. de Jager),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Vogel).
Aan het geding hebben deelgenomen: [vergunninghouders] , te Amsterdam (hierna: vergunninghouders).
Procesverloop
Met een besluit van 30 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de omgevingsvergunning voor de kap van een boom, staande in de achtertuin van de [straat] in Amsterdam in stand gelaten.
Met een besluit van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2021. Eiseres en de vergunninghouder zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
1. Op 14 februari 2019 is aan [bewoner] een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van een boom staande in de achtertuin van de [straat] in Amsterdam. Deze omgevingsvergunning is vervolgens overgeschreven op naam van vergunninghouders, zijnde de nieuwe eigenaren van de [straat] in Amsterdam. Eiseres heeft op 24 februari 2020 tegen de toekenning van de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiseres is met een besluit van
30 april 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Op 10 april 2021 is de boom door de vergunninghouders gekapt.
2. Op 7 mei 2020 heeft eiseres een mail gestuurd naar verweerder waarin zij vraagt of zij het verzoek om herziening/intrekking willen behandelen. Met het primaire besluit van
30 juni 2020 heeft verweerder op deze mail gereageerd.
3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank onderzoekt eerst of zij toekomt aan een inhoudelijke behandeling van dit beroep, omdat de boom waarop de door eiseres bestreden omgevingsvergunning ziet door de vergunninghouders is gekapt.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat er in beginsel geen procesbelang is, wanneer beroep wordt ingesteld tegen een vergunning voor een eenmalige activiteit die al uitgevoerd is. In dat geval kunnen eisers met hun beroep immers niet meer bereiken wat zij wilden, namelijk het voorkomen van de kap van de bomen, dan wel bescherming van de natuurwaarden. Dit kan anders zijn indien het gestelde belang bestaat uit bijvoorbeeld het verkrijgen van een schadevergoeding, het opnemen van vergunningvoorschriften of een vergoeding van de kosten gemaakt in bezwaar. Bovendien bestaat er procesbelang als het beroep mede ziet op de herplant van bomen. Ook dat is vaste rechtspraak.
6. Eiseres heeft beroep ingesteld om de kap van de boom te voorkomen. In het geval van eiseres is het niet meer mogelijk om te bereiken wat zij wilde, omdat de boom al gekapt is. Het beroep van eiseres ziet niet op de herplantplicht van de boom. Eiseres heeft ook geen ander belang gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarom geen procesbelang.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Vijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.