RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2021 in de zaak tussen
[verzoeksters] , te Amsterdam, verzoekster,
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5677
(gemachtigde: [gemachtigde verzoekster] )
en
(gemachtigde: mr. R. Verduijn).
Procesverloop
Verzoekster heeft met de brief van 30 oktober 2020, door de rechtbank ontvangen op
2 november 2020, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om verweerder te veroordelen in de door verzoekster geleden schade.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2021. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens verweerder is niemand verschenen.
Overwegingen
De aanleiding van het geding
1. Verweerder heeft op 4 december 2018 aan verzoekster, op straffe van een dwangsom, een bouw- en sloopstop opgelegd voor de werkzaamheden aan het pand [adres] in Amsterdam. (hierna: het pand). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er sloop- en bouwwerkzaamheden in het pand zijn verricht zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument. Daarnaast had volgens verweerder een asbestinventarisatierapport opgesteld moeten worden.
2. Met de beslissing op bezwaar van 7 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van
verzoekster hiertegen ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft tegen het besluit van 7 mei 2019 beroep ingesteld.
4. Met de uitspraak van 19 december 2019 (zaaknummer AMS 19/2956) heeft deze
rechtbank het beroep van verzoekster gegrond verklaard en het besluit van
7 mei 2019 vernietigd voor zover daarbij een last onder dwangsom is opgelegd vanwege de afwezigheid van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument. Daarnaast is het primaire besluit herroepen voor zover daarbij is beslist dat het gebruik van het pand gestaakt moest worden totdat verweerder positief had beslist op een (eventuele) aanvraag voor een legaliserende omgevingsvergunning.
5. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om schadevergoeding. Verzoekster heeft de rechtbank daarbij verzocht om een dwangsom vast te stellen. Verzoekster heeft gesteld schade te hebben geleden wegens het stilleggen van de verbouwingswerkzaamheden.
6. De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding, zoals omschreven in artikel 8:88 van de Awb.
De beoordeling van de rechtbank
7. Verzoekster heeft desgevraagd op de zitting verklaard af te zien van het verzoek om een dwangsom op te leggen. Daarnaast heeft verzoekster verklaard ermee in te stemmen dat haar verzoek door de rechtbank zal worden behandeld als een verzoek op grond van artikel 8:88 van de Awb. Ook verweerder heeft hierom (in het verweerschrift) verzocht. De omvang van het geding wordt daarom beperkt tot de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een schadevergoeding.
8. Voor het toekennen van een schadevergoeding is ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, vereist dat er sprake is van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden ten gevolge van een onrechtmatig besluit. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 7 mei 2019 door deze rechtbank is vernietigd voor zover daarbij is besloten dat een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument vereist was. De rechtbank stelt verder vast dat het besluit in stand is gelaten voor zover het ontbreken van een asbestinventarisatierapport aan de bouwstop ten grondslag was gelegd. Van onrechtmatige besluitvorming was derhalve geen sprake. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat het verzoek om schadevergoeding juist daarom is beperkt tot het tijdvak aanvangend op
11 december 2018, de dag waarop het asbestinventarisatierapport aan verweerder is overhandigd, tot en met 24 december 2018, de dag waarop verweerder per email heeft laten weten niet handhavend op te zullen treden tegen de hervatting van de bouwwerkzaamheden, overweegt de rechtbank als volgt.
9. De rechtbank volgt verzoekster niet. In rechte staat vast dat het overleggen van een asbestinventarisatierapportage voorafgaand aan de verbouwing was vereist. Dat verweerder eerst op 24 december 2018 heeft gereageerd op het op 11 december 2018 overgelegde rapport van verzoekster maakt niet dat hiermee sprake is van onrechtmatige besluitvorming dan wel één van de andere in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde redenen op grond waarvan de rechtbank bevoegd is om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade. Reeds hierom is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om het schadeverzoek af te wijzen.
10. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook indien de onrechtmatigheid van het overheidshandelen wel vast zou staan, de schade onvoldoende is onderbouwd. Uit de door verzoekster overgelegde factuur van de aannemer blijkt niet op welke periode deze betrekking heeft. Daarnaast is door de term ‘stucwerk’ op de factuur op te nemen, onvoldoende duidelijk dat het gaat om niet gewerkte uren, zoals door verzoekster is gesteld. De - ongedateerde - brief van de aannemer brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Ten slotte neemt de rechtbank in overweging dat verzoekster geen bewijzen heeft overgelegd waaruit volgt dat de werkzaamheden na de bouwstop alsnog zijn uitgevoerd en opnieuw zijn betaald.
11. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 9 is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een heropening van het onderzoek ter zitting, zoals op de zitting door gemachtigde is verzocht. Overigens is verzoekster ook voldoende in de gelegenheid geweest om het verzoek te onderbouwen.
Conclusie
12. De rechtbank wijst het verzoek af.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. van der Kroft, griffier.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.