RECHTBANK AMSTERDAM
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van15 september 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/134
(gemachtigde: mr. A.R. Kellermann),
en
(gemachtigde: mr. I. Pieterse).
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf februari 2012 een pensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Bij besluit van 11 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft met behulp van een videoverbinding plaatsgevonden op 15 september 2021. Eiser heeft zich, wegens technische problemen, laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser stelt het primaire besluit nooit te hebben ontvangen. Hij betwist ook een brief te hebben ontvangen waarin de inhoud van het besluit bekend is gemaakt.
3. Alle omstandigheden in samenhang bezien, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser het primaire besluit in 2012 heeft ontvangen. Het door eiser op 2 december 2020 gemaakte bezwaar is daarmee dus buiten de bezwaartermijn.
4. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser kort na de datum waarop het primaire besluit is gedateerd, namelijk op 9 maart 2012, het kantoor van verweerder in Zaandam heeft bezocht om een AIO-aanvulling aan te vragen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser dit heeft gedaan naar aanleiding van het primaire besluit. Daarnaast heeft verweerder bij twee afzonderlijke besluiten van 8 mei 2012 een AOW-toeslag en een AIO-aanvulling toegekend aan eiser. In het eerste besluit wordt verwezen naar het primaire besluit. In het tweede besluit heeft verweerder overzichtelijk weergegeven hoe het AOW-pensioen van eiser is opgebouwd en daarin ook de hoogte daarvan genoemd. Voor de rechtbank weegt verder mee dat het primaire besluit is gestuurd naar het door eiser opgegeven correspondentieadres [adres] te Uithoorn. Zijn stelling dat hij toen geen vaste woon- of verblijfsplaats had, kan hem daarom niet baten. Ook als eiser het primaire besluit niet zou hebben ontvangen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser in elk geval met de besluiten van 8 mei 2012 kennis van de inhoud van het primaire besluit heeft genomen of heeft kunnen nemen. Ook die besluiten zijn verstuurd naar een door eiser opgegeven correspondentieadres.
5. Er is niet gebleken van een omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. L.N. Linzey, griffier, op 15 september 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.