RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752005-20
RK nummer: 20/5480
Datum uitspraak: 9 december 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 november 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2020 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 22 januari 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 januari 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de behandeling van de vordering voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van nadere informatie over de toestemming van de Duitse autoriteiten voor doorlevering van de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW (oud) uitspraak moet doen met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting 25 november 2021
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 25 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht en door een tolk in de Russische taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Riga City Latgale Suburb Court judgment of 21 September 2011, amended by the decision of Riga City Latgale Suburb Court decision of 3 June 2013 en een Riga City Pārdaugava Court decision of 9 July 2019 (referentie: No.11088286710).
In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit aanvullende informatie van 3 december 2020 van de Letse autoriteiten volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de Riga City Latgale Suburb Court judgment of 21 September 2011 heeft geleid en dat dit de enige van de drie beslissingen is waarin over schuld en straf is beslist, terwijl de andere twee beslissingen zien op tenuitvoerlegging.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
1. diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
2. (poging tot) diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
5. Toestemming voor doorlevering
Bij brief van 25 februari 2021 heeft de Hoofdofficier van Justitie van het Parket-Generaal Oldenburg (Duitsland) een gewaarmerkte kopie van de beslissing van de 1e Strafkamer van het Oberlandesgericht Oldenburg van 23 februari 2021 toegezonden met onder meer de volgende inhoud:
‘(…) Thans zou de opgeëiste persoon vanuit Nederland naar Letland ter tenuitvoerlegging van een met vonnis van de districtsrechtbank Riga-Stadt - Latgale van 21 september 2011 samen met de beslissing van de districtsrechtbank Riga-Stadt - Pardaugava van 9 juli 2019 opgelegde gevangenisstraf van een jaar en vier dagen verder worden overgeleverd. Het Parket-Generaal Oldenburg heeft daarom met het oog op de beslissing van het Europees Gerechtshof van 24 november 2020 (C-519/19) de zaak aan de kamer voorgelegd met het verzoek om toestemming te verlenen voor de doorlevering van de opgeëiste persoon.
Het verzoek moest worden ingewilligd.
De overlevering van de opgeëiste persoon naar Letland ter tenuitvoerlegging van de genoemde straf zou zijn toegestaan. De kamer verwijst in zoverre naar de in de zaak 1 Ausl 6/20 (400 Ausl A 11/20) genomen beslissing van 24 maart 2020 en naar de daarin verwezen bevelen tot bewaring van 4 en 10 februari 2020. De door het Parket-Generaal in zijn toenmalige (….) toestemming van 20 februari 2020 tot uitdrukking gebrachte inschatting, dat geen bezwaren tegen de toestemming voorliggen, wordt door de kamer gedeeld.
Het voorafgaand horen van de opgeëiste persoon conform § 36 lid 1 juncto § 35 lid
1 zin 1 sub 1 IRG was niet nodig. De opgeëiste persoon is reeds in het kader van de genoemde procedure aangaande zijn overlevering vanuit Duitsland naar Letland door een rechterlijke autoriteit gehoord. Zo heeft hij op 14 februari 2020 bij het kantongerecht Oldenburg aangaande het hem medegedeelde overleveringsverzoek van Letland persoonlijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. Voorts heeft hij zich hieromtrent middels schrijven van zijn rechtsbijstand van 2 maart 2020 geuit. (…)’
Uit deze beslissing van 23 februari 2021 van het Oberlandesgericht Oldenburg blijkt dat de Duitse rechter toestemming heeft verleend voor de doorlevering van de opgeëiste persoon.
6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de Engelse High Court of Justice van 28 juli 2020 en de daarin genoemde informatie over de Letse detentieomstandigheden, op het standpunt gesteld dat in Letland sprake is van een algemeen reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. Zij heeft verzocht de behandeling van het verzoek tot overlevering aan te houden, zodat nadere vragen kunnen worden gesteld aan de Letse autoriteiten over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering terecht zal komen en de detentieomstandigheden aldaar. Ook heeft zij verzocht vragen te stellen over de maatregelen die in Letse penitentiaire inrichtingen worden genomen ter voorkoming van een verdere verspreiding van het coronavirus.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen belemmering vormen voor overlevering. Er zijn geen actuele bijgewerkte gegevens voorhanden waaruit blijkt dat er een algemeen reëel gevaar is dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Letland zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt op dat de Overleveringswet op onderdelen is gewijzigd en dat deze Herimplementatiewet op 1 april 2021 in werking is getreden. Met deze inwerkingtreding is ook artikel 11 OLW gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt:
Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.
De rechtbank Amsterdam heeft in uitspraken van 24 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:4025) en 11 december 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:9097) de inhoud van het CPT-rapport betreffende Letland van juni 2017 beschouwd en geoordeeld dat er op dat moment in het algemeen geen reëel gevaar was van een onmenselijke of vernederende behandeling in Letse gevangenissen. Het rapport van juni 2017 is het meest recente rapport van het CPT over Letland.
De rechtbank ziet in de aangehaalde uitspraak van de Engelse High Court of Justice geen aanleiding om af te wijken van haar eerder uitgezette lijn, te weten dat in het algemeen geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in Letse gevangenissen. De rechtbank beschikt niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Letland die tot een ander oordeel zouden moeten leiden (zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4880). De detentieomstandigheden vormen dan ook geen beletsel voor het toestaan van de overlevering aan Letland. Er is geen sprake van een geval waarin op grond van artikel 11 OLW geen gevolg aan het EAB kan worden gegeven. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van het overleveringsverzoek aan te houden om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon na overlevering zal worden blootgesteld, zoals de raadsvrouw heeft verzocht.
7. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia (Letland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan doormr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,mrs. M. van Mourik en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 9 december 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.