RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/665517-15
Datum uitspraak: 10 december 2021
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665517-15 tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] .
ingeschreven op het adres [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2021.
2. De vordering
De vordering van de officier van justitie van 26 juni 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 97.618,59.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3. Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2019 veroordeeld voor het medeplegen van dwang tot afgifte van bankpassen, pincodes en identiteitskaarten, diefstal van geldbedragen van verschillende personen, verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrifte.
4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen.
De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat met veroordeelde een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), is getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 26.500,00. Gelet op het feit dat veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig heeft voldaan, heeft de officier van justitie ter zitting gevorderd dat wordt verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
5. Beslissing
Artikel 6:4:18 Sv bepaalt dat, als met de veroordeelde een schikking is aangegaan en door de veroordeelde aan de termen van de schikking is voldaan de zaak (als de vordering tot ontneming al is ingediend bij de rechtbank) van rechtswege is geëindigd. De wet bepaalt niet hoe de beslissing van de rechtbank in zo’n geval moet luiden. De rechtbank overweegt dat, hoewel het verstaan dat de zaak van rechtswege is geëindigd na het voldoen aan een schikking niet past in het systeem van de wet, deze beslissing het meest recht doet aan hetgeen de wetgever ten aanzien van de afhandeling van de ontnemingsprocedure heeft beoogd. De rechtbank verwijst naar her arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7248.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2021.