RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/2700
(gemachtigde: mr. B.F. Desloover),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het Uwv)
(gemachtigde: mr. S. Elfert).
Procesverloop
Met een besluit van 3 september 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering per 7 augustus 2020 afgewezen.
Met een besluit van 7 april 2021 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en beslist dat eiseres wel een WIA-uitkering krijgt per 7 augustus 2021. Deze beslissing komt in de plaats van het primaire besluit.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op een zitting van 8 december 2021.
Eiseres is verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Met het bestreden besluit is eiseres 74% arbeidsongeschikt geoordeeld. Dit is in deze zaak niet in geschil. Het beroep van eiseres is alleen gericht tegen de vaststelling van haar dagloon.
2. Het Uwv is bij de vaststelling van het dagloon van eiseres ervan uitgegaan dat eiseres tijdens de referteperiode die voor haar gold bij drie (ex-)werkgevers werkzaamheden heeft verricht, namelijk bij [bedrijf 1] [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , voor een totaal aan 215 loondagen. Het dagloon is vastgesteld op € 58,56 (niet geïndexeerd).
3. Eiseres voert aan dat het werk dat zij verrichtte voor [bedrijf 3] niet gezien kan worden als arbeid in het kader van een dienstbetrekking. Zij heeft daar van 4 september 2017 tot 22 oktober 2017 namelijk arbeid verricht in het kader van een stage. Dit blijkt uit artikel 5 van de overeenkomst met [bedrijf 3] die eiseres in beroep heeft ingebracht. Daarin wordt uitdrukkelijk bepaald dat: “de stageovereenkomst geen arbeidsovereenkomst is in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW)”. Eiseres ontving daarnaast een stagevergoeding van € 200,- per maand. Gezien de hoeveelheid werk die verricht moest worden (32 uur per week) blijkt volgens eiseres dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest. De dagloonberekening moet volgens haar dan ook plaatsvinden op grond van de verdiensten in de periode vanaf 22 oktober 2017 tot en met 30 juni 2018, dit zijn 180 loondagen. Het dagloon zou dan moeten worden vastgesteld op € 63,29 bruto, behoudens indexering.
Beoordeling door de rechtbank
4. Het Uwv heeft ter onderbouwing van haar standpunt in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 maart 2016. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het werk dat appellante stage noemde, moest worden betrokken bij de berekening van het dagloon. De Raad overweegt in dit kader dat geen sprake was van een stageovereenkomst en dat de hoogte van het door appellante ontvangen loon duidelijk lag boven hetgeen als een “normale” stagevergoeding is aan te merken. Ook overweegt de Raad dat tenslotte is gebleken dat voor de werkzaamheden van appellante SV-loon is verantwoord.
5. De rechtbank is van oordeel dat deze uitspraak juist aantoont dat er in het geval van eiseres wel sprake was van een stage die niet moest worden betrokken bij de berekening van het dagloon. Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak is er bij eiseres namelijk sprake van een zeer lage stagevergoeding onder het minimumloon, namelijk € 200,- per maand. Er is daarnaast bij eiseres wel sprake van een stageovereenkomst waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Anders dan het Uwv stelt, zegt de uitspraak van de Raad tenslotte niet dat het feit dat SV-loon is verantwoord er automatisch toe leidt dat het werk moet worden betrokken bij de berekening van het dagloon. De Raad noemt dit als een van de punten die zij bij hun overweging in aanmerking neemt. Het feit dat er dus volgens het Uwv sprake is van SV-loon leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat sprake is van loon dat meegenomen moet worden in de referteperiode.
6. Dit betekent dat het Uwv het werk dat eiseres verrichtte bij [bedrijf 3] niet moest betrekken bij de berekening van het dagloon. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met deze uitspraak. Het Uwv dient het dagloon van eiseres opnieuw te berekenen. De referteperiode gaat later in door het wegvallen van de periode van 4 september 2017 tot 22 oktober 2017, namelijk op 22 oktober 2017.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.816,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Bosma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.