RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/706733 / JE RK 21-720
Datum uitspraak: 13 september 2021
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,
locatie Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam pleegvader 1] ,
hierna te noemen: pleegvader [naam pleegvader 1] ,
wonende op een geheim adres,
[naam pleegvader 2] ,
hierna te noemen: pleegvader [naam pleegvader 2] ,
wonende te [woonplaats] .
1. Het (verdere) procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van JBRA van 1 september 2021, ingekomen op 2 september 2021;
- de (spoed)beschikking van deze rechtbank van 31 augustus 2021;
- de instemmende verklaring d.d. 1 september 2021 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper;
- een e-mail met bijlage van 7 september 2021 van de advocaat van [minderjarige] ;
- een gewijzigd verzoek van JBRA met bijlagen van 9 september 2021, ingekomen op 13 september 2021.
Op 13 september 2021 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- mevrouw [naam 3] namens Levvel.
[minderjarige] en de gezinshuisouder, de heer [naam 4] , hebben de mondelinge behandeling vanuit Spanje bijgewoond via een videoverbinding.
Pleegvader [naam pleegvader 2] is, hoewel opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
[minderjarige] is uit huis geplaatst toen hij negen maanden oud was. Op drieënhalf-jarige leeftijd is hij bij de pleegvaders geplaatst.
Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 november 2010 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige] en is Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam met de voogdij over [minderjarige] belast. Bij beschikking van 5 juli 2011 heeft het gerechtshof Amsterdam voornoemde beslissing bekrachtigd.
Bij beschikking van 18 februari 2015 zijn de pleegvaders met de voogdij over [minderjarige] belast.
De relatie tussen de pleegvaders is beëindigd. [minderjarige] woont bij pleegvader [naam pleegvader 1] . [minderjarige] heeft een pleegzusje [naam pleegzusje] . Zij heeft een co-ouderschapsregeling met beide pleegvaders.
In het kader van een schorsing van voorlopige hechtenis in een lopende strafzaak heeft [minderjarige] vanaf februari 2021 verbleven in de instelling [locatie] in Spanje. Dit traject is voortijdig gestopt omdat de gedragsproblematiek van [minderjarige] en de systemische problematiek rondom hem te complex was voor [locatie], waarna [minderjarige] ’s schorsing op 10 juni 2021 is opgeheven en huisarrest in de woning van pleegvader [naam pleegvader 1] is bevolen. Op 16 juni 2021 is de voorlopige hechtenis opgeheven.
Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 16 juni 2021 is [minderjarige] met ingang van 16 juni 2021 voor de duur van zes maanden, tot 16 december 2021, onder toezicht gesteld. Een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in gezinshuis [naam gezinshuis] (hierna te noemen [naam gezinshuis] ) in Spanje is bij die gelegenheid afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat onvoldoende is gebleken in welk opzicht het traject bij [naam gezinshuis] verschilt van dat bij [locatie] en dat [minderjarige] niet is geïnformeerd en niet gemotiveerd is voor dit traject. De GI dient op zoek te gaan naar een alternatief voor [naam gezinshuis] . De Raad voor de Kinderbescherming is niet in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking.
[minderjarige] is op 22 juli 2021 aangehouden wegens bedreiging (met een mes) van pleegvader [naam pleegvader 1] . Hij is op 23 juli 2021 door de rechter-commissaris geschorst uit de voorlopige hechtenis en verblijft sindsdien weer bij pleegvader [naam pleegvader 1] .
Bij beschikking van 31 augustus 2021 is het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen met een jaar en het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar afgewezen. Daarbij is - onder meer - overwogen:
“Gelet op de informatie die de kinderrechter op dit moment voorhanden heeft en nu [minderjarige] zelf niet bereid is zich te conformeren aan de regels van [naam gezinshuis] , houdt de kinderrechter het ervoor dat [naam gezinshuis] voor [minderjarige] een zodanig gesloten karakter zal hebben, dat een machtiging tot uithuisplaatsing op de voet van artikel 1:265a BW daarvoor niet toereikend is.”
Op 31 augustus 2021 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor verblijf van [minderjarige] bij [naam gezinshuis] in Spanje met ingang van 31 augustus 2021 voor de duur van twee weken en is iedere verdere beslissing aangehouden.
3. Het verzoek
JBRA verzoekt, na wijziging van het aanvankelijke verzoek:
op grond van artikel 6.1.3. lid 1 Jeugdwet een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee weken en aansluitend:
primair op grond van artikel 6.1.2. lid 1 Jeugdwet een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling;
subsidiair een machtiging te verlenen tot plaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling met uitvoerbaarverklaring bij voorraad;
meer subsidiair op grond van artikel 6.1.4. lid 1 Jeugdwet een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4. De beoordeling
Bij beslissing van de kinderrechter van 31 augustus 2021 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor [minderjarige] bij [naam gezinshuis] in Spanje met ingang van 31 augustus 2021 voor de duur van twee weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Naar het oordeel van de kinderrechter is die beslissing, gelet op de op dat moment voorhanden zijnde informatie, terecht genomen. Die beslissing zal dan ook worden gehandhaafd tot op heden.
In deze zaak gaat het om de vraag of [naam gezinshuis] in Spanje een passende plaats is voor [minderjarige] om te verblijven, gelet op de problematiek die speelt, en zo ja, of voor het verblijf bij [naam gezinshuis] een machtiging gesloten jeugdhulp in de zin van artikel 6.1.2 van de Jeugdwet moet worden verleend of een machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een open accommodatie voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 1:265a van het BW.
Wat betreft de vraag of [naam gezinshuis] op dit moment voor [minderjarige] de meest passende plaats is om te verblijven en behandeld te worden, neemt de rechtbank de overwegingen in de beschikking van 31 augustus 2021 hieromtrent over. De rechtbank is nog steeds van oordeel dat de GI voldoende heeft gemotiveerd dat er op dit moment geen passende woon/verblijfplek voor [minderjarige] in Nederland beschikbaar is, niet in een gesloten en niet in een open setting, vanwege zijn complexe problematiek en het agressieve, antisociale en zelfbepalende gedrag wat hij laat zien, voortkomend uit een hechtingsstoornis en norm overschrijdende gedragsstoornis. Juist de afstand tot Nederland, het weghouden van het negatieve netwerk in Nederland en de gestructureerde, kleinschalige en afgezonderde setting van [naam gezinshuis] kunnen helpend zijn om [minderjarige] open te gaan laten staan voor behandeling. Zekerheid dat het traject zal slagen is er nooit, maar [naam gezinshuis] lijkt op dit moment daarvoor het meest in aanmerking te komen en aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft om negatieve patronen van de afgelopen jaren te doorbreken. Uit bijlage 5 bij het aanvullend verzoekschrift van de GI, blijkt dat [minderjarige] in de korte tijd waarin hij nu in [naam gezinshuis] verblijft heldere doelen voor zichzelf heeft geformuleerd en ook heeft erkend dat hij deze doelen in Nederland niet kan behalen. De kinderrechter is er hierdoor nog meer van overtuigd geraakt dat [naam gezinshuis] op dit moment de meest geschikte plek is voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij niet in Spanje bij [naam gezinshuis] wil verblijven maar in Nederland aan zijn doelen wil gaan werken. Hij wil naar school, werken, sporten, en werken aan zijn agressie en boosheid. De kinderrechter gelooft in de intentie van [minderjarige] , maar acht de kans dat het hem ook gaat lukken in Nederland te klein, gelet op de al lange tijd bestaande negatieve patronen en zijn negatieve netwerk in Nederland.
Vervolgens is het de vraag of voor de plaatsing bij [naam gezinshuis] een machtiging gesloten uithuisplaatsing nodig is. Op grond van artikel 6.2.2. van de Jeugdwet kan een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing alleen ten uitvoer worden gelegd in een gesloten accommodatie die voorkomt op de lijst van door de minister erkende instellingen. [naam gezinshuis] is geen geregistreerde/erkende instelling in zin van artikel 6.2.2. van de Jeugdwet, zodat [minderjarige] hier niet geplaatst kan worden met een machtiging gesloten jeugdhulp.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of [minderjarige] in [naam gezinshuis] kan worden geplaatst op grond van een open machtiging uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 1:265a van het BW, zoals subsidiair door de GI is verzocht.
Naar aanleiding van de beschikking van 31 augustus 2021 heeft de GI een document overgelegd waarin meer informatie wordt gegeven aangaande het pedagogisch leefklimaat en de geldende beperkingen bij [naam gezinshuis] in het algemeen en specifiek aangaande de recente plaatsing van [minderjarige] . In dit document wordt uitgebreid gemotiveerd waarom [naam gezinshuis] zichzelf als een open instelling ziet. [naam gezinshuis] stelt zich kort samengevat op het standpunt dat er weliswaar een aantal vrijheidsbeperkende maatregelen zijn – waaronder: een door een en muur/hek omsloten terrein, cameratoezicht, fysiek ingrijpen indien de veiligheid van de jeugdige of een ander in gevaar komt en de afwezigheid van elektronisch vermaak – maar deze maatregelen zijn er weloverwogen en met een pedagogisch doel ter waarborging van de (en vergroting van het gevoel van) veiligheid.
De advocaat van [minderjarige] heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam gezinshuis] geen open instelling is en dat voornoemde vrijheidsbeperkende maatregelen zelfs veel verder gaan dan is toegestaan in de gesloten jeugdhulp in Nederland. Gesloten jeugdhulp in Nederland is omgeven met bij wet georganiseerd toezicht (via Commissie van Toezicht) en beklagmogelijkheden voor minderjarigen (via de Klachtencommissie met beroepsmogelijkheid bij de RSJ) en toezicht op de naleving van de wettelijke regels via diverse inspecties. Dit alles ontbreekt in [naam gezinshuis] . De GI dient er volgens de advocaat onmiddellijk voor te zorgen dat [minderjarige] uit Spanje terugkeert naar Nederland.
De rechtbank overweegt als volgt. Op 31 augustus 2021 heeft de kinderrechter op basis van de (beperkte) informatie die toen voorhanden was geoordeeld dat [naam gezinshuis] voor [minderjarige] een zodanig gesloten karakter zou hebben dat een machtiging uithuisplaatsing op de voet van 1:265a BW daarvoor niet toereikend is. Met de nieuwe informatie en uitgebreide schriftelijke en tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting op het regime in [naam gezinshuis] , oordeelt de kinderrechter hierover thans anders. Er zijn weliswaar vrijheidsbeperkende maatregelen in [naam gezinshuis] , maar die maken nog niet dat [naam gezinshuis] als een gesloten accommodatie moet worden aangemerkt. Doorslaggevend voor dit oordeel is dat als een jongere aangeeft dat hij of zij weg wil, hij uiteindelijk ook weg kan. Daarover heeft de gezinsouder tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard dat die beslissing niet aan [naam gezinshuis] , maar aan de gezinsvoogd is. In het document van [naam gezinshuis] staat hierover geschreven dat in de akkoordverklaring die de jongere moet tekenen ook wordt benoemd naar de jongere dat zij weg kunnen lopen en dat [naam gezinshuis] dit niet kan voorkomen. Voorts acht de kinderrechter van belang dat de poorten van het werkterrein overdag veelal open staan, omdat ook klanten van de dierenarts, het dierenasiel en dierenhotel, alsook schoolkinderen en verstandelijk gehandicapten uit de regio het terrein regelmatig betreden. ’s Nachts worden de poorten wel gesloten, zoals gebruikelijk in afgelegen gebieden in Spanje, om het grote terrein van 100.000 m2 te beschermen tegen ongewenste indringers van buitenaf. Dit maakt [naam gezinshuis] naar het oordeel van de kinderrechter nog geen gesloten instelling. Indien een jongere [naam gezinshuis] wil verlaten, zal worden geprobeerd om hem te overtuigen om te blijven, maar zal hem uiteindelijk daartoe gelegenheid moeten worden gegeven als de jongere erop blijft staan. Ten aanzien van de overige maatregelen die ingrijpen op de vrijheid, zoals cameratoezicht en een verbod op elektronisch vermaak, geldt naar het oordeel van de kinderrechter ook dat die niet maken, ook niet alles in onderling verband gezien, dat het regime bij [naam gezinshuis] moet worden aangemerkt als een gesloten regime. De gezinshuisouder van [naam gezinshuis] heeft toegelicht dat en waarom deze maatregelen nodig zijn om de jongeren aan behandeling toe te laten komen en om een veilig leefklimaat te scheppen.
Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] bij [naam gezinshuis] kan verblijven op basis van een (open) machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 1:265a van het BW. Het subsidiaire verzoek van de GI zal dan ook worden toegewezen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp in dit geval niet passend is, nu [minderjarige] niet instemt met het verblijf bij [naam gezinshuis] . De kinderrechter zal machtiging verlenen op grond van artikel 1:265a BW om [minderjarige] gedurende dag en nacht te plaatsen bij [naam gezinshuis] in Spanje, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3. De beslissing
De kinderrechter:
- handhaaft de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp bij [naam gezinshuis] tot heden;
- verleent met ingang van 13 september 2021 tot 16 december 2021 een machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in [naam gezinshuis] , Spanje;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. G.M. Beunk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Wiersma, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2021.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 september 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.