RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amstelveen, eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5511
(gemachtigde: mr. A.C.R. Molenaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van Splunder).
Procesverloop
Met het besluit van 18 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding vanwege uitgevoerd adresonderzoek afgewezen.
Met het besluit van 10 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en E.C. Keijzer.
Overwegingen
Wat aan deze procedure vooraf ging
Verweerder is in 2019 een adresonderzoek gestart en in dat kader is de naam van eiser opgenomen in een lijst van uit de Basisregistratie personen (Brp) uit te schrijven personen in de gemeenterubriek in het Amstelveens Nieuwsblad van [datum 2] 2019. Met het besluit van [datum 3] 2019 is daadwerkelijk besloten eiser uit te schrijven uit de Brp. Ook dit besluit is gepubliceerd in de gemeenterubriek in het Amstelveens Nieuwsblad. Op 24 maart 2020 is het bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard en is het besluit van 4 december 2019 ingetrokken.
Eiser heeft vervolgens verzocht om schadevergoeding van € 1.000,-, omdat zijn naam twee maal ten onrechte is opgenomen in het Amstelveens Nieuwsblad en de gemeente na het besluit van 24 maart 2020 niet is overgegaan tot rectificatie in het Amstelveens Nieuwsblad. Eiser is van mening dat hij hiermee in zijn eer en goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, zodat hij recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Verweerder heeft eiser op 22 april 2020 gevraagd de geleden schade te onderbouwen. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Besluitvorming door verweerder
2. Verweerder heeft vervolgens de aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser de geleden schade niet heeft onderbouwd. Het adresonderzoek is uitgevoerd conform de circulaire Adresonderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en is daarmee zorgvuldig uitgevoerd. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast vanwege de publicatie in het Amstelveens Nieuwsblad, omdat hij hierop is aangesproken door bekenden. Volgens verweerder is dit op zichzelf geen reden om over te gaan tot toekenning van schadevergoeding. Niet overtuigend is gesteld dat eiser zodanig heeft geleden door het onrechtmatige besluit dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Eiser heeft niet onderbouwd waar het bedrag van € 1.000,- uit is opgebouwd. In de door eiser aangehaalde zaak Pekarikova is mogelijk onvoldoende getoetst of daadwerkelijk aanspraak op schadevergoeding gemaakt kon worden. Standpunt van eiser
3. Eiser voert in beroep aan dat hij door de omstandigheden psychische schade heeft geleden, althans dat zijn geestelijk letsel is verergerd. Uit het arrest van de Hoge Raad (HR) van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, rov 3.2.2, volgt dat op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond, een uitzondering kan worden gemaakt in verband met bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Eiser heeft psychische en lichamelijke klachten, waarvoor hij wordt begeleid door de Stichting Centrum ’45. Hij heeft in 2013 een ernstig ongeval gehad op zijn werk (een scheepswerf), wat de trigger is geweest op zijn oorlogsverleden in Bosnië. Eiser is door dit bedrijfsongeval afgekeurd en ontvangt een WIA-uitkering. Daarnaast heeft hij in 2015 een hartinfarct gehad ten gevolge van alle stress, gevolgd door relatieproblemen die tot een moeizame echtscheiding hebben geleid. Als eiser door het uitschrijven uit de Brp zijn WIA-uitkering en zijn zorgverzekeraar kwijt zou raken, zou hij nog meer problemen krijgen, die hij er niet bij kan hebben.
4. Door de twee publicaties is eiser in zijn persoon aangetast; er is sprake van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Als gevolg hiervan is eisers sociale netwerk ‘verschrompeld’. Daarom is sprake van de uitzondering als bedoeld in het arrest van de HR. Eiser doet daarnaast een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In een vergelijkbare zaak, de zaak Pekarikova, heeft de gemachtigde van eiser bij gelijke omstandigheden ook om schadevergoeding verzocht. Dit verzoek heeft verweerder destijds ingewilligd. Beoordeling door de rechtbank De procedure
De rechtbank stelt vast dat partijen de verkeerde procedure hebben gevolgd. Een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet op grond van artikel 8:90, eerste lid, van de Awb worden ingediend de bestuursrechter. Op grond van het tweede lid moet acht weken daarvoor aan het betrokken bestuursorgaan gevraagd worden om schadevergoeding.
Tegen de afwijzing van het verzoek staat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 7:1 van de Awb geen bezwaar en beroep open. Eiser heeft ten onrechte bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek. Verweerder had de reactie op de afwijzing van het schadeverzoek op grond van artikel 6:15, eerste lid, en artikel 8:90, eerste lid, van de Awb moeten doorzenden aan de rechtbank. Verweerder heeft dit niet gedaan, maar een beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank vat het beroep met instemming van partijen op als een verzoek op grond artikel 8:90, eerste lid, van de Awb.
Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank wijst dit verzoek af. Omdat geen sprake is van een bezwaarprocedure zijn de regels over overschrijding van de redelijke termijn niet van toepassing. Het verzoek om schadevergoeding
6.
Niet in geschil is dat het besluit van 4 december 2019 waarbij eiser is uitgeschreven uit de Brp, onrechtmatig was.
Op grond van artikel 6:106 BW moet eiser, om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade vanwege dit onrechtmatige besluit, met concrete gegevens onderbouwen dat hij psychische schade heeft geleden als gevolg van het besluit. Dat bij eiser sprake was van spanning en frustratie en dat mogelijk sprake was van een zeker psychisch onbehagen vanwege de onterechte uitschrijving is onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De rechtbank motiveert dit hieronder.
Eiser heeft aangevoerd dat zijn WIA-uitkering en zijn schuldsanering stopgezet dreigden te worden, waardoor hij in grote onzekerheid verkeerde. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij na het besluit van 4 december 2019 contact heeft opgenomen met het betrokken instanties en dat hem is gezegd dat het bezwaar tegen dat besluit wordt afgewacht, voordat de WIA-uitkering wordt ingetrokken en de schuldsanering wordt stopgezet. Wat dat betreft was er bij eiser dus geen onzekerheid meer. Op de zitting heeft eiser een e-mail overgelegd van [datum 1] van [naam] van ARQ/Centrum ’45. In de e-mail staat onder meer: “Tijdens de contacten meldde patiënt veel spanning vanwege allerlei actuele stressoren (zoals conflict met gemeente en schuldhulpverlening), of deze spanningen juist in deze periode toegenomen zijn vanwege de door u genoemde publicatie, staat niet expliciet benoemd. Patiënt is vervolgens enige tijd in Bosnië geweest, in de periode januari/medio februari [2020] meldt hij een zware tijd te hebben gehad vanwege conflicten met de gemeente.” In deze e-mail leest de rechtbank niet dat er een directe relatie is tussen de klachten van eiser en het besluit van verweerder om hem uit te schrijven uit de Brp. Hierbij speelt mee dat tussen eiser en verweerder ook andere conflicten speelden, bijvoorbeeld over de afwijzing van een urgentieverklaring.
Het beroep op de in de uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 2019 genoemde uitzondering dat de schade moet worden onderbouwd baat eiser niet. De Hoge Raad overweegt in die uitspraak dat van deze uitzondering slechts sprake is indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een zodanig ernstige normschending geen sprake is.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel baat eiser niet. Niet is gebleken dat van gelijke gevallen sprake is. In het door eiser aangehaalde geval was ook sprake van onterechte uitschrijving uit de Brp, maar niet duidelijk is geworden onder welke omstandigheden in dat geval schadevergoeding is toegekend. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting verklaard dat schadevergoeding bij onterechte uitschrijving uit de Brp niet automatisch wordt toegekend; er zijn ook gevallen waarin het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Zelfs als in het door eiser aangehaalde geval wel automatisch schadevergoeding is toegekend, betekent dat niet dat dit ook in eisers geval moet worden toegekend. Verweerder is immers niet gehouden om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.
De rechtbank wijst dan ook het verzoek om schadevergoeding af. Proceskosten en griffierecht
7. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser een vergoeding van de kosten van deze procedure toe te kennen. Eiser, vertegenwoordigd door een professionele rechtshulpverlener, had na de afwijzing van zijn verzoek als bedoeld in artikel 8:88, tweede lid, van de Awb geen bezwaar moeten maken, maar een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bij de bevoegde rechter moeten indienen. Voor vergoeding voor griffierecht is eveneens geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het met deze uitspraak niet eens?
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.