ECLI:NL:RBAMS:2022:397

ECLI:NL:RBAMS:2022:397, Rechtbank Amsterdam, 31-01-2022, AMS 20/4743 en 21/888

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 31-01-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AMS 20/4743 en 21/888
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

EU:32016R0679

Samenvatting

Een Amsterdammer die bezwaar maakte tegen het gemeentelijke verbod voor een coronademonstratie op 1 april 2020 en een rectificatieverzoek indiende, krijgt geen gelijk van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2022 in de zaken tussen

de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/4743 en 21/888

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

(gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een verbod opgelegd om op 1 april 2020 te gaan demonstreren.

Bij besluit van 22 juli 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en eisers rectificatieverzoek op grond van Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 20 januari 2021 (het bestreden besluit II) heeft verweerder geweigerd een beslissing op bezwaar te nemen en het bezwaarschrift als beroepschrift doorgestuurd naar deze rechtbank.

Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2021.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de zaken gelijktijdig behandeld.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 29 maart 2020 heeft eiser kenbaar gemaakt op 1 april 2020 te willen demonstreren. Met het primaire besluit heeft verweerder deze demonstratie verboden in het belang van de gezondheid. Verweerder heeft met een brief van 2 april 2020 het primaire besluit nader onderbouwd. Eiser heeft tegen dit verbod bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft dit verzoek met de uitspraak van 3 april 2020 afgewezen (AMS 20/1925).

2. Op 30 juni 2020 heeft eiser met betrekking tot de brief van 2 april 2020 een rectificatieverzoek op grond van de AVG ingediend. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het rectificatieverzoek afgewezen op grond van artikel 12, vijfde lid, van de AVG. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het rectificatieverzoek. Met het bestreden besluit II heeft verweerder geweigerd een beslissing op bezwaar te nemen en het bezwaarschrift doorgestuurd naar deze rechtbank.

Procesbelang ten aanzien van het bestreden besluit I (20/4743)

3. Vast staat dat de door eiser beoogde demonstratie nooit heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft de demonstratie immers verboden en het verzoek om een voorlopige voorziening is door deze rechtbank bij uitspraak van 3 april 2020 afgewezen. Gelet hierop ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of er procesbelang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

4. Naar vaste rechtspraak is er sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Daarnaast kan er procesbelang zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat hij in de toekomst vaker soortgelijke demonstraties zal organiseren.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder overtuigend heeft gesteld dat demonstraties in de voorzienbare toekomst niet meer worden verboden op de grondslag van het belang van de gezondheid. De situatie deed zich voor aan het begin van de pandemie toen er nog weinig bekend was over Covid-19. Inmiddels is er meer kennis over Covid-19 en zijn veel mensen gevaccineerd. Daarom wordt er soepeler met verzoeken om demonstraties omgegaan, aldus verweerder. Naar aanleiding van het door eiser op de zitting gestelde dat nadien andere door hem aangekondigde demonstraties ook zijn verboden, heeft verweerder onweersproken gesteld dat deze zijn verboden op een andere grondslag. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I.

6. Dit beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Procesbelang ten aanzien van het bestreden besluit II (21/888)

7. De rechtbank stelt vast dat eisers rectificatieverzoek betrekking heeft op de brief van 2 april 2020 die de nadere motivering vormt van het bestreden besluit I. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. Nu de motivering deel uitmaakt van het bestreden besluit I, kan diezelfde motivering niet in een aparte procedure worden aangevochten. Eiser heeft daarom ook geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit II.

8. De rechtbank zal ook dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

9. Het beroep is in beide zaken niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep in beide zaken niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.M. Koning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F.P. Lauwaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?