RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[eiser] ,
de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE,
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9537271 CV EXPL 21-16160
vonnis van: 3 maart 2023
fno.: 515
I n z a k e
wonende te [woonplaats] ,
eiser in oppositie, eiser in reconventie,
nader te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W. Albers,
t e g e n
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in oppositie, verweerster in reconventie,
nader te noemen: Rochdale,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V..
Op 20 januari 2023 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft [eiser] niet gereageerd en heeft Rochdale om uitstel voor het nemen van een akte gevraagd.
Voorts is een e-mail van 23 februari 2023 namens Rochdale binnengekomen die aan het dossier wordt toegevoegd.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
1. Bij voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter het voornemen kenbaar gemaakt de navolgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen en zijn partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
2. [eiser] heeft geen akte ingediend. Rochdale heeft in verband met de complexiteit om uitstel gevraagd om een akte in te dienen. Voorts heeft zij bij e-mail van 23 februari 2023 nog een toelichting gegeven op dit verzoek.
3. Hieromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Gelet op de gewenste duidelijkheid over bovengenoemde vragen voor de rechtspraktijk, wordt dit uitstel in dit stadium niet gegeven. (zie hiervoor onder andere ook de noot van mr. Th. Gardenbroek in aflevering 2 van Jurisprudentie Huur en Verhuur van 23 februari 2023). Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat in deze afweging mede een rol heeft gespeeld dat in kantonzaken het bekendmaken van het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen in veel gevallen tot intrekking van de vordering leidt. Dat heeft tot gevolg dat de voorgenomen vragen niet gesteld kunnen worden, waardoor het doel van de prejudiciële procedure niet kan worden bereikt. De vragen zullen daarom nu al gesteld worden. De Hoge Raad heeft dan op grond van artikel 393 lid 9 Rv de bevoegdheid de vragen ook te beantwoorden als eisende partij haar vordering intrekt. Wel zal Rochdale overigens alsnog over vier weken in de gelegenheid worden gesteld op de geformuleerde prejudiciële vragen te reageren, hetgeen tot wijziging of intrekking van bepaalde vragen kan leiden. Op deze wijze wordt aan de ratio van artikel 393 lid 2 Rv voldaan en wordt aan het belang van Rochdale tegemoet gekomen. Dit is een werkwijze die eerder is gehanteerd en waartegen door de Hoge Raad geen bezwaren zijn geuit. (zie ECLI:NL:RBAMS:2020:6481, resulterend in het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1677). Daarvoor is verschijnen van Rochdale in de procedure bij de Hoge Raad ook niet nodig, zoals zij als belang in haar e-mail van 23 februari 2023 heeft genoemd. De kantonrechter zal er voor zorgdragen dat alle door Rochdale aangedragen argumenten integraal aan het dossier ten behoeve van de Hoge Raad zullen worden toegevoegd. De Hoge Raad wordt verzocht de vragen niet eerder in behandeling te nemen dan na ommekomst van deze termijn. De kantonrechter zal na ontvangst de akte van Rochdale aan de Hoge Raad doorsturen, zodat de Hoge Raad bij de beantwoording van de vragen, de opmerkingen van Rochdale kan betrekken. Mocht deze akte van Rochdale voor de kantonrechter aanleiding geven vragen te wijzigen, dan wel in te trekken, zal de kantonrechter de Hoge Raad daarover informeren.
4. De kantonrechter zal in afwachting van de akte van Rochdale en de beantwoording van de vragen door de Hoge Raad de zaak aanhouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
stelt de Hoge Raad de prejudiciële vragen zoals vermeld in rechtsoverweging 1;
verzoekt de Hoge Raad deze vragen niet eerder in behandeling te nemen dan is bepaald in rechtsoverweging 3;
verwijst de zaak naar de rolzitting van vrijdag 31 maart 2023 te 10:00 uur voor het indienen door Rochdale van een akte als hiervoor overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.