RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751350-21
RK nummer: 22/314
Datum uitspraak: 9 maart 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 18 januari 2022 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juni 2020 door the District Court of Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een combined judgment van the District Court of Lublin van 25 april 2019, met referentie IV K 20/19.
Uit aanvullende informatie namens de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 januari 2023 en de bijgevoegde vertaling van het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19 blijkt dat aan dit verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
1. een judgment van the Regional Court in Lublin van 29 juli 2011 met referentie IV K 122/11, onherroepelijk sinds 18 oktober 2011;
2. een cumulative judgment van the District Court in Biala Podlaska van 24 oktober 2016 met referentie VII K 532/16, met daaraan ten grondslag de volgende vonnissen:
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 20 december 2007 met referentie II K 627/07, onherroepelijk sinds 28 december 2007;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 18 februari 2008 met referentie II K 579/07, onherroepelijk sinds 26 februari 2008;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 30 juli 2008 met referentie II K 19/08, onherroepelijk sinds 7 augustus 2008;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 18 januari 2011 met referentie II K 233/10, onherroepelijk sinds 26 januari 2011;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 16 maart 2015 met referentie VII K 86/15, onherroepelijk sinds 24 maart 2015;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 25 mei 2015 met referentie VII K 215/15, onherroepelijk sinds 26 november 2015;
een judgment van the District Court in Biala Podlaska van 15 mei 2015 met referentie VII K 102/15, onherroepelijk sinds 28 januari 2016.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 7 jaar, 11 maanden en 24 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor onder 1 genoemde verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.1 kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van deze bevoegdheid en acht daarbij het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie namens de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 januari 2023 blijkt het volgende. De opgeëiste persoon heeft niet zelf verzocht om het wijzen van het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19, maar deze procedure is ex officio (ambtshalve) geïnitieerd. Op 26 maart 2019 is zonder succes geprobeerd om de opgeëiste persoon op te roepen voor het proces dat vervolgens heeft geleid tot het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19. Deze oproeping heeft plaatsgevonden op het adres dat de opgeëiste persoon in het kader van een andere, eerdere procedure (met kenmerk IV K 122/11) heeft opgegeven (in 2011). In het kader van deze andere procedure is aan de opgeëiste persoon weliswaar een zogeheten adresinstructie gegeven, maar deze kan niet geacht worden ook te zien op de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte is geweest van de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19. Dit brengt met zich mee dat ook niet vastgesteld kan worden of hij al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
De rechtbank weigert de overlevering, overeenkomstig het primaire standpunt van zowel de raadsman als de officier van justitie, op grond van artikel 12 OLW.
Dit leidt ertoe dat de situatie rondom artikel 12 OLW niet meer besproken hoeft te worden ten aanzien van de vonnissen die aan het verzamelvonnis met kenmerk IV K 20/19 ten grondslag liggen.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 12 OLW.
7. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin (Polen).
STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 maart 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.