ECLI:NL:RBAMS:2023:7207

ECLI:NL:RBAMS:2023:7207, Rechtbank Amsterdam, 14-11-2023, 13.156504-23

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-11-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13.156504-23
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0016664

Samenvatting

Executie-EAB Polen. De rechtbank ziet af van weigeren o.g.v. art. 12 OLW; adresinstructie. Beroep op gelijkstelling met een Nederlander verworpen. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.156504-23 (oud 13.751494-21)

Datum uitspraak: 14 november 2023

UITSPRAAK

op de vordering van 4 mei 2021 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juli 2018 door the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting 29 december 2022

De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op voorhand aangehouden naar aanleiding van het daartoe gedane verzoek van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

Zitting 31 oktober 2023

De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Koszalin van 2 oktober 2014, kenmerk: II K 200/14.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en één maand en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Vonnis van the Local Court in Koszalin van 2 oktober 2014

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het EAB volgt namelijk dat de opgeëiste persoon tijdens zijn eerste verhoor een zogenaamde ‘adresinstructie’ heeft gekregen, waarbij hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan (namelijk dat brieven aan het laatste bekende adres rechtsgeldig kunnen worden betekend). De oproeping voor de zitting is vervolgens verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Polen.

Daarbij volgt uit het EAB dat de opgeëiste persoon - in het kader van een ‘voluntary subjection to punishment’ ingevolge het Poolse Wetboek van Strafvordering - al vóór de zitting een straf is overeengekomen met de Poolse officier van justitie. De opgeëiste persoon is toen op de hoogte gesteld van de mogelijkheid dat de overeengekomen straf - mocht hij niet op de zitting verschijnen - in zijn afwezigheid zou kunnen worden opgelegd en ook zijn hem de regels over hoger beroep medegedeeld.

Gelet op deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon wist waarvan hij werd verdacht en dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

De rechtbank komt - met de officier van justitie - tot de conclusie dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon dan ook niet zijn geschonden.

Omzettingsbeslissing

De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Local Court in Koszalin (Polen) van 23 november 2016 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.

Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 september 2023 blijkt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is gegeven vanwege een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland (Nederland) van 20 juni 2016, kenmerk: 05-078893-16. Uit de akte van uitreiking van 14 april 2016 blijkt dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in deze zaak in persoon heeft ontvangen. De rechtbank is daarom - met de officier van justitie - van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is.

De beslissing tot tenuitvoerlegging van 23 november 2016 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

5. Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

- Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich - evenals de officier van justitie - op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, van de OLW. De raadsvrouw heeft een grote hoeveelheid stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan en heeft geconcludeerd dat de overlevering dient te worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.

Oordeel van de rechtbank

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

In het onderhavige geval kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 mei 2021volgt dat de opgeëiste persoon in de periode van 11 februari 2019 tot 11 maart 2019 in Nederland gedetineerd heeft gezeten wegens een veroordeling door de politierechter van de rechtbank Gelderland (Nederland) van 12 april 2018, kenmerk: 05-009175-18. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie telt een periode die op grond van een straf in detentie is doorgebracht niet mee voor de verwerving van duurzaam verblijfsrecht en doorbreekt een dergelijke periode het ononderbroken karakter van het verblijf. Deze regel is ook opgenomen in artikel 8.17, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, uitgelegd in het licht van deze rechtspraak. Er is daarom geen sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland van de opgeëiste persoon gedurende een periode van ten minste vijf jaar.

De rechtbank verwerpt het beroep op gelijkstelling met een Nederlander.

7. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2023.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?