RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen
China Center Amsterdam B.V. , uit Amsterdam, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2820
(gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers),
en
(gemachtigden: mr. S. Ugur en [gemachtigde] ).
Procesverloop
Met een besluit van 20 juli 2021 (het primaire besluit) heeft het college de omgevingsvergunning van eiseres voor het bouwen van een hotel met parkeergarage op de locatie [adres] [nummer] in Amsterdam ingetrokken.
Met een besluit van 19 april 2022, verzonden op 25 april 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de intrekking in stand gelaten.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2023 op zitting behandeld. De gemachtigde van het college, [naam] , was aanwezig. De gemachtigde van eiseres was niet aanwezig, omdat hij per abuis geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen. De rechtbank heeft daarom een nieuwe zitting gepland op 16 mei 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [namen] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. In 2013 hebben eiseres en het college een intentieovereenkomst gesloten met als doel te komen tot de realisering van een bouwplan door eiseres in [locatie] in Amsterdam. Dit bouwplan strekte tot de ontwikkeling van een hotel met parkeervoorzieningen in drie fases. Voor de ontwikkeling van het bouwplan is uitgifte van gronden in erfpacht door het college nodig. Fase 1 is inmiddels gerealiseerd en kan onafhankelijk van fase 2 en 3 functioneren. Fase 2 en 3 zijn gecombineerd.
2. Op 13 september 2018 heeft eiseres bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een hotel met een parkeergarage op de locatie [adres] [nummer] in Amsterdam, ten behoeve van fase 2 en 3. Omdat het college niet tijdig heeft besloten op de aanvraag van eiseres, is de omgevingsvergunning op 29 januari 2019 van rechtswege verleend. Dit heeft het college aan eiseres bekendgemaakt met een besluit van 31 januari 2019. In dit besluit heeft het college vermeld dat er nog een onderzoek loopt in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). Ook heeft het college vermeld dat het resultaat van het Bibob-onderzoek een reden kan zijn om de verleende omgevingsvergunning in te trekken.
3. Op 24 mei 2019 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om de omgevingsvergunning in te trekken. Volgens het college heeft eiseres het Bibob-formulier niet naar waarheid ingevuld, zodat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Op 18 december 2019 is een tweede voornemen gestuurd.
4. Op 20 april 2021 heeft het college nogmaals het voornemen kenbaar gemaakt om de omgevingsvergunning in te trekken. Dit keer om de reden dat eiseres gedurende 26 weken geen handelingen heeft verricht met gebruikmaking van de vergunning. Gelet op de weigering van het verzoek van eiseres tot wijziging van het erfpachtrecht dat betrekking heeft op de bouwactiviteiten van de verleende omgevingsvergunning, is het volgens het college niet aannemelijk dat eiseres alsnog binnen korte termijn de ongebruikte omgevingsvergunning kan benutten.
5. Op 12 mei 2021 heeft het college eiseres op de hoogte gesteld van het besluit de erfpachtwijziging ten behoeve van de realisatie van fase 3, te weigeren. De gemeente Amsterdam heeft de contractuele banden met eiseres verbroken, omdat de gemeente - kort gezegd - het vertrouwen heeft verloren in een gedegen uitvoering van het project vanwege integriteits- en financiële risico’s. Als eiseres het niet eens is met deze beslissing, kan zij zich wenden tot de civiele rechter.
6. Met het primaire besluit heeft het college de omgevingsvergunning definitief ingetrokken. In de door eiseres naar voren gebrachte zienswijze ziet het college geen aanleiding om het voornemen van 20 april 2021 te wijzigen. Met het bestreden besluit heeft het college de intrekking in stand gelaten. Het college heeft hieraan een advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag gelegd. In dit advies staat dat eiseres sinds de verlening van de omgevingsvergunning op 29 januari 2019 hier geen gebruik van heeft gemaakt. Het is niet aannemelijk dat eiseres de omgevingsvergunning op korte termijn kan benutten. Dit is eiseres aan te rekenen. Op 7 februari 2019 is een e-mail gestuurd naar eiseres dat het niet is toegestaan om te starten met de bouw vanwege het lopende Bibob-traject. Toentertijd was duidelijk dat eiseres, ondanks herhaalde verzoeken, niet de gevraagde informatie had ingediend. Aan de grote (financiële) belangen van eiseres die betrokken zijn bij de omgevingsvergunning is, aldus de bezwaarschriftencommissie, voldoende tegemoetgekomen door haar meermaals in de gelegenheid te stellen om ontbrekende informatie aan te leveren.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres voert aan dat het niet aan haar is toe te rekenen dat zij geen nadere informatie heeft aangeleverd. In het primaire besluit heeft het college meegedeeld dat de integriteitsrisico’s geen rol meer spelen bij de besluitvorming van het college over eventuele intrekking van de omgevingsvergunning. Nu trekt het college de omgevingsvergunning toch in wegens de integriteitsrisico’s. Het college heeft zijn privaatrechtelijk besluit tot weigering van de erfpachtregeling van 12 mei 2021 immers gebaseerd op de vermeende integriteitsrisico’s. Ook voert eiseres aan dat het haar niet is toe te reken dat zij de omgevingsvergunning nog niet heeft benut. Het college heeft eiseres immers op
7 februari 2019 per e-mail uitdrukkelijk verboden om te starten met de vergunde bouw.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit volgt dat de omgevingsvergunning wordt ingetrokken op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo, omdat eiseres 26 weken lang geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning. De intrekking van een omgevingsvergunning op grond van deze bepaling is geen verplichting maar een bevoegdheid van het college. Bij de toepassing van de bevoegdheid heeft het college beleidsruimte. Het college moet alle relevante belangen inventariseren en afwegen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder, eiseres dus. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan eiseres is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij of zij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.
9. De rechtbank stelt verder vast dat de Wet Bibob niet langer aan de intrekking ten grondslag is gelegd, maar dat de integriteitsrisico’s wel zijn betrokken bij het besluit om geen erfpacht te verlenen voor fase 3. De beslissing van 12 mei 2021 om geen erfpacht te verlenen ligt echter niet voor in deze procedure en kan ook niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Omdat eiseres geen civiele procedure is gestart tegen de beslissing van 12 mei 2021, is de rechtbank met het college van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alsnog binnen korte termijn de omgevingsvergunning zal benutten. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven dat er mogelijk een derde-partij gebruik wil maken van de omgevingsvergunning, maar er ligt nog geen concreet plan en het college heeft aangegeven niet mee te zullen werken aan hetgeen er nu ligt.
10. Eiseres voert aan dat zij 26 weken geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, omdat zij op 7 februari 2019 een e-mail heeft ontvangen waarin staat dat zij niet mocht bouwen voordat het onderzoek was afgerond. Voor zover eiseres daarmee bedoelt dat haar niet valt aan te rekenen dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, gaat de rechtbank daar niet in mee. Het college heeft eiseres meerdere malen in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren voor de Bibob-screening. Daar heeft eiseres steeds niet aan voldaan en in zoverre kan het wel aan haar worden toegerekend dat het onderzoek lang heeft geduurd. Dit heeft ook tot de beslissing van het college geleid om niet mee te werken aan de erfpachtuitgifte. De rechtbank is van oordeel dat het eiseres wel degelijk is aan te rekenen dat het lang heeft geduurd voordat de Bibob-beslissing en het erfpachtbesluit werden genomen.
11. Eiseres heeft aangegeven financiële belangen te hebben bij het alsnog uitvoeren van de omgevingsvergunning. De rechtbank is van oordeel dat het college een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat de omgevingsvergunning niet kan worden uitgevoerd vanwege het ontbreken van erfpachtrecht voor fase 3 dan aan het gestelde financiële belang van eiseres. Het had op de weg van eiseres gelegen om een civielrechtelijke procedure te starten tegen de erfpachtbeslissing van 12 mei 2021 om haar financiële belangen veilig te stellen.
Conclusie
12. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
27 juni 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.