Verzoek tot het indienen van een aanvullend rechtshulpverzoek aan de VAE
Inleiding
11. Bij de reeds aangehaalde beslissing van 8 november 2021 heeft de rechtbank over de antwoorden van de autoriteiten van de VAE over de Dubai-observatie op het eerdere rechtshulpverzoek van 11 december 2020 al geoordeeld dat deze antwoorden erg summier zijn en geen inzicht geven in wat er zich heeft afgespeeld in Dubai tijdens de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef. De rechtbank heeft zich toen voorgesteld dat in het op te stellen aanvullende rechtshulpverzoek een aantal nieuwe zo concreet mogelijke vragen worden gesteld, te weten:
Deze vragen zijn vervolgens nagenoeg gelijkluidend in het aanvullende rechtshulpverzoek van 10 december 2021 aan de autoriteiten van de VAE gesteld.
12. Op 2 oktober 2023, aan de rechtbank en verdediging op 4 december 2023 verstrekt, hebben de autoriteiten van de VAE deze vragen als volgt beantwoord:
“De vragen 1 tot 10: Er is geen bepaald persoon geobserveerd. Conform het gestelde in het Wetboek Strafvordering zijn functionarissen van de gerechtelijke handhaving, waaronder politieagenten, elk op het gebied van de eigen bevoegdheid gemachtigd om naspeuringen te verrichten en onderzoek te doen naar aangeklaagden en verdachten om hen te vervolgen teneinde het misdrijf en de daders daarvan aan het licht te brengen. Onder de procedures van de politie vallen het zoeken en naspeuring doen naar een internationaal gezocht persoon, en er is geen bepaald persoon geobserveerd. De aard van het werk van de handhavingsfunctionarissen is dat zij de gewoonlijke procedures volgen bij de observatie van gezochte personen en personen die in relatie staan tot gezochte personen, totdat de hoofdverdachte gelokaliseerd is en opgepakt.”
Standpunt van de verdediging
13. De verdediging verzoekt – samengevat – het Openbaar Ministerie op te dragen bij voorkeur direct via de minister van Justitie en Veiligheid, die immers internationale betrekkingen met Marokko en Dubai belangrijk vindt en die landen ook bezoekt, de tien vragen opnieuw te laten stellen en er daarbij op te laten wijzen welk antwoord er is gekomen en welke informatie over de observatie al in het dossier zit. Uit die informatie blijkt al dat er een observatie op mrs. Meijering en Van Kleef is geweest. De beantwoording door de autoriteiten van de VAE is daarom – ruw gezegd – een leugen en ‘een dikke vinger’ naar Nederland. De verdediging stelt in dit verband dat zij, anders dan het Openbaar Ministerie, in die beantwoording niet leest dat ‘bepaalde persoon’ ook op verdachte [naam verdachte 6] zou kunnen slaan. Aangezien er inmiddels een verdrag met de VAE is gesloten, is er temeer reden om deze vragen opnieuw te laten stellen. De verdediging heeft daarbij de wens om zich aan de hand van de beslissing op haar verzoek te beraden. De verdediging heeft immers mede op grond van de Dubai-observatie bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het eventuele ontbreken van vervolgstappen van het Openbaar Ministerie of (ambtshalve) onderzoek door de rechtbank wenst zij daarbij dan misschien te betrekken.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
14. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De antwoorden vanuit Dubai zijn heel kort en er is niet uitgebreid ingegaan op de vragen die de rechtbank heeft gesteld. Het antwoord kan overigens op verschillende manieren worden geduid. Het hoeft niet zo te zijn dat de rechtbank wordt bedrogen, zoals de raadslieden stellen, omdat het antwoord niet uitsluit dat er een observatie heeft plaatsgevonden. Anders gezegd: de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef was juridisch niet op hen gericht maar gericht op een gewenste situatie, namelijk de aanhouding van verdachte [naam verdachte 6] . En verdachte [naam verdachte 6] (die bepaalde persoon) is daarbij niet gezien. Wat daar ook van zij: met dit antwoord zullen we het moeten doen en de rechtbank moet hieraan de conclusies verbinden die zij geraden acht. Van een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan geen sprake zijn omdat van Nederlandse zijde uitgebreid verslag is gedaan van en verantwoording is afgelegd over de gang van zaken. Voor zover het antwoord van de VAE als misleiding zou worden beschouwd, kan dat het Openbaar Ministerie niet worden toegerekend in de vorm van een niet-ontvankelijkheid.
Oordeel van de rechtbank
15. De rechtbank stelt vast dat haar vragen, die uitgebreid en gedetailleerd waren, erg kort zijn beantwoord. De rechtbank acht dit onbevredigend maar ziet hierin geen aanleiding om het verzoek van de verdediging toe te wijzen. Allereerst merkt de rechtbank op dat zij het Openbaar Ministerie niet kan opdragen een rechtshulpverzoek rechtstreeks via de minister van Justitie en Veiligheid onder de aandacht van de autoriteiten van de VAE te laten brengen. Voor het indienen van een nieuw (aanvullend) rechtshulpverzoek zouden de gebruikelijke wegen, via AIRS, bewandeld moeten worden. Maar los daarvan geldt dat de rechtbank – vanwege dit recent ontvangen korte antwoord – niet verwacht dat het herhaald stellen van dezelfde vragen thans wel tot uitgebreider beantwoording zal leiden, ook niet als daarbij wordt gewezen op de overige beschikbare informatie die bekend is over de observatie van de raadslieden. Ook weegt daarbij mee dat beantwoording niet op aanvaardbare termijn valt te verwachten. Het heeft immers bijna twee jaar geduurd voordat dit antwoord kwam. De omstandigheid dat inmiddels een verdrag is gesloten met de VAE maakt dit niet wezenlijk anders. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal bij vonnis op basis van hetgeen zich thans aan informatie over de Dubai-observatie in het dossier bevindt en hetgeen daarover is bepleit en aangevoerd, beslissen op de in dit verband gevoerde verweren.
In de zaak van verdachte [naam verdachte 5]
Herhaalde verzoeken
Verzoek van de verdediging
16. De verdediging heeft opnieuw verzocht om – kort gezegd – een aanvullend verhoor van de kroongetuige en het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van de kroongetuigenregeling. Daarbij heeft de verdediging benadrukt dat met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld dat criteria als proceseconomie en voortgang van de zaak toewijzing van die verzoeken niet in de weg hadden hoeven zitten. Een aanvullend verhoor van de kroongetuige had allang vormgegeven kunnen worden en ook had er al een antwoord van de Hoge Raad, die volgens de verdediging snakt naar prejudiciële vragen, kunnen zijn. Ook is opnieuw verzocht om de verkrijging van het psychologisch rapport over de kroongetuige en het (laten) beantwoorden van de door de verdediging gestelde vragen over de met de kroongetuige gemaakte financiële afspraken. Ondanks de eerdere afwijzingen van de rechtbank wordt verzocht de gedane verzoeken (alsnog) toe te wijzen en uit te laten voeren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
17. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de (herhaalde) verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
18. De rechtbank stelt vast dat de verdediging opnieuw haar eerdere verzoeken heeft herhaald zonder daaraan nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag te leggen. De rechtbank wijst deze verzoeken om die reden opnieuw af onder verwijzing naar haar eerdere beslissingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verzoeken – anders dan de verdediging stelt – niet zijn afgewezen op proceseconomische gronden.
In de zaak van verdachte [naam verdachte 1]
Verzoek tot het laten vervallen van de grond ‘vluchtgevaar’
Standpunt van de verdediging
19. Namens verdachte [naam verdachte 1] is aandacht gevraagd voor de door de rechtbank bij beslissing van 13 september 2021 toegevoegde grond vluchtgevaar als grond voor de voorlopige hechtenis. Door deze beslissing is zijn zogeheten GVM-status wezenlijk negatief beïnvloed. De verdediging verzoekt deze grond te laten vervallen omdat deze ten onrechte is toegevoegd. De overweging van de rechtbank in die beslissing dat ‘De enkele omstandigheid dat verdachte, als hij op vrije voeten is, mogelijk de beschikking heeft (of krijgt) over valse (reis)papieren, rechtvaardigt reeds de grond vluchtgevaar. Het gegeven dat hij naast de vervolging in Nederland mogelijk ook nog in Marokko zal worden vervolgd voor betrokkenheid bij een levensdelict, maakt het risico dat verdachte zich – anders dan door hem voorgespiegeld – onvindbaar zal willen maken voor politie en justitie, alleen maar groter’ is zeer algemeen. Deze motivering geldt eigenlijk voor elke verdachte die mogelijke connecties heeft met het buitenland of een zware straf te duchten heeft. Bovendien wijst de verdediging erop dat een medeverdachte ook over valse papieren beschikte maar zelfs is geschorst. Ook wijst de verdediging erop dat verdachte [naam verdachte 1] , ondanks dat hij wist van een Marokkaans uitleveringsverzoek voor verdachte [naam verdachte 7] waarin stond dat Marokko ook de uitlevering van hemzelf zou hebben verzocht en ondanks dat hij door de aanhouding van zijn broer wist dat hij voor de zaak Marengo zou worden aangehouden en zijn vrouw bovendien op het punt stond te bevallen, niet is gevlucht. Het voorgaande moet leiden tot het laten vervallen van de grond vluchtgevaar.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
20. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verdachte [naam verdachte 1] heeft juist vanwege de detentie van zijn broer [naam verdachte 8] niet kunnen vluchten omdat zowel het valse paspoort als het valse rijbewijs op naam stond van zijn broer. Verdachte [naam verdachte 1] wist bovendien dat hij zelf aangehouden zou worden, dus vluchten op zijn eigen papieren was ook niet mogelijk. Het Openbaar Ministerie wijst er nog op dat de grond vluchtgevaar niet één op één gelijk is aan de grond ‘ontvluchtingsgevaar/bevrijding van buitenaf’ uit de GVM-circulaire. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen wordt zelfstandig getoetst of er feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat een gedetineerde zal ontsnappen of zal worden bevrijd uit de gevangenis. Daarbij kan meewegen dat de rechtbank de grond vluchtgevaar heeft aangenomen, maar bepalend is het daarvoor niet. In detentie had [naam verdachte 1] al sinds 2019 – dus ruim voordat de grond vluchtgevaar door de rechtbank werd toegevoegd – de GVM-status, onder meer gebaseerd op zijn geslaagde ontsnapping uit de penitentiaire inrichting [naam PI] in 2009.
Oordeel van de rechtbank
21. De rechtbank is van oordeel dat de grond vluchtgevaar nog altijd aanwezig is. De verdediging mag de eerdere overweging van de rechtbank (te) algemeen vinden, maar deze geldt onverkort, met de kanttekening dat de rechtbank bij beslissing van 22 juni 2022 heeft vastgesteld dat Marokko niet om de uitlevering van verdachte [naam verdachte 1] heeft gevraagd. De rechtbank heeft in de beslissing van 13 september 2021 wel nog gewezen op het feit dat verdachte al eens – in 2009 – ontsnapt is uit een penitentiaire inrichting. Dat is, zoals de rechtbank toen overwoog, weliswaar langer geleden maar geeft wel een indicatie dat verdachte bereid is te vluchten voor justitie. Ook dit geldt nog onverkort. De rechtbank is ten slotte niet anders gaan kijken naar de aanwezigheid van het vluchtgevaar door de stellingen dat verdachte wist van zijn ophanden zijnde aanhouding en de informatie over hem in het uitleveringsverzoek van verdachte [naam verdachte 7] en dat zijn vrouw hoogzwanger was en hij desalniettemin niet is gevlucht. In dit verband onderschrijft de rechtbank de stelling van het Openbaar Ministerie in zoverre dat verdachte op dat moment ook moeilijk kón vluchten. Niet op zijn eigen documenten omdat hij gezocht werd en ook niet op de valse documenten op naam van zijn broer omdat die toen vastzat. De vergelijking met een geschorste medeverdachte die (ook) over valse documenten zou hebben beschikt, kan daaraan niet afdoen, ook al niet omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om de grond vluchtgevaar te laten vervallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.