RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/126441-23
Datum uitspraak: 9 november 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. van der Willigen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.G. Al, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd– ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 19 mei 2023 te [plaats 1] ;
Feit 2: het voorhanden hebben van een vlindermes op 19 mei 2023 te [plaats 1] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Formeel verweer
Verweer van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het bewijs dat is verkregen na de eerste aanhouding onrechtmatig is verkregen en niet tot de bewijsmiddelen mag worden gebezigd. Daarnaast was verdachte op het moment van de doorzoeking niet thuis, waardoor er niet gesproken kan worden van een tweede aanhouding op heterdaad. Dit maakt dat het bewijs dat is aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning ook niet tot de bewijsmiddelen kan worden gebezigd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vormverzuim. Uit het dossier volgt dat de hulpofficier van justitie heeft geoordeeld dat de eerste aanhouding onrechtmatig was. Daarop is verdachte in vrijheid gesteld. De politie heeft vervolgens met de vereiste toestemming van de hulpofficier van justitie de woning van verdachte doorzocht. Daar is een wapen aangetroffen, waardoor alsnog een heterdaadsituatie is ontstaan. Verdachte is toen opnieuw – rechtmatig – aangehouden. Het bewijs is dan ook niet onrechtmatig verkregen.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte is op 19 mei 2023 om 15:17 uur aangehouden op verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie. Omdat er bij verdachte en in de auto waarin hij zat geen wapen werd aangetroffen, was de hulpofficier van justitie van oordeel dat de aanhouding onrechtmatig was. Het gevolg dat is verbonden aan de onrechtmatige aanhouding is dat verdachte formeel in vrijheid is gesteld. Daarmee is het vormverzuim van de onrechtmatige aanhouding hersteld. Ondertussen had er met toestemming van de hulpofficier van justitie op grond van de Wet wapens en munitie een huiszoeking bij verdachte plaatsgevonden en was daar een vuurwapen aangetroffen. Hij is toen om 16:37 uur opnieuw aangehouden.
Ten tijde van de doorzoeking van de woning van verdachte waren er ernstige bezwaren voor de aanwezigheid van een vuurwapen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig was. Er is dus geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van het vlindermes (feit 2) niet kan worden bewezen. De officier van justitie vindt wel bewezen dat verdachte een vuurwapen met munitie voorhanden (feit 1) heeft gehad.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte beschikkingsmacht over de wapens heeft gehad.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, het voorhanden hebben van het vlindermes (feit 2) niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat het vlindermes in de kluis lag en dat hij daarover kon beschikken.
De rechtbank vindt het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie (feit 1) wel bewezen. Tijdens de doorzoeking van verdachte zijn woning is in een kluis een vuurwapen met munitie aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het vuurwapen aan zijn begeleider heeft laten zien, omdat het wapen op de krabpaal van de kat lag, op het moment dat de begeleider langskwam. Daaruit blijkt dat hij wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen met munitie.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 19 mei 2023 te [plaats 1] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een halfgeladen omgebouwd vuurwapen pistool, van het merk Ekol, type Tuna, kaliber 6,35 mm / .25 auto en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten drie (3) kogelpatronen van het merk Geco 6,35 mm voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Strafbaarheid van de feiten
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte strafbaar is en niet verminderd toerekeningsvatbaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat bij verdachte sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De beperking van verdachte maakt dat hij moeilijk de gevolgen van zijn handelen kan overzien, waardoor het ten laste gelegde hem niet volledig kan worden toegerekend.
Oordeel van de rechtbank
Uit het Pro Justitia-rapport van 28 oktober 2023 blijkt dat er bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking (licht van ernst), ADHD, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en middelengebruik. Volgens de psycholoog kan een significante doorwerking van de aanwezige psychische stoornis en verstandelijke handicap niet worden aangetoond, waardoor er geen gronden zijn om aan te nemen dat er bij verdachte sprake is van enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank neemt deze conclusie van de psycholoog over. De rechtbank stelt dan ook vast dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit en dat verdachte daarom strafbaar is. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
8. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 270 dagen wordt opgelegd, waarvan 182 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarbij moeten alle voorwaarden worden opgelegd zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
Bij een strafoplegging kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden. De voorwaarden waar verdachte aan mee zou willen werken zouden zijn: de meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling bij De Waag, maar zonder de verplichting tot het innemen van medicatie, ambulante begeleiding door de reclassering, begeleid wonen in [plaats 2] of [plaats 3] (geen maatschappelijke opvang) en meewerken aan dagbesteding. Middelencontrole lijkt de raadsvrouw een te zware voorwaarde, omdat niet van verdachte kan worden verwacht dat hij direct definitief stopt met het gebruik van cannabis.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Hij heeft dit in zijn woning voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens vormt een onaanvaardbaar risico op het gebruik hiervan en zorgt voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank is van oordeel dat daarom streng moet worden opgetreden tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 november 2023. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland van 1 november 2023, opgemaakt door mevrouw [persoon 1] , reclasseringswerker. Hieruit volgt – kort gezegd – dat de reclassering zorgen heeft over verdachte. Tijdens een gesprek met de reclassering heeft verdachte aangegeven inkomsten uit illegale activiteiten te ontvangen. Ook heeft verdachte gezegd dat hij toepassing van geweld normaal vindt en dat het hebben van een wapen een ‘mannending’ is. Ook heeft verdachte gezegd dat hij wil doorgaan met zijn illegale activiteiten om geld te verdienen. De reclassering adviseert daarom om bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf op te leggen, in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding, begeleid wonen, dagbesteding en medewerking aan middelencontrole. Dit om recidive en het toebrengen van schade aan anderen te voorkomen.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het voorhanden hebben van een wapen in een woning is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Naast het voorhanden hebben van een vuurwapen heeft verdachte ook munitie voorhanden gehad. In de omstandigheden die naar voren zijn gekomen in het reclasseringsrapport, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel naast de algemene, ook de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, behalve de medicatieplicht. Anders dan de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, vindt de rechtbank het van belang dat verdachte meewerkt aan middelencontrole, omdat het middelengebruik reden kan zijn tot het aangaan van een gesprek met verdachte over zijn gebruik en wat voor een invloed dat heeft op zijn behandeling.
9. Beslag
Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 28 augustus 2023, de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Onttrekking aan het verkeer
Omdat met betrekking tot de onder 1 en 3 genoemde voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Omdat de onder 2 en 4 genoemde voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar het misdrijf waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 32 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag, het Forensisch Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Ambulante begeleiding
Veroordeelde laat zich begeleiden door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
Begeleid wonen
Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen in de omgeving [plaats 2] of [plaats 3] , te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Voorwaarden van rechtswege daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK Patroon 9 Omschrijving: PL1300-2023111219-G6343437, geco);
2. 3 STK Patroon (Omschrijving: PL1300-2023111219-G6343416);
3. 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2023111219-G6343415, Ekol);
4. 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2023111219-G6343419).
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. van Dijk, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en A.W. van Gemert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2023.
[...]
[...]