ECLI:NL:RBAMS:2023:8937

ECLI:NL:RBAMS:2023:8937, Rechtbank Amsterdam, 09-11-2023, 13/019463-22

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-11-2023
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 13/019463-22
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling. Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk door te handelen in strijd met de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/019463-22

Datum uitspraak: 9 november 2023

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2023.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.P. Hopman en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. S. Burmeister en E. Hooydonk naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan poging doodslag of zware mishandeling van [benadeelde partij] op 8 juli 2017 in Amsterdam door haar van een trap te duwen, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben, overeenkomstig hun pleitaantekeningen, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging vanwege een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn en door de manier van optreden van het Openbaar Ministerie. Subsidiair hebben zij aangevoerd dat het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling omdat dit misdrijf is verjaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De reden dat het lang heeft geduurd voordat de zaak op zitting is gekomen, is dat er veel onderzoek moest worden gedaan, waaronder het horen van buitenlandse getuigen. Daarnaast leidt een overschrijding van de redelijke termijn volgens de Hoge Raad op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Voor de mishandeling geldt dat geen sprake is van verjaring, omdat de verjaringstermijn is gestuit door het verrichten van onderzoekshandelingen binnen de zes jaren tussen de inverzekeringstelling van verdachte en het uitbrengen van de dagvaarding.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Het tenlastegelegde feit dateert van 8 juli 2017. Op 29 augustus 2017 heeft de officier van justitie verzocht een aantal getuigen en verdachte bij de rechter-commissaris (nader) te horen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek op 15 september 2017 ontvangen. Vervolgens heeft de verdediging op 29 december 2017 voor de eerste keer gemotiveerd verzocht de zaak te seponeren. Daarop is afwijzend gereageerd. Eind 2018 zijn rechtshulpverzoeken gedaan aan Zwitserland en Zuid-Afrika tot het horen van de getuigen. Op 22 april 2020 is door de verdediging opnieuw een sepotverzoek gedaan waarin gemotiveerd is verzocht om af te zien van het horen van de getuigen omdat dit niet kon bijdragen aan de waarheidsvinding. Op 18 mei 2020 hebben verdachte en zijn vrouw een persoonlijke brief aan het Openbaar Ministerie verzonden. Zij hebben daarin toegelicht hoe groot de gevolgen van het incident door de wereldwijde aandacht op internet en de beschuldigingen van racisme voor hen zijn en dat het voortdurende strafproces zwaar op hen drukt. Zij vragen het Openbaar Ministerie om met die gevolgen rekening te houden. Op deze brieven van 22 april en 18 mei 2020 heeft het Openbaar Ministerie niet gereageerd. In oktober 2022 is vanuit Zuid-Afrika gereageerd op het rechtshulpverzoek dat zou worden meegewerkt aan het horen van de getuigen. In 2023 zijn de getuigen en verdachte gehoord door de rechter-commissaris. Vervolgens is verdachte gedagvaard op 13 oktober 2023, zes jaar en drie maanden na het incident.

De rechtbank constateert dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat een termijn van twee jaar tot het wijzen van eindvonnis in eerste aanleg redelijk wordt geacht. Uit het dossier blijkt dat het juridisch en qua onderzoek geen ingewikkelde zaak is. Kort na het incident bevatte het dossier al camerabeelden van het incident en verhoren en schriftelijke verklaringen van alle betrokkenen. De verhoren bij de rechter-commissaris hebben uiteindelijk vijf en een half tot zes jaar na het incident plaatsgevonden. Dit roept terecht de vraag op hoe betrouwbaar deze verklaringen nog zijn en wat de toegevoegde waarde van de verhoren is gelet op alles wat al in het dossier zat. De rechtbank vindt dan ook niet dat het gaat om noodzakelijk onderzoek. Er is daarom ook geen reden om te oordelen dat – vanwege deze onderzoeksbehoefte van het Openbaar Ministerie – de redelijke termijn in deze zaak langer zou zijn dan twee jaar.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 8 juli 2017, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Tussen de inverzekeringstelling en de uitspraak is ruim zes jaar verstreken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaar.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn op zichzelf niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd in de strafmaat. De rechtbank vindt echter de wijze waarop het Openbaar Ministerie met verdachte is omgegaan tijdens het strafproces ook van belang bij beantwoording van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Verdachte heeft continu een actieve houding aangenomen ten aanzien van het tempo van de vervolging. Uit de persoonlijke brief van verdachte en zijn vrouw van 18 mei 2020 blijkt dat er verschillende aantijgingen jegens hem op internet circuleerden, waartegen hij niets in kon brengen zolang zijn strafzaak nog liep. De zaak heeft veel nationale en internationale media-aandacht gekregen wat eveneens een grote invloed heeft gehad op het persoonlijke leven van verdachte en zijn gezin. Gedurende ruim zes jaar heeft verdachte niet de mogelijkheid gekregen om zich te verweren tegen de beschuldigingen. De rechtbank oordeelt dat het voor het Openbaar Ministerie duidelijk had moeten zijn dat verdachte grote belangen had bij een voortvarende behandeling van de zaak. Door niet op de verzoeken van de verdediging te reageren en de zaak onnodig en zonder enige uitleg zo lang te laten voortduren, heeft het Openbaar Ministerie verdachte in een machteloze positie gelaten en geen redelijke belangenafweging gemaakt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het handelen van het Openbaar Ministerie in deze zaak in strijd is met de goede procesorde. Door de manier waarop met de zaak en met verdachte is omgegaan heeft het Openbaar Ministerie het recht om verdachte te vervolgen verspeeld. De rechtbank is daarom met de raadslieden van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.

4. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 22.228,16 aan vergoeding van materiële schade en € 35.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast.

5. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. C. Wildeman en A.W. van Gemert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2023.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.M. van Dijk

Griffier

  • mr. L.S. Eisses

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?