RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/020968-23 (Promis)
Datum uitspraak: 8 december 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1988 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
wonende op het adres [adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.L.J. Smit en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Gijsberts naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] en van wat hij en zijn raadsman mr. O. Emre hierover naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 januari 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1: poging doodslag althans zware mishandeling van [persoon 1] ;
Feit 2: zware mishandeling, subsidiair ten laste gelegd als poging zware mishandeling van [persoon 1] ;
Feit 3: mishandeling van [persoon 1] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
1. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag (feit 1 impliciet primair), omdat verdachte aangever op het hoofd heeft getrapt terwijl hij weerloos op de grond lag. Hiermee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daarbij het leven zou verliezen. Ook het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feit 2 primair) kan worden bewezen vanwege het uitzichtloze lijden van aangever door het blijvende letsel aan zijn bovenarm. Tot slot kan ook de mishandeling (feit 3) worden bewezen op grond van het letsel aan de ribben van aangever. Dat sprake was van een noodweersituatie en verdachte het recht had zichzelf te verdedigen is niet aannemelijk geworden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag (feit 1 primair), omdat niet kan worden vastgesteld dat het geweld dat door verdachte op aangever is uitgeoefend zodanig is, dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever zou overlijden. De raadsman verwijst hierbij naar rechtspraak en de discussie die over dit onderwerp is gevoerd in de literatuur. Voor de onder 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling moet ook vrijspraak volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat het letsel aan de arm van aangever is veroorzaakt door het tegen die arm schoppen, trappen of stampen. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Dat leidt ertoe dat verdachte voor de tenlastegelegde pogingen tot zware mishandeling (feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 subsidiair) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en voor de mishandeling (feit 3) moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven. De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt.
Uit het dossier blijkt dat verdachte en aangever een conflict hadden over geld en dat zij op 19 januari 2023 hadden afgesproken bij station Lelylaan in Amsterdam. Voorafgaand aan deze ontmoeting heeft aangever meerdere malen, over een langere periode, bedreigingen naar verdachte geuit. Bij station Lelylaan heeft getuige [getuige] gezien dat verdachte en aangever tegenover elkaar stonden, een halve meter tussen hen in, en een woordenwisseling hadden. Verdachte heeft verklaard dat aangever met zijn neus tegen hem aan stond, met zijn handen in zijn zakken in een gevechtshouding en riep “weet je dat zeker, weet je dat zeker”. Volgens verdachte rommelde aangever in zijn rechterzak waardoor verdachte – mede in het licht van de eerder geuite bedreigingen dacht dat aangever een wapen in zijn zak had. Verdachte heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde, boos en bang was, en aangever toen onderuit heeft geschopt. Vervolgens lag aangever op de grond en zag verdachte dat hij uitgeschakeld was, omdat hij niet meer bewoog. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat er daarna is gebeurd.
In het dossier zit een proces-verbaal met een beschrijving van camerabeelden van het incident. Het incident is niet goed te zien, omdat de afstand tot de camera ver is. De verbalisant beschrijft dat te zien is dat een man meerdere keren met zijn hoofd naar beneden gaat. Hij schrijft dat het erop lijkt dat de man een schoppende beweging maakt en dit meerdere keren herhaalt.
Uit het letselrapport blijkt dat aangever het volgende letsel heeft opgelopen. In het gezicht gaat het om een breuk van het neusbeen, kneuzingen van de linker hersenhelft met zwelling, alsmede een puntbloeding in de rechter hersenhelft en een snij- of scheurwond van de linker wenkbrauw. Verder is de linkerarm van aangever verbrijzeld. Hij is daaraan geopereerd en er is een metalen plaat over de breuk van de bovenarm aangebracht. Het is onbekend of de arm ooit volledig zal herstellen. Ook heeft aangever gebroken ribben. Uit forensisch onderzoek blijkt dat op het gezicht van aangever een schoenafdruk was te zien, die overeenkomt met het profiel van verdachte zijn schoenzool. Verdachte heeft verklaard dat het letsel bij aangever zou kunnen komen doordat hij hard op de grond is gevallen. De rechtbank acht het echter onwaarschijnlijk dat deze mate van ernstig letsel voortkomt uit de omstandigheid dat verdachte aangever alleen onderuit heeft getrapt waardoor hij op de grond is gevallen. Dit type letsel past echter wel bij geweldshandelingen zoals het door verdachte meerdere malen tegen het gezicht trappen en meerdere malen tegen het lichaam schoppen.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte, nadat hij aangever had onderuit geschopt en aangever uitgeschakeld op de grond lag, met kracht meerdere keren tegen zijn gezicht heeft getrapt en tegen zijn linkerarm en lichaam heeft getrapt.
Het staat niet vast dat door het trappen tegen het gezicht van aangever een aanmerkelijke kans bestond dat aangever zou komen te overlijden. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar de verdachte meerdere malen tegen het gezicht van de verdachte heeft getrapt, maar niet dat dit onder zulke omstandigheden of met zo’n grote kracht is gebeurd dat van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood kan worden gesproken. De rechtbank zal verdachte daarom van de tenlastegelegde poging tot doodslag vrijspreken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank echter wel van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever meerdere malen tegen zijn gezicht te trappen (feit 1 impliciet subsidiair). Door eenmaal tegen de arm van verdachte te trappen heeft verdachte ernstig letsel, te weten een gebroken arm, bij aangever veroorzaakt. Gelet op de ernst van het letsel, de duur van het herstel en de noodzaak van medisch ingrijpen stelt de rechtbank vast dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank vindt daarom dat zware mishandeling door tegen de linkerarm te trappen is bewezen (feit 2 primair). Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever meermalen tegen zijn gezicht en eenmaal tegen zijn lichaam te trappen, waardoor hij ribben gebroken heeft (feit 3). De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte moet worden vrijgesproken van de mishandeling, omdat hij uit noodweer heeft gehandeld. Zoals hierna onder 5 zal worden besproken, is de rechtbank van oordeel dat wel sprake was van een noodweersituatie, maar dat verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan en zijn handelen dus niet gerechtvaardigd was.
1. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 19 januari 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [persoon 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [persoon 1] meermalen met kracht tegen het gezicht heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
op 19 januari 2023 te Amsterdam aan [persoon 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerarm, heeft toegebracht door die [persoon 1] eenmaal tegen de linkerarm te trappen;
Feit 3
op 19 januari 2023 te Amsterdam [persoon 1] heeft mishandeld door die [persoon 1] meermalen tegen het gezicht en eenmaal tegen het lichaam te trappen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
1. Strafbaarheid van de feiten en van verdachte
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat verdachte een beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces, omdat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding door aangever. Dit aangezien aangever veelvuldig bedreigingen jegens verdachte had geuit en hij tijdens de confrontatie met zijn handen in zijn zak stond, waarin later een boksbeugel is aangetroffen. Voor zover verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is dit het gevolg van een hevige gemoedsbeweging, te weten paniek, boosheid en angst dat verdachte zelf het leven zou verliezen, en deze gemoedsbeweging is veroorzaakt door de dreigende aanval van aangever op verdachte.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat verdachte geen beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte heeft allereerst zelf de confrontatie gezocht door naar de afspraak met aangever te gaan. Daarnaast is uit het dossier niet gebleken dat verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling mocht zijn dat hij zou worden aangevallen en dat hij zichzelf tegen deze aanval mocht verdedigen. Een beroep op noodweerexces slaagt niet, omdat uit de verklaring van verdachte en/of uit het dossier niet is gebleken dat verdachte buitenproportioneel heeft gereageerd als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, en in elk geval niet dat die gemoedsbeweging is veroorzaakt door de dreigende aanval van aangever.
Oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank vindt dat verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een noodweersituatie toen aangever bij station Lelylaan tegenover hem stond. Daarbij speelt mee i) dat aangever verdachte eerder bedreigende berichten had gestuurd, ii) dat getuige [getuige] heeft bevestigd dat verdachte en aangever dicht op elkaar stonden terwijl zij een woordenwisseling hadden en iii) dat na het geweldsincident bij aangever in zijn rechterjaszak een boksbeugel is aangetroffen. Die omstandigheden bieden steun aan de verklaring van verdachte en maken dat de rechtbank aannemelijk vindt geworden dat aangever in een dreigende houding met een hand in zijn rechterjaszak, alsof hij daar mogelijk een wapen had, tegenover verdachte stond. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er een dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van aangever was en daartegen mocht verdachte zich verdedigen. Dat verdachte aangever op dat moment onderuit heeft geschopt om de dreiging af te wenden, zoals verdachte heeft verklaard, was daarom gerechtvaardigd.
De rechtbank vindt echter dat de wijze waarop verdachte vervolgens heeft gehandeld de grenzen van een proportionele verdediging te buiten gaat. Verdachte heeft, terwijl aangever uitgeschakeld op de grond lag, meerdere malen met kracht tegen zijn gezicht getrapt en tegen zijn arm en lichaam getrapt. Dit geweld is disproportioneel, omdat er op dat moment geen enkele dreiging meer van aangever uitging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voor de geweldshandelingen die zijn bewezenverklaard, geen beroep toekomt op noodweer.
Noodweerexces
De rechtbank vindt dus aannemelijk geworden dat sprake was van een dreigende wederrechtelijke aanranding door aangever toen hij tegenover verdachte stond met zijn hand in zijn jaszak. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij door de dreigende aanranding van aangever boos en angstig was en in paniek is geraakt, mede vanwege de eerdere bedreigende berichten van aangever. De vraag is of verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.
Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces moet worden vooropgesteld dat een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging op grond van artikel 41 lid 2 Sr. niet strafbaar is als zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk ‘onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is geweest van een sterke wanverhouding tussen, enerzijds, de aard en intensiteit van de dreigende aanranding – een dreigende houding van aangever met een hand in zijn rechterjaszak alsof hij daarin mogelijk een wapen had – en, anderzijds, de aard en intensiteit van de grensoverschrijdende verdediging – het met kracht meermalen tegen het gezicht van aangever trappen en tegen zijn arm en lichaam trappen, terwijl hij al uitgeschakeld op de grond lag. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard dat hij al boos en angstig was voorafgaand aan de afspraak met aangever vanwege het conflict en de eerdere bedreigingen van aangever. Dat maakt dat de rechtbank het niet aannemelijk vindt dat de emoties waarover verdachte verklaart door de dreigende aanranding zijn veroorzaakt, ze zijn er mogelijk wel door versterkt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de dreigende aanranding slechts in beperkte mate heeft bijgedragen aan de hevige gemoedsbeweging van verdachte. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de aard en intensiteit van de gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende aanranding niet dermate hevig was en de reactie van verdachte op de dreigende aanranding zodanig buitenproportioneel, dat dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces in de weg staat. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
1. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 240 uren wordt opgelegd en een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 297 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de rol van aangever in de dreigende situatie voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten. Tevens verzoekt de raadsman bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de gevolgen die de strafzaak tot nu toe al voor verdachte heeft gehad. Zo is verdachte zijn Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) kwijtgeraakt en kon hij zijn bedrijf in de taxibranche daardoor niet voortzetten.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zware mishandeling en mishandeling door aangever met kracht tegen het hoofd te trappen, tegen zijn linkerarm en tegen zijn lichaam. Dit zijn ernstige feiten, waar aangever blijvend letsel aan heeft overgehouden. Ook al had aangever zich eerder dreigend tegenover verdachte uitgelaten en voelde verdachte zich bedreigd, dat rechtvaardigt of verontschuldigt niet het grove geweld dat verdachte tegen aangever heeft gebruikt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 oktober 2023. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar dit gaat om oudere feiten waarmee de rechtbank geen rekening houdt bij het bepalen van de straf in deze zaak.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 7 augustus 2023. Hieruit volgt – kort gezegd – dat het recidive- en geweldsrisico als laag wordt ingeschat en dat verdachte nadere interventies niet kan of wil uitvoeren. Om die reden adviseert de reclassering ook geen nadere interventies.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet in de omstandigheden waaronder het feit is begaan en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om te kiezen voor een andere strafsoort. Daarbij is weegt mee dat aangever eerder ernstige bedreigingen jegens verdachte heeft geuit en het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is geworden dat sprake was van een dreigende wederrechtelijke aanval waartegen hij zich mocht verdedigen. Tegelijkertijd heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte geen beroep toekomt op noodweer(exces); de zeer gewelddadige reactie die volgde was dus niet gerechtvaardigd of verontschuldigbaar, maar strafbaar. Voorts houdt de rechtbank rekening met de gevolgen van deze strafzaak voor verdachte; hij is zijn bedrijf in de taxibranche kwijt doordat vanwege de verdenking een Verklaring Omtrent Gedrag niet opnieuw is afgegeven. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats. De rechtbank vindt het wel van belang dat verdachte een flinke stok achter de deur heeft, zodat hij ervan wordt weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren passend.
1. Beslag
Onder aangever is, blijkens de beslaglijst van 24 november 2023, het volgende voorwerp in beslag genomen:
1. 1 STK Wapen (Omschrijving: PL1300-2023015029-G6290886, Zilver, merk: Boksbeugel).
Onttrekking aan het verkeer
Omdat het onder 1 genoemde voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het misdrijf waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp – hoewel het niet aan verdachte toebehoort – onttrokken aan het verkeer.
1. Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 5.137,65 aan materiële schadevergoeding en € 22.500,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot materiele- en immateriële schadevergoeding gedeeltelijk toe te wijzen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Wat betreft de materiele schadevergoeding zijn de kosten voor de kleding en schoenen, de medische kosten (behalve € 120,95, omdat dat bedrag ziet op een periode voor de ten laste gelegde feiten), de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de reiskosten toewijsbaar. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om de immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,- toe te wijzen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot materiele schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangever lang na de feiten zowel fysiek als mentaal nog veel last heeft van het feit.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevordering toe tot een bedrag van € 695,-. Dit bedrag bestaat uit € 20,- aan medicijnen, € 140,- aan ziekenhuisdaggeldvergoeding, € 150,- voor kleding, omdat aannemelijk is dat die niet meer kon worden hersteld en € 385,- aan eigen risico, omdat de benadeelde partij dat heeft moeten betalen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Ook.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van zijn vordering tot materiële schadevergoeding. De rechtbank vindt niet voldoende onderbouwd dat door de bewezenverklaarde feiten schade is ontstaan aan de schoenen van € 930 waarvoor hij een vergoeding vraagt. Ter terechtzitting is gebleken dat de fysiotherapie uit een noodfonds is betaald. Daarom heeft de benadeelde partij hier zelf geen kosten voor gemaakt. Ook is niet gebleken dat de benadeelde partij deze kosten moet terugbetalen. De reiskosten zijn onvoldoende onderbouwd, omdat er geen tijd en datum op de kaartjes staat en dus onduidelijk is wanneer voor welke bedragen waarnaartoe is gereisd. Wat betreft de huishoudelijke hulp en het verlies van zelfwerkzaamheid, vindt de rechtbank de vordering ook onvoldoende onderbouwd, omdat de benadeelde partij op het moment van de bewezenverklaarde feiten dakloos was en daarna veel bij zijn ouders heeft verbleven. De toekomstige medische kosten zijn op dit moment nog niet komen vast te staan en dus ook onvoldoende onderbouwd.
Voorts staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 10.000,-. Gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij in (de aanloop naar) de bewezenverklaarde feiten – de eerdere bedreigingen aan het adres van verdachte en het feit dat hij tijdens de ontmoeting een boksbeugel in zijn zak had – zal de rechtbank de toe te wijzen immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:101 BW verminderen tot een bedrag van € 7.500,-.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat nog geen eindstadium van het letsel bekend is en de vordering daarom op dit moment onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.
De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk wordt verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [persoon 1] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.
1. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
1. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
Poging zware mishandeling
Feit 2
zware mishandeling
Feit 3
Mishandeling
De Feiten 1 en 3 gedeeltelijk begaan in eendaadse samenloop
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [persoon 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 695,- (zeshonderdvijfennegentig euro) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 8.195,- (achtduizendhonderdvijfennegentig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1 STK Wapen (Omschrijving: PL1300-2023015029-G6290886, Zilver, merk: Boksbeugel).
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter,
mrs. C. Wildeman, A.W. Gemert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.
[...]