ECLI:NL:RBAMS:2023:9081

ECLI:NL:RBAMS:2023:9081, Rechtbank Amsterdam, 08-12-2023, 13/203067-23 (zaak A), 13/115589-23 (zaak B)

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-12-2023
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 13/203067-23 (zaak A)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling eendaadse samenloop van opzettelijk handelen met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Taakstraf van 200 uren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/203067-23 (zaak A), 13/115589-23 (zaak B) en 13/650445-18 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 8 december 2023

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1998 te [geboorteplaats 1] ,

wonende op het adres [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.L.J. Smit en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.T. Brassé naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

13/203067-23 (zaak A):

Feit 1: het vervoeren en/of verkopen van 1,49 gram cocaïne op 11 augustus 2023 in Amsterdam;

Feit 2: het vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van 7 tabletten en 1,65 gram MDMA, 1,67 gram en 2,26 gram cocaïne en 1,66 gram 4-CMC op 11 augustus 2023 in Amsterdam;

13/115589-23 (zaak B):

het vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van 7,86 gram cocaïne en 0,91 gram MDMA op 5 mei 2023 in Amsterdam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3. Formeel verweer (zaak B)

Verweer van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich – overeenkomstig de pleitnota – op het standpunt dat er in zaak B sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De fouillering is onrechtmatig geweest, omdat er geen sprake was van een verdenking van overtreding van de Opiumwet. De omstandigheid dat verdachte antecedenten heeft, maakt niet dat hij onder iedere omstandigheid door verbalisanten gefouilleerd mag worden. Tijdens de onrechtmatige aanhouding is verdachte gefouilleerd terwijl anderen dat konden zien. Dat is een vergaande inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en verdachte heeft dan ook nadeel geleden door dit vormverzuim. Deze inbreuk is dermate ernstig dat bewijsuitsluiting op zijn plaats is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vormverzuim. Verdachte is bekend bij politie

vanwege drugshandel. Vervolgens zien verbalisanten gedragingen bij verdachte die passen bij drugshandel. Verdachte legt namelijk een flitsbezoek af, waarna hij rustig verder rijdt en vreemde routes binnendoor rijdt. Deze gedragingen leveren een redelijk vermoeden van schuld op. De fouillering is daarom rechtmatig, net als het bewijs dat door de fouillering is verkregen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op basis van het procesdossier uit van de volgende feiten. Verbalisanten zien een auto zeer rustig door de Pijp in Amsterdam rijden. Ze halen het kenteken door het politiesysteem en zien dat de auto op naam staat van verdachte, die niet in de Pijp woont en antecedenten heeft op het gebied van drugshandel. Vervolgens zien zij dat verdachte zijn auto parkeert en bij een portiek naar binnen gaat. Twee minuten later verlaat verdachte de portiek weer. Dit gedrag van verdachte past in het beeld van gedragingen die te zien zijn bij drugsdealers. De rechtbank vindt dat de antecedenten van verdachte in combinatie met zijn gedragingen maken dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van een Opiumwetfeit. Daarom mochten verbalisanten verdachte staande houden en hem fouilleren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de fouillering rechtmatig was. Er is dus geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 in zaak A kan worden bewezen dat verdachte drugs heeft vervoerd en heeft verkocht. Onder 2 en in zaak B kan worden bewezen dat verdachte drugs voorhanden heeft gehad.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de verkoop van 1,49 gram cocaïne (zaak A feit 1). Er kan niet worden vastgesteld wat er is gebeurd, omdat de verklaring van de getuige dat hij drugs van verdachte heeft gekocht recht tegenover de verklaring van verdachte staat dat hij de drugs van de getuige heeft gekocht. Evenmin maken de bevindingen van de verbalisanten duidelijk wat er in de auto is gebeurd. Verdachte heeft de aanwezigheid van de drugs die bij de fouillering bij zijn geslachtsdeel is gevonden (zaak A feit 2) bekend. Voor de aanwezigheid van de drugs in zaak B heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken, omdat dat – na de verzochte bewijsuitsluiting – niet kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt, net als de officier van justitie, het onder 1 en 2 in zaak A en in zaak B ten laste gelegde bewezen De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring in zaak A (feit 1) als volgt.

Zaak A

Feit 1

De rechtbank stelt vast dat verbalisanten op 11 augustus 2023 waarnemen dat het voertuig van verdachte stopt bij een druk plein in De Pijp. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat rondom dit plein veel verdovende middelen worden verkocht. Vervolgens zien verbalisanten dat [getuige] komt aanlopen en plaatsneemt in het voertuig van verdachte. Na een korte rit stapt [getuige] weer uit de auto van verdachte. Verbalisanten zien dat hij iets kleins in zijn hand heeft en houden [getuige] staande. [getuige] heeft daarop verklaard dat hij zojuist cocaïne heeft gekocht en haalt twee wikkels uit zijn telefoonhoesje. Uit het rapport van 27 oktober 2023 van het Laboratorium Forensische Opsporing (LFO) blijkt dat de twee wikkels 1,49 gram cocaïne bevatten. Verdachte wordt vervolgens aangehouden en tijdens zijn fouillering worden meerdere verdovende middelen aangetroffen, waaronder cocaïne. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de aangetroffen drugs van [getuige] heeft gekocht en dat hij geen drugs [getuige] heeft verkocht.

De ontmoeting tussen verdachte en getuige [getuige] die door de verbalisanten zijn waargenomen passen volledig binnen de door de verbalisanten beschreven modus operandi van de handel in verdovende middelen in de omgeving waar dit feit heeft plaatsgevonden. Volgens de gebruikelijke modus operandi is het de dealer die zich doorgaans in een personenauto verplaatst en is het de koper die als passagier bij de dealer in de auto stapt, waar de verkoop en overdracht plaats vindt. Na enkele meters rijden, stapt de koper weer uit en vervolgt de dealer zijn weg. Gelet daarop hecht de rechtbank meer geloof aan de verklaring van getuige [getuige] , dan aan de verklaring van verdachte. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig aan gemaakt aan het verkopen en verstrekken van cocaïne (feit 1).

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad (feit 2).

Zaak B

Bij de fouillering van verdachte is een hoeveelheid drugs bij hem in de auto aangetroffen. Zoals hiervoor toegelicht heeft de rechtbank het verweer van de verdediging dat dit bewijs niet mag worden gebruikt verworpen. Ook dit feit kan daarom worden bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van zaak A:

Feit 1

op 11 augustus 2023 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd, verkocht en verstrekt aan [getuige] 1,49 gram cocaïne;

Feit 2

op 11 augustus 2023 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad,

- 7 tabletten en 1,65 gram MDMA en

- 1,67 gram en 2,26 gram cocaïne en

- 1,66 gram 4-CMC.

Ten aanzien van zaak B:

op 5 mei 2023 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 7,86 gram cocaïne en 0,91 gram MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een strafoplegging kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarbij eventueel een voorwaardelijke straf. Dit gezien de geringe hoeveelheid verdovende middelen die bij verdachte is aangetroffen en de daarbij behorende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast zou bij de strafoplegging rekening gehouden moeten worden met het sollicitatiegesprek van verdachte op 28 november 2023.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen en verstrekken van cocaïne en het vervoeren en aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs. Deze verdovende middelen vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel erin gaat vaak gepaard met (ernstige) criminaliteit, die ontwrichtend is voor de maatschappij.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 oktober 2023. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het handelen in harddrugs en daarvoor nog in een proeftijd liep.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de reclassering ten behoeve van de voorgeleiding van 17 augustus 2023. Hieruit volgt – kort gezegd – dat verdachte niet wil praten over het in dit vonnis bewezenverklaarde en de reclassering daarom geen zicht heeft op mogelijke risicofactoren. Hierdoor kan de reclassering geen uitspraken doen over het recidiverisico en het risico op letselschade.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het LOVS oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezenverklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het verkopen en/of vervoeren van een hoeveelheid tussen de 10 en 50 gram harddrugs zoals hier aan de orde is het uitgangspunt 100 uur taakstraf. Strafverzwarend vindt de rechtbank dat verdachte op twee verschillende momenten is betrapt op dealen en dat hij eerder voor dealen is veroordeeld en daarvoor nog in een proeftijd liep. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een taakstraf van 200 uren passend, als verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Omdat verdachte inmiddels al langer dan 100 dagen in voorarrest heeft gezeten, hoeft hij de taakstraf niet meer te verrichten.

9. Beslag

Zaak A

Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 24 november 2023, de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Onttrekking aan het verkeer

Omdat met betrekking tot de onder 1 tot en met 6 genoemde voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten: € 530,-, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien dat geld grotendeels door middel van het onder 1 bewezen geachte is verkregen.

Zaak B

Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 24 november 2023, de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Teruggave aan verdachte

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van dit geld.

10. Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 30 oktober 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/650445-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 juli 2022 van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De rechtbank is van oordeel dat het belang dat verdachte niet opnieuw naar de gevangenis hoeft en mogelijk een baan kan krijgen, zwaarder weegt dan het belang van het toewijzen van de gehele vordering. Wel vindt de rechtbank het van belang om een deel van de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen, om te laten zien dat overtreding van de voorwaarden consequenties heeft en om te benadrukken dat verdachte zich niet opnieuw schuldig moet maken aan het dealen en/of vervoeren van drugs. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf tot 90 dagen toewijzen en dit omzetten in een taakstraf van 180 uur. Voor het overige deel zal de vordering worden afgewezen. Het resterende deel van de voorwaardelijke straf zal voor verdachte als stok achter de deur blijven staan.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 57, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A:

Feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet

gegeven verbod

Feit 2

eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod,

meermalen gepleegd

Zaak B:

Feit 1

eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Vorderingen TUL

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/650445-18 toe tot 90 dagen, in de vorm van een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Verklaart verbeurd:

530 EUR - IBG: 11-08-2023 530 (Omschrijving: PL1300-2023181939-G6380714).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. C. Wildeman, A.W. Gemert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Smit

Griffier

  • mr. L.S. Eisses

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?