ECLI:NL:RBAMS:2023:9082

ECLI:NL:RBAMS:2023:9082, Rechtbank Amsterdam, 08-12-2023, 13/172739-19 (ontneming)

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-12-2023
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer 13/172739-19 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 388.187,32. Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter hoogte van € 383.187,32 vanwege overschrijden redelijk termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/172739-19 (ontneming)

Datum uitspraak: 8 december 2023

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/172739-19, tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Hierna te noemen: veroordeelde.

1. Het procesverloop en het onderzoek ter terechtzitting

Op 16 september 2021 is door brigadier van politie [persoon] een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel omtrent veroordeelde opgesteld. Op 17 oktober 2019 is de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde behandeld en op 31 oktober heeft de rechtbank in die zaak uitspraak gedaan. Veroordeelde heeft tegen de uitspraak appel ingesteld en op 4 september 2020 heeft het hof arrest gewezen. Op 24 november 2021 heeft de rechtbank ter terechtzitting geoordeeld dat de ontnemingszaak voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen bij de politie een verklaring af te leggen over de herkomst van zijn inkomsten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2023 blijkt dat veroordeelde medio juli 2022 na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling Nederland heeft verlaten. Per e-mail van 23 november 2023 heeft de raadsman van veroordeelde, mr. A. Zeeman, te kennen geven dat hij geen contact heeft met veroordeelde en dat hij zich niet gemachtigd voelt om de verdediging te voeren op de zitting van 24 november 2023.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. L. Bertels en het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023. Verdachte en zijn raadsman zijn niet ter terechtzitting verschenen.

2. De vordering

De officier van justitie heeft op 11 oktober 2021 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank, die op de zitting van 17 oktober 2019 is aangekondigd. De vordering strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 390.337,32.

3. Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 en bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2020 voor de volgende strafbare feiten veroordeeld.

Feit 1

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Het arrest is sinds 9 maart 2021 onherroepelijk.

De vordering is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en is erop gericht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen dat veroordeelde heeft verkregen door andere strafbare feiten dan die waarvoor hij is veroordeeld. Het Openbaar Ministerie heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde geschat. Deze schatting is gebaseerd op een kasopstelling die ziet op de periode van 6 juni 2017 tot en met 16 juli 2019.

4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op de zitting van 24 november 2023, overeenkomstig het schriftelijk requisitoir en onder verwijzing naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport), op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 390.337,32.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting van 24 november 2021 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geld zou hebben ontvangen van verschillende familieleden in Albanië over een lange periode. Veroordeelde heeft op die zitting opgemerkt dat de uitgaven ten behoeve van de aanschaf van de cocaïne niet moeten worden meegenomen in de voordeelsberekening, omdat die cocaïne in beslag is genomen waardoor voor dat deel geen sprake is van voordeel.

Oordeel van de rechtbank

Wederrechtelijk voordeel uit andere feiten

De vordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Op basis van dat artikel kan geld van veroordeelde worden ontnomen als hij is veroordeeld voor een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit of uit andere strafbare feiten. Veroordeelde is veroordeeld voor het voorhanden hebben van harddrugs en wapens. Dat zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. In artikel 36e lid 3 Sr. is bepaald dat in dat geval ook kan worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. Voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel is niet nodig dat precies is vast te stellen met welke strafbare feiten veroordeelde dit voordeel heeft behaald en of hij die strafbare feiten zelf heeft gepleegd.

Het ontnemingsrapport

De vordering is gegrond op het rapport van 16 september 2021. Het in het rapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het zaaksdossier met nummer 2019149753 en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019. De opsteller van het rapport heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de eenvoudige kasopstelling waarbij wordt gekeken naar bekende legale inkomsten en contanten opnamen van eventueel bekende bankrekeningen van veroordeelde enerzijds en contante stortingen en uitgaven anderzijds. De rechtbank vindt deze berekening, gebaseerd op bewijsmiddelen, goed onderbouwd en voldoende aannemelijk gemaakt door het Openbaar Ministerie (met uitzondering van een bedrag aan borg, dat wordt hierna besproken). In ontnemingszaken is het dan vervolgens aan veroordeelde om gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk te maken dat de berekening van het Openbaar Ministerie niet juist is. Alleen zeggen dat de berekening niet klopt, is niet voldoende.

Betwisting veroordeelde en bewijsvermoeden

Veroordeelde heeft geen verklaring over de herkomst van zijn inkomen afgelegd. Hij heeft niet concreet verklaard over inkomsten die hij volgens zijn raadsman zou hebben ontvangen van familieleden in Albanië. Veroordeelde heeft dan ook niet gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk gemaakt dat de berekening van het Openbaar Ministerie niet klopt. Het is niet aannemelijk geworden dat de uitgaven van veroordeelde zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. Op grond van het bewijsvermoeden in artikel 36e lid 3 Sr. gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat de uitgaven wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen.

Voor de opmerking van veroordeelde dat het aankoopbedrag van de drugs niet als voordeel kan worden gezien, omdat die drugs in beslag zijn genomen, geldt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in het geval veroordeelde ervoor heeft gekozen het wederrechtelijk verkregen geld te benutten voor de aankoop van drugs, hij daarmee het risico neemt dat deze drugs in beslag worden genomen of worden onttrokken aan het verkeer. Het (eerder) behaalde voordeel wordt door het intreden van dit risico dan ook niet verminderd.

Betaalde borg

De enige kanttekening die de rechtbank bij de berekening in het rapport plaatst is dat het aannemelijk is dat veroordeelde het bedrag van € 2.150,- van de eerste borgsom heeft teruggekregen op het moment dat hij de tweede borgsom van € 2.335,- heeft voldaan. Gelet daarop zal de rechtbank het bedrag van € 2.150,- van de eerste borgsom in mindering brengen op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat veroordeelde uit andere strafbare feiten een voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 388.187,32 (€ 390.337,32 – € 2.150,-). De rechtbank heeft deze schatting gedaan op basis van de bewijsmiddelen in het rapport.

5. Verplichting tot betaling

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn, de betalingsverplichting moet worden verminderd met een bedrag van € 5.000,00. De officier van justitie vordert daarom dat aan veroordeelde een betalingsverplichting wordt opgelegd ter hoogte van € 385.377,32.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt, net als de officier van justitie, vast dat de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen de ontnemingszaak had moeten zijn afgerond, is overschreden. De rechtbank neemt als aanvangsmoment het moment waarop de ontnemingsvordering door de officier van justitie is aangekondigd (17 oktober 2019). Sindsdien zijn bijna drie jaar en twee maanden verstreken tot het moment dat de rechtbank in de ontnemingszaak uitspraak doet (8 december 2023). Er zijn geen omstandigheden gebleken die een langere redelijke termijn rechtvaardigen dan het uitgangspunt van twee jaar. De rechtbank zal in verband met deze overschrijding de betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-.

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 383.187,32 (€ 388.187,32 – € 5.000,-). Er zijn geen omstandigheden waaruit is gebleken dat veroordeelde deze betalingsverplichting niet kan voldoen. De rechtbank veroordeelt veroordeelde daarom tot betaling van het genoemde bedrag aan de staat.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 388.187,32 (driehonderd achtentachtigduizend honderdzevenentachtig euro en tweeëndertig cent).

Legt, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aan [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter hoogte van € 383.187,32 (driehonderddrieëntachtigduizend honderdzevenentachtig euro en tweeëndertig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 (duizendtachtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. C. Wildeman, A.W. Gemert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Smit

Griffier

  • mr. L.S. Eisses

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?