RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/285629-21 (zaak A), 13/148804-19 (zaak B) en 13/231139-19 (zaak C) 13/701845-17 (TUL) en 23/002040-17 (TUL) (Promis)
Datum uitspraak: 1 november 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende op het adres [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2023.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de (ter zitting gewijzigde) vordering tenlastelegging van de officier van justitie mr. S.H.S Kurniawan-Ayre en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.L.J. Swart naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partijen en van wat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hierover ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging ter zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
13/285629-21 (zaak A):
Feit 1: oplichting in vereniging van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] in de periode van 11 december 2019 tot en met 20 oktober 2021 te Aalsmeer en/of Uithoorn en/of Amsterdam;
Feit 2: oplichting van [benadeelde partij 2] op 8 augustus 2020 te Aalsmeer;
13/148804-19 (zaak B):
Feit 1: oplichting van [persoon 5] en/of [persoon 6] in de periode 4 juni 2019 tot en met 18 juni 2019 te Amstelveen;
Feit 2: oplichting van [persoon 7] in de periode van 3 mei 2019 tot en met 18 juni 2019 te Amstelveen;
Feit 3: opzet-/schuldheling in de periode van 6 juni 2019 tot en met 19 juni 2019 te Amstelveen;
13/231139-19 (zaak C):
Feit 1: oplichting van Albert Heijn op 24 september 2019 te Amstelveen;
Feit 2: oplichting van [persoon 8] in de periode van 22 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019 te [plaats] ;
Feit 3: oplichting van [persoon 9] in de periode van 1 januari 2019 tot en met 4 juli 2019 te Amstelveen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe de volgens haar relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte onder feit 1 moet worden vrijgesproken van oplichting van, [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4] , omdat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als oplichtingsmiddelen. Wat betreft de oplichting van [persoon 3] , zoals onder feit 1 ten laste gelegd en de overige tenlastegelegde feiten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt het onder 1 en 2 in zaak A, onder 1 en 2 in zaak B en onder 1, 2 en 3 in zaak C ten laste gelegde bewezen, zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven. De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen en op de hierna volgende overwegingen. De rechtbank vindt niet bewezen wat ten aanzien van zaak B onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring en de vrijspraak als volgt.
Modus operandi
De rechtbank merkt in zijn algemeenheid op dat het feit dat bij de diverse aangevers een zelfde werkwijze is gehanteerd mede redengevend is voor het bewijs van oplichting van alle bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van zaak A
Feit 1:
Uit de aangiften blijkt dat verdachte zich heeft gepresenteerd als klusjesman om tuinwerkzaamheden te verrichten (in het geval van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4] ) of werkzaamheden aan de woning te verrichten (in het geval van [persoon 3] ). Via internet en een flyer in de brievenbus werd het werk via de bedrijven [naam bedrijf 6] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] aangeboden. Verdachte heeft zich bij [persoon 1] voorgesteld als [verdachte] (die zich soms ook [verdachte] noemde). Bij aangevers [persoon 2] en [persoon 4] stelde hij zich voor als [verdachte] . Bij aangever [persoon 3] stelde hij zich voor als [verdachte] . Vervolgens heeft verdachte aangevers ertoe bewogen om aanbetalingen te doen naar aanleiding van de totaalprijs die zij waren overeengekomen, zodat hij de benodigde materialen kon aanschaffen. Er zijn data afgesproken waarop verdachte de overeengekomen werkzaamheden zou uitvoeren, maar verdachte is meermalen zonder tegenbericht niet verschenen. Aangevers hebben verdachte hier per WhatsApp mee geconfronteerd. Verdachte gaf vervolgens steeds andere redenen op waarom de werkzaamheden niet werden uitgevoerd. Uiteindelijk zijn in de gevallen van [persoon 1] , [persoon 2] , en [persoon 3] de werkzaamheden in zijn geheel niet uitgevoerd. In het geval van [persoon 4] zijn de tegels in de voor- en achtertuin wel gelegd maar zijn ze blijkens de aangifte ongelijk. De overige werkzaamheden zijn niet afgemaakt. Vervolgens bleken de tegels ter waarde van €2000,- euro bij de leverancier niet te zijn betaald. De leverancier heeft echter besloten de tegels te laten liggen. Tot slot heeft verdachte meermalen de belofte gedaan dat de aanbetalingen zouden worden terugbetaald aan aangevers. Alleen aan aangever [persoon 2] heeft verdachte een gedeelte terugbetaald.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een valse naam en een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Daarnaast heeft verdachte gebruik gemaakt van listige kunstgrepen, door een flyer te verspreiden van bedrijven die niet bestaan of niet aan verdachte toebehoren. Al deze handelingen tezamen bezien, vindt de rechtbank dat ook sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. Door deze oplichtingsmiddelen heeft verdachte bij [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen, waardoor zij zijn bewogen tot afgifte van een aanbetaling (€ 1.000,- in het geval van [persoon 1] , € 500,- in het geval van [persoon 2] , € 4.350,- in het geval van [persoon 3] en € 3.500,- in het geval van [persoon 4] , totaal: € 9.350,-). Ook zijn zij hierdoor een schuld aangegaan, aangezien zij met verdachte een totaalprijs overeen waren gekomen. In het bijzonder heeft de rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de betreffende oplichtingsmiddelen als omstandigheden in aanmerking genomen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend gedragspatroon. Uit al de voorgaande omstandigheden blijkt ook dat verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] in de periode van 11 december 2019 tot en met 20 oktober 2021.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat medeplegen niet kan worden bewezen, reden waarom verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Feit 2:
Uit de aangifte van [benadeelde partij 2] blijkt dat verdachte op marktplaats heeft gereageerd op de advertentie voor de sloep van [benadeelde partij 2] . Samen zijn zij een aankoopbedrag van €16.000,- overeengekomen. Verdachte heeft zich vervolgens voorgesteld als [verdachte] . Bij de overdracht van de sloep heeft hij een afbeelding laten zien dat leek op een betalingsbewijs waaruit bleek dat het aankoopbedrag naar de bankrekening van aangever was overgemaakt. Later bleek echter dat het aankoopbedrag niet door aangever was ontvangen. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangever heeft bewogen tot afgifte van de sloep door de valse hoedanigheid van een bonafide koper aan te nemen en door een listige kunstgreep, namelijk door een (nep)betalingsbewijs te laten zien. Uit deze omstandigheden blijkt ook dat verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. De rechtbank acht oplichting daarom bewezen.
Ten aanzien van zaak B
Feit 1 en feit 2:
Aangevers [persoon 5] en [persoon 6] (feit 1) en aangever [persoon 7] (feit 2) verklaren allen dat verdachte hen actief heeft benaderd, zijn werkzaamheden heeft aangeboden en zich heeft voorgedaan als klusjesman. In het geval van [persoon 5] en [persoon 6] deed verdachte, met het tonen van een offerte van een verfwinkel, voorkomen alsof de verf al gekocht was, waardoor zij werden bewogen tot een aanbetaling van €1650,- euro. Vervolgens is verdachte met [persoon 5] overeengekomen dat verdachte een auto van [persoon 5] zou kopen voor het bedrag van €750,-. [persoon 5] heeft de auto afgestaan onder de indruk dat het bedrag in mindering zou worden gebracht op de betalingsverplichting. De werkzaamheden zijn uiteindelijk niet door verdachte verricht. In het geval van [persoon 7] wilde verdachte een schutting kopen en heeft hij haar bewogen tot een aanbetaling van €200,- euro. De schutting is niet door verdachte geleverd en niet geplaatst. Beide zaken tonen een gelijkenis met de modus operandi in zaak A. In beide zaken is bij aangevers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Verdachte heeft eveneens listige kunstgrepen gebruikt, door een offerte als een aankoopbon te tonen aan [persoon 5] en [persoon 6] . Dit geheel van gedragingen merkt de rechtbank aan als een samenweefsel van verdichtsels. Hiermee heeft verdachte de aangevers bewogen tot afgifte van geld (€ 1.650,- in het geval van [persoon 5] en [persoon 6] en € 200,- in het geval van [persoon 7] ) en het aangaan van een schuld gezien zij samen met verdachte een totaalprijs overeen waren gekomen. Tevens kan worden vastgesteld dat verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Daarom kunnen feit 1 en feit 2 worden bewezen.
Vrijspraak feit 3:
De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 in zaak B ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets uit misdrijf verkregen was.
Ten aanzien van zaak C
Feit 1:
Uit de aangifte en beschrijving van de camerabeelden van de Albert Heijn blijkt dat verdachte één krat heeft ingeleverd. Hiervan heeft hij een emballage-bon gekregen en heeft de bon in zijn zak gestopt. Vervolgens heeft verdachte een medewerker aangesproken en gedaan alsof hij drie kratten heeft ingeleverd en daarvan geen bon heeft ontvangen. Hierna heeft verdachte een emballagebon ontvangen waarop de statiegeldwaarde van drie kratten was vermeld. De handelingen van verdachte merkt de rechtbank aan als een samenweefsel van verdichtsels waarmee hij bij Albert Heijn een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte Albert Heijn heeft bewogen tot afgifte van een emballagebon voor drie kratten, terwijl hij deze niet had ingeleverd. Verdachte heeft dit gedaan met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan oplichting van Albert Heijn.
Feit 2:
De rechtbank oordeelt dat de zaak van aangever [persoon 8] qua modus operandi overeenkomsten vertoont met zaak A, feit 1 en zaak B, feiten 1 en 2. Verdachte heeft zich in deze zaken eveneens voorgedaan als iemand die werkzaamheden voor aangevers zou kunnen verrichten. Vervolgens heeft hij in strijd met de waarheid aangeven dat hij tegels en klinkers heeft besteld bij [naam bedrijf 8] en heeft hij aangevers bewogen tot het doen van een aanbetaling. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen door aan te geven dat hij een hoveniersbedrijf heeft genaamd [naam bedrijf 4] . De rechtbank merkt het geheel van handelen door verdachte, aan als een samenweefsel van verdichtsels. Hiermee heeft verdachte [persoon 8] er toe bewogen om een aanbetaling te doen van € 750,- en een schuld aan te gaan gezien zij een totaalprijs overeengekomen waren. Verdachte heeft dit gedaan met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat feit 2 kan worden bewezen.
Feit 3:
Ook in de zaak van aangever [persoon 9] oordeelt de rechtbank dat de modus operandi overeenkomsten vertoont met de voornoemde zaken. Wederom heeft verdachte misbruik gemaakt van het gangbare handelspatroon waarin aangevers mogen verwachten dat verdachte de diensten en goederen voor de afgesproken prijs en op de afgesproken wijze zou leveren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen door aan te geven dat hij een meubelstoffeerbedrijf heeft genaamd [naam bedrijf 5] . Daarnaast heeft verdachte in strijd met de waarheid bij [persoon 9] aangegeven dat er houtworm was aangetroffen en daardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen. Hierdoor is [persoon 9] bewogen om aanbetalingen te doen en een schuld aan te gaan bij verdachte doordat, zij samen prijsafspraken hadden gemaakt voor de werkzaamheden. Verdachte heeft dit gedaan met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat feit 3 kan worden bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van zaak A:
Feit 1
in de periode van 11 december 2019 tot en met 20 oktober 2021 te Aalsmeer en Uithoorn en Amsterdam, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer €9.350,- door zich voor te doen als bonafide hovenier en/of klusjesman door
- op Werkspot.nl en/of op Marktplaats.nl en/of in een flyer in de brievenbus zijn
diensten aan te bieden namens [naam bedrijf 6] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 3]
en vervolgens
- bij voornoemde personen thuis te komen en/of zich in strijd met de waarheid voor te stellen als [verdachte] en/of [verdachte] en/of [verdachte] en vervolgens
- met voornoemde personen de uit te voeren werkzaamheden en/of totaalprijs
overeen te komen en vervolgens
- bij voornoemde personen aan te geven dat zij meerdere, in elk geval een,
aanbetaling moeten doen en/of betalingen moeten doen voor de aanschaf van
de benodigde materialen en vervolgens
- voor voornoemde aanbetaling en/of betalingen voor benodigde materialen
meerdere, in elk geval een, factuur te sturen en
- na deze aanbetaling/vooruitbetaling en/of deze ontvangen voorschotten de overeengekomen werkzaamheden en/of levering van goederen en/of diensten niet en/of ondeugdelijk te verrichten en/of niet af te maken onder vermelding van telkens wisselende redenen de start van de werkzaamheden meerdere malen uit te stellen en/of te verschuiven;
Feit 2
op 8 augustus 2020 te Aalsmeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een sloep, door zich voor te doen als bonafide koper door
- op Marktplaats te reageren op de advertentie en vervolgens
- een prijs van €16.000,- voor de sloep overeen te komen en vervolgens
- een afspraak te maken voor de overdracht van de sloep en vervolgens
- zich voor te stellen als [verdachte] en vervolgens
- valselijk en in strijd met de waarheid een betalingsbewijs te laten zien waaruit bleek dat hij het afgesproken aankoopbedrag had overgemaakt naar die [benadeelde partij 2] ;
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1
in de periode van 4 juni 2019 tot en met 18 juni 2019 te Amstelveen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 5] en/of [persoon 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld, te weten een geldbedrag ad € 1.650,- en een Toyota Yaris personenauto (kenteken: [kenteken] ) (inclusief autosleutels en/of autopapieren), door zich voor te doen als bonafide schilder en/of bonafide koper door
- aan te geven in de buurt aan het werk te zijn en aan te bieden
schilderwerkzaamheden voor die [persoon 5] en/of [persoon 6] te verrichten, en
- met die [persoon 5] en/of [persoon 6] een bedrag van € 2.500,- overeen te komen
voor schilderwerkzaamheden en
- ( in strijd met de waarheid) aan die [persoon 5] en/of [persoon 6] een offerte te tonen als zijnde een betaalde bon voor schilderbenodigdheden en/of verf, en
- die [persoon 5] en/of [persoon 6] te bewegen tot het doen van een aanbetaling van €1.650,- voor verf en
- die [persoon 5] en/of [persoon 6] aan te bieden schilderwerkzaamheden te
verrichten in ruil voor voornoemde personenauto, en
- met die [persoon 5] en/of [persoon 6] overeen te komen dat een bedrag ad € 750,-
voor voornoemde personenauto van voornoemd bedrag ad € 2.500,- in
mindering zal worden gebracht en na deze aanbetaling/vooruitbetaling en/of levering van de auto de overeengekomen werkzaamheden en/of levering van goederen en/of overschrijving/wijziging van de tenaamstelling van de auto niet te verrichten;
Feit 2
op één of meer tijdstippen in de periode van 3 mei 2019 tot en met 18 juni 2019 te Amstelveen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 7] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het aangaan van een schuld, te weten een geldbedrag ad € 200,- door zich voor te doen als bonafide hovenier door
- aan te bieden de tegels van de voor- en achtertuin van die [persoon 7] te
vervangen met nieuwe tegels en een schutting te plaatsen in haar
achtertuin, en
- met die [persoon 7] een bedrag ad € 2.000,- te komen voor
hovenierswerkzaamheden en
- bij die [persoon 7] aan te geven een hoveniersbedrijf te hebben, genaamd [naam bedrijf 7]
, en
- bij die [persoon 7] aan te geven dat hij een schutting wil kopen voor haar
achtertuin en bij die [persoon 7] aan te geven dat deze schutting €550,- zou kosten en/of bij die [persoon 7] aan te geven dat zij de helft van dat bedrag vooraf moest betalen en
- na een aanbetaling/vooruitbetaling van €200,- de overeengekomen werkzaamheden het plaatsen van de schutting en/of levering van goederen niet te verrichten onder vermelding van redenen;
Ten aanzien van zaak C:
Feit 1
op 24 september 2019 te Amstelveen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, Albert Heijn heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een of meer emballagebonnen, door zich voor te doen als bonafide klant door
- een krat in het emballage apparaat te doen en nadat hij de emballagebon had ontvangen, deze weg te stoppen en vervolgens
- een medewerker aan te spreken en te verklaren dat hij een of meer kratten had ingeleverd en hij geen of een niet goede bon had ontvangen uit het apparaat;
Feit 2
in de periode 22 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019 te [plaats] , gemeente Aalsmeer met het oogmerk om wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van
verdichtsels, [persoon 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld, te weten een geldbedrag van 750 euro, door zich voor te doen als bonafide hovenier door
- aan te bieden de voortuin van die [persoon 8] en/of [persoon 10] te renoveren
en een schutting te plaatsen in de achtertuin en
- met die [persoon 8] en/of [persoon 10] een bedrag van 4500 euro overeen te komen
voor hovenierswerkzaamheden en
- bij die [persoon 8] en/of [persoon 10] aan te geven een hoveniersbedrijf te hebben,
genaamd [naam bedrijf 4] en
- die [persoon 8] en/of [persoon 10] te bewegen tot het doen van een aanbetaling van €750,- voor de spullen en
- na deze aanbetaling en dit ontvangen voorschot de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en
- bij die [persoon 8] en/of [persoon 10] in strijd met de waarheid aan te geven dat hij tegels en klinkers heeft besteld bij [naam bedrijf 8] ;
Feit 3
in de periode van 1 januari 2019 tot en met 4 juli 2019 te Amstelveen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 9] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld, te weten een geldbedrag door zich voor te doen als bonafide meubelstoffeerder door
- een folder van stoffeerbedrijf [naam bedrijf 5] in de bus van
voornoemde [persoon 9] te laten doen en
- met die [persoon 9] een bedrag van 3082 euro cash overeen te komen voor het
stofferen van de bank en eetkamer stoelen en
- bij die [persoon 9] aan te geven een meubelstofferbedrijf te hebben te hebben, genaamd [naam bedrijf 5] en
- aan [persoon 9] in strijd met de waarheid door te geven dat een frame van de kussen stuk was en overeen te komen dit te repareren voor €2250,- cash en
- aan [persoon 9] in strijd met de waarheid door te geven dat er houtworm in de kussens was aangetroffen en dat het €12000,- zou kosten dit te laten verwijderen omdat de houtworm waarschijnlijk in de hele woning zat en
- met [persoon 9] overeen te komen dat hij de houtworm uit de woning zou verwijderen met gas tegen betaling van €5500,- cash en
- bij [persoon 9] in strijd met de waarheid aan te geven dat er een ander soort houtworm was aangetroffen en dit wilde verwijderen voor €2500,- en
- bij de [persoon 9] aan te geven dat de leveranciers geld wilde hebben en
- die [persoon 9] te bewegen tot het doen van meerdere, in elk geval een, contante aanbetalingen voor de aanschaf van de benodigde materialen en/of zodat hij zijn leveranciers kon betalen en/of voor de werkzaamheden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van tien maanden op te leggen met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop en de persoon van verdachte. Volgens de raadsman is een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend in deze zaak.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van verschillende personen. Hij heeft onder andere onder valse voorwendselen zijn diensten aangeboden en heeft deze diensten vervolgens niet verricht. Verschillende slachtoffers hebben aanbetalingen gedaan, zonder dat zij daar de overeengekomen diensten en/of goederen voor hebben ontvangen. Ook heeft verdachte de verkoper van een sloep overtuigd dat hij voor deze sloep betaald had, terwijl dat niet zo was, en heeft hij de Albert Heijn hem onder valse voorwendselen een nieuwe emballagebon doen geven. Verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van het vertrouwen dat slachtoffers in hem stelden. Oplichting is een feit met veel financiële en emotionele gevolgen voor aangevers.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 september 2023. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor oplichting. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij zich na de onderhavige feiten niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.
Strafoplegging
Verdachte heeft op zitting geen verklaring gegeven waarom hij verschillende aangevers heeft opgelicht. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte in 2018 is veroordeeld voor hetzelfde feit en in 2019 tot aan 2021 opnieuw de fout in is gegaan en weegt daarom het recidiverisico mee in de hoogte van de straf. Daartegenover vindt de rechtbank het positief dat verdachte tegenwoordig een vaste baan in loondienst heeft, daar plezier in heeft en daar binnenkort meer uren kan gaan werken. De rechtbank acht om die reden, in tegenstelling tot de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De rechtbank acht een stevige stok achter de deur aangewezen en ziet dan ook aanleiding om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf en tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte is eind oktober 2021 in zaak A aangehouden en in verzekering gesteld en vervolgens door de rechter-commissaris geschorst. Deze zaak is op de zitting van 18 oktober 2023, twee jaar later, inhoudelijk behandeld. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in zaak A niet is overschreden. Zaak B en zaak C uit 2019 zijn in oktober van dat jaar door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer. Zaak B en Zaak C zijn op de zitting van 18 oktober 2023, ruim vier jaar later, inhoudelijk behandeld. In zaak B en zaak C is de redelijke termijn dan ook overschreden met twee jaar. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de rechtbank bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan één jaar, te handelen naar bevind van zaken. De rechtbank zal voor deze overschrijding daarom een matiging van 10% meewegen bij het bepalen van de op te leggen taakstraf.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van twee jaren passend.
8. Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[persoon 2]
De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 300,- bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Vanwege de bepleite vrijspraak verzoekt de raadsman om de vordering af te wijzen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De rechtbank wijst de vordering, gezien de bewezenverklaring, geheel toe.
[persoon 3]
De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 4.350,- aan materiële schadevergoeding en € 250,- aan proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen en wijst de vordering met betrekking tot dat onderdeel toe. Daarnaast oordeelt de rechtbank, net als de officier van justitie, dat een bedrag van € 100,- aan proceskosten redelijk is en wijst dit bedrag toe. Met betrekking tot de overige proceskosten zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
[persoon 4]
De benadeelde partij [persoon 4] vordert € 5.500,- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Vanwege de bepleite vrijspraak verzoekt de raadsman om de vordering af te wijzen of de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de bewezenverklaring en de waarde van de tegels, de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen en wijst een bedrag van € 3.500,- toe. Gelet op de bewezenverklaring kan meer dan € 3.500,- niet worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.625,- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot materiële schadevergoeding omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de onderbouwing die de benadeelde partij naar voren heeft gebracht, kan de waardevermindering van de boot en daarmee de hoogte van de schade namelijk niet worden vastgesteld. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
[persoon 5]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.650,- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en wijst de vordering dan ook geheel toe.
[persoon 8]
De benadeelde partij [persoon 8] vordert € 775,50 aan materiële schadevergoeding en € 1.650,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 759,-. Dit bedrag bestaat uit € 750,- aanbetaling en € 9,- reiskosten.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van zijn vordering tot materiële schadevergoeding en in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 8] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 in zaak A, onder 1 in zaak B en onder 2 in zaak C bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 10.559,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 27 juni 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/701845-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 23 februari 2018 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat het openbaar ministerie niet-otvankelijk is in de vordering, nu de vordering niet aan verdachte is betekend.
Bij de stukken bevindt zich de op 13 december 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23/002040-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 juni 2018 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank is van oordeel dat het belang dat verdachte zijn baan kan voortzetten en daarmee de kans krijgt op een vaste aanstelling, zwaarder weegt dan het belang van het toewijzen van de gehele vordering. Wel vindt de rechtbank het van belang om een deel van de tenuitvoerlegging toe te wijzen omdat verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gedeeltelijk toewijzen in de vorm van een taakstraf van 60 uur. Voor het overige deel zal de vordering worden afgewezen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
Feit 1
oplichting, meermalen gepleegd
Feit 2:
oplichting
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1
oplichting, meermalen gepleegd
Feit 2:
oplichting
Ten aanzien van zaak C:
Feit 1, feit 2 en feit 3:
telkens oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [persoon 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 augustus 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] aan de Staat € 300,- (driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 augustus 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [persoon 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 4.350,- (vierduizenddriehonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 100,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij wat betreft de proceskosten voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. De benadeelde partij kan het resterende deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 4.450,- (vierduizendvierhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 54 (vierenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [persoon 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 4] toe tot een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 4] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. De benadeelde partij kan het resterende deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 4] aan de Staat € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot materiële schadevergoeding. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [persoon 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 1.650,- (duizendzeshonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 1.650,- (duizendzeshonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [persoon 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 8] toe tot een bedrag van € 759,- (zevenhonderdnegenenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 8] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. De benadeelde partij kan het resterende deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 8] aan de Staat € 759,- (zevenhonderdnegenenvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vorderingen TUL
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/701845-17.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/002040-17 toe in de vorm van een taakstraf 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M.H. Haeften, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2023.