2. Tenlastelegging
Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat hij zich omstreeks de periode van 3 oktober 2021 tot en met 4 oktober 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
primair: verkrachting van [aangeefster] ;
subsidiair: het seksueel binnendringen van [aangeefster] , terwijl zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.
De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Inleiding
Op 3 oktober 2021 is aangeefster met haar vriendin [vriendin van aangeefster] naar een bootfeest in Amsterdam geweest. Aangeefster weet nog alles van het eerste (half) uur van het feest en daarna weet ze niets meer. De eerstvolgende herinnering die ze heeft is dat ze in een hotelkamer ligt en verdachte seksuele handelingen bij haar verricht. De verklaringen van aangeefster en verdachte lopen uiteen over de vraag of het seksueel contact vrijwillig heeft plaatsgevonden en welke seksuele handelingen er zijn verricht.
Aangeefster heeft op 6 oktober 2021 een ‘informatie gesprek zeden’ gehad met de politie. Op 26 oktober 2021 heeft zij aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij en [vriendin van aangeefster] vanuit [woonplaats aangeefster] naar het bootfeest “ [feest] ” in Amsterdam waren geweest.
Voorafgaand aan het bootfeest hebben zij er een dagje Amsterdam van gemaakt. Overdag heeft aangeefster één glas wodka met sap gedronken. Om 16.00 uur stonden zij in de rij voor het bootfeest en om 16.30 uur is de boot weggevaren. Aangeefster en [vriendin van aangeefster] zijn naar de bar gegaan en hebben een wodka lemon gedronken en wat gedanst. Ze kochten vervolgens een fles champagne die ze hebben gedeeld met een aantal andere meisjes die ze op de boot hadden ontmoet. Het volgende moment dat aangeefster zich kan herinneren is dat zij in een hotelkamer op haar rug op bed lag en dat verdachte haar bij haar keel vast had en deze dichtkneep, haar hardhandig vingerde en vervolgens zijn penis en ballen in haar mond deed. Ook heeft verdachte met zijn penis haar vagina gepenetreerd. [vriendin van aangeefster] lag past-out naast haar en een andere man, naar later blijkt de vriend van verdachte [vriend van verdachte] , lag links naast haar in een stoel, waarschijnlijk te slapen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij zich machteloos voelde en dat zij niets kon doen. Zij wilde hem weg krijgen of iets zeggen, maar het was alsof ze alleen maar kon toekijken. Op een bepaald moment heeft zij zich weten los te maken en heeft zij verdachte in zijn gezicht geslagen, nadat hij haar in haar wang had gebeten.
Kort daarop werd er op de deur geklopt. Verdachte deed open en aangeefster hoorde dat er politie was. Aangeefster heeft [vriendin van aangeefster] , die past-out naast haar lag, wakker gemaakt en ze verlieten allebei de hotelkamer. Aangeefster heeft niks tegen de politie gezegd. Ze voelde zich geïntimideerd omdat er ineens vier politieagenten in de hotelkamer stonden en omdat het mannelijke agenten waren. De politie is met de twee jongens het hotel uit gelopen en aangeefster en [vriendin van aangeefster] zijn bij de receptie gaan zitten en hebben de receptionist gevraagd om een taxi te bellen. [vriendin van aangeefster] moest huilen en de receptionist vroeg haar nog of hij iets voor haar kon doen. Nadat zij enige tijd bij de receptie hebben gewacht, zijn ze door een taxi bij hun auto afgezet, dat was om 3:42 uur. De auto stond geparkeerd in de [parkeergarage] . Tijdens de taxirit heeft aangeefster niet met [vriendin van aangeefster] gesproken. Ze was de hele tijd aan het huilen en wilde naar huis. Vervolgens zijn ze naar [woonplaats aangeefster] gereden. Toen aangeefster in [woonplaats aangeefster] uit de auto stapte had zij overal pijn. Ze had pijn aan haar wang, nek en billen en ze zag overal blauwe plekken en beetplekken op beide billen. Via haar telefoon waarin haar locatie was opgeslagen zag aangeefster dat het hotel waar ze waren geweest het [hotel] was. Ook herkende zij op internetfoto’s de lobby van het hotel.
Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Hij heeft ter zitting verklaard dat aangeefster met hem aan het flirten was, seks met hem wilde en dat zij hem heeft gepijpt. Dat was van korte duur omdat hij geen erectie kreeg, waarna hij zijn broek weer omhoog heeft gedaan. Er is geen sprake geweest van dwang.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde verkrachting bewezen kan worden. De officier van justitie vindt dat het subsidiair ten laste gelegde – het seksueel binnendringen van aangeefster terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde – niet kan worden bewezen, ondanks het feit dat er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van onmacht bij aangeefster.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de verkrachting (primair) als het seksueel binnendringen van iemand die zich in een staat van verminderd bewustzijn bevindt (subsidiair), vanwege het gebrek aan bewijs.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt dat het primaire feit – de verkrachting – bewezen kan worden en overweegt hiertoe als volgt.
Vaststaat dat er tussen aangeefster en verdachte in de nacht van 3 oktober 2021 op 4 oktober 2021 in een hotel in Amsterdam seksueel contact is geweest waarbij verdachte met zijn penis de mond van aangeefster heeft gepenetreerd. De rechtbank moet beoordelen of bewezen kan worden dat het voornoemde seksueel contact onder dwang heeft plaatsgevonden en of bewezen kan worden dat er ook andere seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden.
Betrouwbaarheid aangifte
Aangeefster heeft – zoals hiervoor onder 3.1 uitgebreid weergegeven – verklaard dat zij herinnering heeft aan het begin van het feest en daarna niets meer weet. Het eerstvolgende moment dat zij zich kan herinneren is wanneer zij in een hotelkamer op bed ligt en verdachte seksuele handelingen bij haar verricht. Terwijl verdachte bij het voeteneind stond penetreerde hij haar vagina met zijn penis. Zij voelde en zag hem met zijn penis op en neer gaan in haar vagina. Vervolgens kroop verdachte naar boven en duwde zijn penis in haar mond en daarna ook zijn ballen erbij. Voordat hij dit deed wurgde hij aangeefster met één of twee handen op haar keel. Zij voelde dat haar keel werd dichtgeknepen, dat het pijn deed en ze voelde dat haar hoofd warm werd. Tijdens het ‘informatieve gesprek zeden’ heeft aangeefster verklaard dat hij haar op een agressieve manier vingerde terwijl hij zijn hand om haar nek had en haar wurgde. Volgens aangeefster gebruikte hij daarbij meerdere vingers omdat het pijn deed. Op 4 oktober 2023 heeft aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat hij haar hardhandig heeft gevingerd en zijn hand om haar keel hield. Zij weet niet meer of het vingeren begon toen zij wakker werd.
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. Zij heeft op meerdere momenten grotendeels consistent over de gebeurtenissen verklaard, zowel over de omstandigheden die dag tot het moment dat zij geen herinnering meer heeft, als over de omstandigheden vanaf het moment in de hotelkamer dat zij weer bij bewustzijn kwam. Haar verklaringen zijn eveneens gedetailleerd voor zover haar herinnering gaat.
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verklaring van aangeefster op verscheidene punten tegenstrijdig is. Dit maakt de verklaring van aangeefster volgens de verdediging inconsistent en om die reden niet betrouwbaar.
De rechtbank overweegt dat aangeefster niet geheel consistent heeft verklaard over de volgorde waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, welke handeling(en) verdachte verrichtte toen hij zijn hand om haar keel had en welke handelingen hij verrichtte toen zij bij bewustzijn kwam. Anders dan de raadsvrouw verbindt de rechtbank daaraan niet de conclusie dat de aangifte onbetrouwbaar is. De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat aangeefster een tijdje buiten volle bewustzijn is geweest, al dan niet door gebruik van middelen. Dat aangeefster de volgorde van de seksuele handelingen en het geweld en het moment waarop deze gedragingen hebben plaatsgevonden niet meer scherp op haar netvlies had, past bij deze situatie. De verklaring van aangeefster vindt bovendien, zoals hierna zal worden besproken, op belangrijke onderdelen steun in het dossier. Tot slot heeft aangeefster, voor zover de rechtbank kan overzien, geen belang bij het doen van een valse aangifte. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat zij geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend en geen gebruik heeft gemaakt van haar spreekrecht. Dat er sprake zou zijn van enig ander belang bij het doen van een valse aangifte is niet gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer.
Eén-op-één-situatie
In zedenzaken is - net als in deze zaak - vaak sprake van een één-op-één-situatie: het is het woord van aangeefster tegen dat van de verdachte. Op grond van het bepaalde in
artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Dat betekent dat de rechtbank alleen tot een bewezenverklaring kan komen indien de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er geen sprake is geweest van een
één-op-één-situatie, omdat [vriendin van aangeefster] en [vriend van verdachte] tijdens de gebeurtenissen op de hotelkamer aanwezig waren. De rechtbank overweegt dat [vriendin van aangeefster] en [vriend van verdachte] fysiek aanwezig waren in de hotelkamer op het moment dat verdachte onder dwang seksuele handelingen bij aangeefster verrichtte, maar dat zij op dat moment sliepen of past-out waren. Aangeefster heeft verklaard dat [vriend van verdachte] in een stoel links van haar lag en niet bewoog. Volgens aangeefster sliep hij. [vriendin van aangeefster] lag op het andere bed naast aangeefster. [vriendin van aangeefster] lag een beetje opgerold op dezelfde ooghoogte als aangeefster. Aangeefster kon haar gezicht zien. Op het moment dat de politie bij de hotelkamer was, heeft aangeefster [vriendin van aangeefster] meteen wakker gemaakt en tegen haar gezegd dat de politie er was. [vriendin van aangeefster] heeft verklaard dat [vriend van verdachte] tamelijk veel gedronken had. Dat past bij de verklaring van aangeefster dat [vriend van verdachte] in een stoel lag, niet bewoog en volgens haar sliep. [vriendin van aangeefster] heeft verder verklaard dat zij op een van de twee bedden is gaan slapen en dat zij om 03.00 uur wakker werd gemaakt toen de politie bij de kamerdeur stond. [vriendin van aangeefster] wist niet waarom de politie er was en wat er was gebeurd. De rechtbank verwerpt het verweer.
Steunbewijs
De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster beantwoordt de rechtbank bevestigend.
Het antwoord op de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan vraagt een beoordeling van het concrete geval. Niet is vereist dat elke onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijs steun vindt. De verklaring van aangeefster moet op specifieke punten steun vinden in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.
De verklaring van aangeefster dat er sprake is geweest van geweld bestaande uit het bijten en het bij de hals beetpakken, wordt ondersteund door de letselverklaring. Hierin staat beschreven dat op de linkerwang een huidverkleuring zichtbaar is die past bij een bloedduitstorting. Op de bovenbenen en rechterbil zijn meerdere huidverkleuringen zichtbaar die eveneens passen bij bloeduitstortingen. Verder zijn in de hals meerdere huidverwondingen zichtbaar. Het letselonderzoek heeft op 6 oktober 2021 plaatsgevonden, drie dagen na de verkrachting. Het tijdsinterval past bij de ouderdom van het geconstateerde letsel. De gemelde toedracht – het vastpakken bij de hals - past mogelijk bij het letsel.
Verder betrekt de rechtbank hierbij de verklaring van getuige [getuige] , de mentor van aangeefster. Zij heeft aangeefster de volgende dag (5 oktober 2021) op school gezien en gesproken. Aangeefster was in shock en vertelde dat ze het weekend in Amsterdam was geweest en dat er gedurende die avond iets was gebeurd. Ze was wakker geworden in een hotelkamer en verdachte probeerde haar te wurgen. Getuige [getuige] zag dat ze in haar wang was gebeten en ze zag vingerafdrukken op de nek van aangeefster. Hoewel aangeefster niet met zoveel woorden heeft verteld dat zij was verkracht zag getuige [getuige] wel dat aangeefster trilde en erg moest huilen. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij niet heeft doorgevraagd, omdat zij aangeefster niet onder druk wilde zetten. Aangeefster vertelde zonder haar zinnen af te maken en getuige [getuige] had het gevoel dat het heel moeilijk was voor haar om erover te praten.
Tot slot vindt de verklaring van aangeefster steun in de verklaring van [vriendin van aangeefster] . Zij heeft verklaard dat toen ze bij de receptie van het hotel stonden zij zag dat het niet goed ging met aangeefster. [vriendin van aangeefster] vroeg of er wat was gebeurd waarop aangeefster antwoordde dat ze dingen had moeten doen die zij niet wilde.
Op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en
samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte:
primair:
in de periode van 3 oktober 2021 tot en met 4 oktober 2021 te Amsterdam, door geweld,
[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , immers heeft/is verdachte bovenop die [aangeefster] gaan liggen en zijn hand om de nek/keel van die [aangeefster] gedaan en
de keel van die [aangeefster] dichtgeknepen en die [aangeefster] in de bil(len) en wang en bovenbeen gebeten en zijn vinger(s) en penis (hardhandig) in de vagina van die [aangeefster] gestopt en
zijn penis in de mond van die [aangeefster] gestopt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige verkrachting van een jonge vrouw. Zij verkeerde daarbij op enig moment in enige staat van onmacht, het is de rechtbank onduidelijk gebleven waardoor. Het slachtoffer was vanuit haar woonplaats [woonplaats aangeefster] met een vriendin naar Amsterdam gereisd voor een feest op een boot. Zij kan zich het eerste (half) uur van het feest herinneren en als zij weer bijkomt, bevindt zij zich op een bed in een hotelkamer met verdachte die op haar zit en seksuele handelingen bij haar verricht. Verdachte heeft haar keel dichtgeknepen, haar hardhandig gevingerd en met zijn penis haar vagina gepenetreerd en zijn penis en ballen in haar mond gestopt. Verdachte heeft haar daarbij in haar wang, benen en billen gebeten. Bij thuiskomst had zij overal pijn en bleek dat zij onder de blauwe plekken zat. Op haar billen en bovenbenen waren bijtplekken te zien. Door zo te handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten langdurig nadelige lichamelijke en psychische gevolgen kunnen ondervinden. Verdachte heeft bovendien misbruik gemaakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onmacht verkeerde en heeft geweld toegepast.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 20 september 2023, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] van de reclassering Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering. Hierin staat – kort samengevat – dat verdachte de indruk wekt dat hij een verschillende seksuele moraal hanteert ten opzichte van vrouwen die hem lief zijn, zoals familieleden, en vrouwen die hem onbekend zijn. Hij toont daarbij niet veel inlevingsvermogen in zijn sekspartner en lijkt ook niet verder geïnteresseerd te zijn in hun beleving hiervan. Vanwege de ontkenning van het delict kan er geen inschatting worden gemaakt van het recidiverisico.
De rechtbank heeft gekeken naar de afspraken die de rechtbanken onderling hebben gemaakt over strafoplegging. Bij verkrachting met een beperkte mate van dwang geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden. Bij verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt een gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt.
Vanwege de ernst van het door verdachte begane feit, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank ziet ook aanleiding om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen om hem ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft verklaard dat dingen voor hem niet meer speciaal zijn en dat hij met méér meisjes is geweest dan dat hij paracetamol heeft geslikt. In combinatie met de conclusie van de reclassering dat verdachte een dubbele seksuele moraal lijkt te hebben, vindt de rechtbank dit zorgelijk en acht zij een voorwaardelijke straf passend en geboden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van drie jaar moet worden opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
verkrachting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 1 (één) jaar, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. van den Brink, voorzitter,
mrs. D. Bode en K. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M. Madiol en G. Brokkelkamp griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 november 2023.
[...]
4. [...]
[...]
5. [...]
[...]
6. [...]
[...]