RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/208089-23 Parketnummer vordering tul: 09/189259-22
Datum uitspraak: 15 december 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1969,
wonende op het adres [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijfsplaats]
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.H. Buijsman, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.C.S. van Viegen naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich alleen of met één of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan
1. diefstal van pakketten op 28 juli 2023 in Amsterdam;
2. diefstal van een of meerdere pakketten op 28 juli 2023 in Amsterdam;
3. poging diefstal van pakketten op 28 juli 2023 in Amsterdam;
4. poging diefstal van pakketten op 14 augustus 2023 in Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij heeft daarbij verwezen naar de aangiftes, de (beschrijvingen van de) camerabeelden en de processen-verbaal van herkenning.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 stelt zij zich op het standpunt dat de verklaringen van de aangevers niet redengevend zijn voor het bewijs van diefstal, nu op basis daarvan niet kan worden vastgesteld of er pakketten zijn gestolen en zo ja, hoeveel pakketten er zijn gestolen. Evenmin wordt uit de beschrijving van de camerabeelden en de stills duidelijk dat er drie pakketten van Hoornahad worden gestolen. Ook is er geen bewijs dat drie dozen van zijn bestelling ontbreken. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de pakketten van [naam 1] door verlies zijn kwijtgeraakt of door andere personen zijn gestolen. In het licht van het voorgaande betwist de verdediging bovendien de waarde van de gestolen pakketten van € 50.641,54 euro.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de diefstal niet waarneembaar is op de camerabeelden en dat bij verdachte en medeverdachte ook geen gestolen goederen zijn aangetroffen. De aangifte van [naam 2] van diefstal van één pakket wordt niet ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] die heeft verklaard dat de inhoud van een pakket mist. Dit maakt dat niet bewezen kan worden dat een Thunderbolt Docking Station dan wel een goed toebehorende aan [naam 2] en/of [naam 3] is weggenomen.
Ten aanzien van de ten laste gelegde pogingen diefstal onder 3 en 4 is de raadsvrouw van mening dat in beide gevallen geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. Er zijn geen gedragingen waarneembaar die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op voltooiing van de diefstal. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ten laste gelegde poging onder 4 een absoluut ondeugdelijke poging betreft, nu uit de aangifte is gebleken dat de bestelbus onmogelijk was te openen zonder kennis van de bestelbus en de sleutel.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden en overweegt daartoe als volgt.
Feit 1
Op basis van de aangiftes, de (beschrijving van de) camerabeelden en de processen-verbaal van herkenning acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van postpakketten uit een bestelbus. Op de camerabeelden is duidelijk waarneembaar dat twee personen – op twee verschillende momenten postpakketten wegnemen uit de bestelbus. Verdachte is door een groot aantal opsporingsambtenaren herkend als één van deze personen.
Feit 2
Op basis van de aangifte, het aanvullend verhoor van aangever en de (beschrijving van de) camerabeelden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van één pakket uit een bestelbus, te weten een Thunderbolt Docking Station. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de diefstal op de camerabeelden duidelijk waarneembaar is. Te zien is dat twee personen met lege handen naar de bestelbus toelopen en daarachter verdwijnen. Even later komen zij achter de bestelbus vandaan en heeft één van de personen een pakket onder zijn arm, wat duidt op de wederrechtelijke toe-eigening van het pakket. Na inventarisatie door de aangever blijkt later ook één pakket, met daarin bovengenoemde Docking Station, te missen. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de aangever heeft verklaard over de diefstal van een pakket en de getuige over de inhoud van een pakket en neemt aan dat beiden over hetzelfde verklaren, te weten een Thunderbolt Docking Station. De camerabeelden zijn door verbalisanten vergeleken met de camerabeelden van feit 1 en vast is komen te staan dat het om dezelfde personen gaat.
Feit 3
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van een poging diefstal. Uit de (beschrijvingen van de) camerabeelden komt naar voren dat de vrachtwagen eerst wordt gevolgd door een auto die op naam van de dochter van verdachte staat, dat zich daarna drie personen opvallend rond de vrachtwagen bewegen en dat vervolgens één persoon de deur van de vrachtwagen opent en in de vrachtwagen kijkt. Deze persoon herkent de rechtbank als verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit samenstel van gedragingen, in het licht bezien van de bewezenverklaarde diefstallen (feiten 1 en 2) waarbij dezelfde modus operandi is gehanteerd met dezelfde medeverdachte, naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op voltooiing van een diefstal in vereniging.
Feit 4
Ook ten aanzien van feit 4 vindt de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, dat gesproken kan worden van een begin van uitvoering van een poging diefstal. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat twee personen, herkend als verdachte en medeverdachte, zich op een opvallende manier rond de bestelbus bewegen. Op het moment dat de bestuurder van de bestelbus wegloopt, loopt verdachte naar de bestelbus toe en trekt hij meermalen aan de hendel van de deur. Dit samenstel van gedragingen, in het licht bezien van de bewezenverklaarde diefstallen (feiten 1 en 2) waarbij dezelfde modus operandi is gehanteerd met dezelfde medeverdachte, is naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht op voltooiing van een diefstal in vereniging. Van een absoluut ondeugdelijke poging is bovendien geen sprake. Er kan van de hiervoor genoemde begin van uitvoeringshandeling die verdachte heeft verricht niet worden gezegd dat deze in geen geval tot succes kon leiden.
1.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen – waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat – bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 28 juli 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander meerdere pakketten
die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2
op 28 juli 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een pakket (met: Thunderbolt Docking station), dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 3
op 28 juli 2023 te Amsterdam ( [adres] ) tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om pakketjes, die geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
- ( achter) het voertuig te rijden en
- zich rond het voertuig te bewegen en
- aan de deur te trekken en vervolgens de deur te openen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4
op 14 augustus 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om pakketjes, die
aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
- zich rond het voertuig te bewegen en
- aan de deur te trekken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in het kader van de strafmaat verzocht om bij een veroordeling aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ter zake van eenvoudige diefstal en eenmaal recidive, nu geen sprake is van braak en ladingdiefstal. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om in de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte zich al drieënhalve maand onafgebroken in voorlopige hechtenis bevindt. Hij heeft bovendien last van gezondheidsklachten waar hij niet adequaat voor kan worden behandeld in detentie.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de hierna te bespreken ernst van de feiten en persoon van verdachte laten meewegen.
De ernst van de feiten
Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee voltooide ladingdiefstallen en twee pogingen van ladingdiefstal telkens in vereniging. Dit zijn ernstige feiten die veel schade en overlast bezorgen bij zowel de vervoerders, de pakketbezorgers als ook de personen die pakketten hebben besteld. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij op één dag, samen met zijn medeverdachte, in een kort tijdsbestek tot drie keer toe pakketten heeft gestolen dan wel gepoogd heeft deze te stelen uit verschillende bestelwagens. Kennelijk waren zij op strooptocht om pakketten te stelen. Hiermee hebben zij enkel uit financieel gewin gehandeld.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uitgebreide Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 30 oktober 2023. Hieruit blijkt dat verdachte al een groot aantal malen voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld. De rechtbank houdt hier bij de strafoplegging in strafverzwarende mate rekening mee. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een proeftijd. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Op te leggen straf
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging. De aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De LOVS-oriëntatiepunten indiceren voor ladingdiefstal met recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee voltooide ladingdiefstallen en twee pogingen daartoe. De rechtbank acht onder die omstandigheden de eis van de officier van justitie van acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook alleszins redelijk. De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
8. Vordering benadeelde partij (feit 1)
De benadeelde partij [naam 1] namens [bedrijf] vordert een bedrag van € 43.162,22. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde.
De officier van justitie vindt dat de vordering geheel kan worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet vast te stellen is wat de omvang van de schade is, wie aansprakelijk is voor de schade en of de schade als rechtstreeks gevolg van het tenlastegelegde kan worden aangemerkt. De vordering vormt dan ook een onevenredige belasting voor het strafgeding zoals bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering in zijn geheel dient te worden afgewezen, nu uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij de bezorger dan wel UPS aansprakelijk kan stellen wegens een toerekenbare tekortkoming.
De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 1] namens [bedrijf] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering en overweegt daartoe als volgt.
Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen ingevolge artikel 361, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat op basis van de stukken onvoldoende vast is komen te staan wat zich precies in de gestolen pakketten heeft bevonden, waardoor de omvang van de schade niet is vast te stellen. Daar komt bij dat het de rechtbank niet duidelijk is geworden of de benadeelde partij een verhaalsmogelijkheid heeft op UPS en zo ja, of hier gebruik van is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de complexiteit van de vordering nader onderzoek naar de omvang van het gevorderde bedrag een uitgebreide nadere behandeling zou vereisen, terwijl het strafgeding zich niet meer leent voor uitstel of aanhouding om een en ander nader uit te diepen. Een belangrijk doel van de strafrechtpleging is immers dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal zij de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging
Verdachte is bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag d.d. 4 januari 2023 met parketnummer 09/189259-22 veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 januari 2023.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu de voorwaardelijke straf reeds ten uitvoer is gelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag op 16 mei 2023.
De rechtbank is van oordeel dat, nu gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten, de vordering tot tenuitvoerlegging toewijsbaar is. De rechtbank zal niet meegaan in het verweer van de raadsvrouw, nu het vonnis van 16 mei 2023 niet onherroepelijk is waardoor het opnieuw aanbrengen van een vordering tot tenuitvoerlegging mogelijk is. De rechtbank zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis.
10. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen terug te geven aan verdachte. De raadsvrouw heeft eveneens om teruggave van de goederen verzocht.
Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze te worden teruggegeven aan verdachte. De rechtbank zal dan ook de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte de laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.2. is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen
Ten aanzien van feiten 3 en 4:
telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte, van:
Ten aanzien van feit 1:
Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 1] namens [bedrijf] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Ten aanzien van de vordering ten uitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf bij vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 4 januari 2023 met parketnummer 09/189259-22, te weten een taakstraf ter hoogte van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D. van den Brink, voorzitter,
mrs. J.W.H.G. Loyson en K.M.A. van der Heijden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2023.