RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/151820-21 Parketnummer vordering tul: 96/134076-20
Datum uitspraak: 9 november 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.LJ. Smit, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Stegerhoek (die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel), naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 13/152253-21).
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 8 juni 2021 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling in vereniging.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. De verklaringen van aangever dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze innerlijk tegenstrijdig zijn. Dan blijft de verklaring van getuige [naam getuige] over en dat is te weinig om tot een bewezenverklaring te komen.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 8 juni 2021 omstreeks 4:45 uur zat aangever [slachtoffer] (hierna: aangever) samen met een vriendin, [naam getuige] (hierna: [naam getuige] ), in haar auto. Deze stond geparkeerd in Amsterdam in Sloterdijk in de doodlopende straat met de naam Kurk. Aangever en zijn vriendin waren lachgas aan het gebruiken. [naam getuige] had via haar telefoon iemand die zij kende van Snapchat en die ook lachgas aan het gebruiken was, uitgenodigd om langs te komen. Zij stuurde hem haar locatie door en de betreffende jongen kwam met de auto naar haar toe, samen met nog drie andere jongens. Na een tijdje werd de sfeer grimmig en is er geweld gebruikt tegen aangever. Hij is uit de auto getrokken en zegt dat hij door een jongen die hij in zijn aangifte NN1 noemt en door een ander, aangeduid als NN2 meerdere keren is geslagen. Niet lang na de melding van aangever bij de politie, zijn vier jongens, die samen in een auto zaten, waaronder [medeverdachte] en [verdachte] (hierna: [verdachte] ), door de politie aangehouden in een auto.
Openlijke geweldpleging
[verdachte] wordt verdacht van openlijke geweldpleging. Voor openlijke geweldpleging is vereist dat het geweld in vereniging is gepleegd op de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats. Bij de beoordeling van de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, ontkomt de rechtbank er niet aan om zich in dit vonnis ook uit te laten over de rol van de medeverdachte [medeverdachte] . Volgens de officier van justitie is de man die aangever NN1 noemt [medeverdachte] en is NN2 [verdachte] en hebben zij samen geweld tegen aangever gepleegd. Omdat de rechtbank op 9 november 2023 zowel in de zaak van [verdachte] als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] vonnis wijst, zal de rechtbank in beide vonnissen ingaan op de vraag wie volgens de rechtbank NN1 en NN2 zijn.
Bewijsoverwegingen
De betrouwbaarheid van de aangever
De rechtbank zal zich allereerst uitlaten over de betrouwbaarheid van de aangifte van aangever omdat deze op onderdelen afwijkt van andere verklaringen die hij heeft afgelegd en de raadsman van verdachte hier verweer op heeft gevoerd. De rechtbank zal uitsluitend de aangifte van 8 juni 2023 gebruiken voor het bewijs. Dat aangever vlak na het incident ten overstaan van de politie op bepaalde punten anders heeft verklaard maakt niet dat de aangifte onbetrouwbaar is. De inhoud van de aangifte op het politiebureau vindt steun in de overige bewijsmiddelen. De aangever heeft bovendien aangegeven, dat hij kort voor zijn eerste verklaring lachgas had gebruikt. Het is niet onaannemelijk dat aangever pas op het bureau een heldere verklaring kon afleggen over hetgeen er volgens hem was gebeurd.
Wie is NN1 en wie is NN2?
De rechtbank gaat vervolgens in op de vraag wie NN1 en wie NN2 zijn, omdat deze mannen volgens de aangever geweld tegen hem hebben gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat NN1 [medeverdachte] betreft. Dit wordt ook niet door hem betwist. Aangever verklaart in zijn aangifte onder andere dat NN1 een donkere huidskleur heeft, een gouden ketting om zijn nek had en waarschijnlijk een trainingspak droeg. Volgens getuige [naam getuige] had NN1 een donkere huidskleur, droeg hij een pet en zat hij op de passagiersstoel van de auto. Op het moment dat [medeverdachte] en zijn vrienden werden aangehouden, zat [medeverdachte] , op de passagiersstoel. Tot slot is op camerabeelden te zien dat een persoon met een zwarte jas met witte opdruk op de rug, en een pet op zijn hoofd, na het incident voorin naast de bestuurder in de auto stapt. In de fouillering van [medeverdachte] is een zwarte jas met witte opdruk alsmede een gouden ketting aangetroffen. Op de foto in het dossier behorende bij zijn aanhouding heeft de rechtbank waargenomen dat [medeverdachte] een donkere huidskleur heeft. Hierna zal NN1 aangeduid worden als [medeverdachte] .
De rechtbank komt tot het oordeel dat NN2 [verdachte] is. Aangever verklaart in zijn aangifte onder andere dat NN2 een licht getinte man met een baardje is, een mollig postuur heeft en een zwarte jas en een grijs T-shirt droeg. Getuige [naam getuige] omschrijft NN2 onder andere als een grote jongen, licht getint, met een wat breder postuur. NN2 zat volgens [naam getuige] links achterin de auto. Op het moment dat [verdachte] en zijn vrienden worden aangehouden, zit [verdachte] links achterin de auto. Tijdens de aanhouding zijn foto’s gemaakt, die als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van 8 juni 2021 zijn gevoegd. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de enige licht getinte persoon is van de vier en dat hij molliger/breder dan de overige drie aangehouden personen is. De rechtbank heeft dan ook geen enkele twijfel dat [verdachte] NN2 is. Hierna zal NN2 aangeduid worden als [verdachte] .
Openlijke geweldpleging
Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de [verdachte] geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Dit is volgens de rechtbank het geval. [verdachte] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Op grond van de verklaringen van de aangever, de getuige [naam getuige] en de relevante processen-verbaal van politie staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] geweld heeft gepleegd. Immers heeft de aangever verklaard dat hij niet alleen door [medeverdachte] maar ook door [verdachte] in het gezicht is geslagen. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat aangever met [verdachte] en [medeverdachte] in een worsteling is geraakt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] aan het geweld een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
Verdachte en [medeverdachte] hebben zich samen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever. Door samen te werken ontstond een overwicht op de aangever, waarbij geweld tegen hem is gebruikt.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte] :
hij op of omstreeks 8 juni 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te
weten, de Kurk, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het
publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
persoon, te weten [slachtoffer] , door;
- die [slachtoffer] aan diens jas en/of zijn tasje te trekken en/of
- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en/of
- die [slachtoffer] meerdere malen, in elk geval eenmaal, met gebalde vuist en/of de
vlakke hand tegen diens hoofd te stompen en, in elk geval zijn lichaam, te stompen en/of te slaan;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen. Zij stelt zich op het standpunt dat [verdachte] naar het volwassenenstrafrecht zal moeten worden berecht.
Standpunt van de verdediging
Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen heeft de raadsman verzocht een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Adolescentenstrafrecht
[verdachte] was ten tijde van het strafbare feit 20 jaar oud, waardoor zijn strafzaak onder het strafrecht voor volwassenen valt. De Wet adolescentenstrafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid adolescenten van 18 tot 23 jaar te berechten op grond van het jeugdstrafrecht, als zij daarvoor aanleiding ziet in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De reclassering heeft het verzoek om een advies op te stellen op 7 februari 2023 retour gezonden. De reclassering conformeert zich aan het advies van het NIFP van 12 oktober 2021, alsook het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank ziet aanleiding om dit advies te volgen. [verdachte] woont nog thuis. Volgens het NIFP functioneert [verdachte] op zwakbegaafd niveau, kan hij zijn eigen gedrag nauwelijks organiseren en komt hij in het contact jonger over dan zijn kalenderleeftijd. Voor wat betreft de pedagogische beïnvloeding wordt van belang geacht dat pedagogische aanpak mogelijk is en (continuering) van scholing noodzakelijk is. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat deze indicaties anderhalf jaar later niet meer aan de orde zijn.
Strafoplegging
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte is in deze strafzaak, kort na de tegen hem gerezen verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit, aangehouden en in voorarrest genomen. De verdenking betrof, kort samengevat, medeplegen aan een straatroof. Verdachte is in bewaring gesteld voor dit 12-jaarsfeit, waarbij onder meer als grond is opgenomen dat de rechtsorde geschokt was. Na 14 dagen voorarrest heeft de raadkamer van de raadkamer, op grond van het zelfde dossier, beslist dat er geen ernstige bezwaren bestonden met betrekking tot de verdenking (medeplegen aan) diefstal met geweld en is de voorlopige hechtenis opgeheven. Het openbaar ministerie is niet in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing en heeft ten behoeve van de uiteindelijke berechting de beschuldiging aangepast en verdachte openlijke geweldpleging subsidiair medeplegen aan mishandeling ten laste gelegd. Deze beschuldiging is, zeker gezien de geweldshandelingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen, beduidend minder zwaar dan de oorspronkelijke beschuldiging van medeplegen van diefstal met geweld.
Daar waar aanvankelijk dus sprake was van een forse beschuldiging, komt de rechtbank nu tot een bewezenverklaring van een minder zwaar feit. Daarbij gaat het naar het oordeel van de rechtbank om jeugdige mannen, die vroeg in de ochtend, na het gebruik van lachgas en alcohol, elkaar tegen komen en een woordenwisseling krijgen waarbij uiteindelijk enig geweld wordt toegepast. Het geweld bestond uit wat duw- en trekwerk en het geven van enkele klappen. De klappen hebben niet geleid tot enig letsel, althans dat is niet gebleken uit het opsporingsonderzoek. Het slachtoffer heeft zich ook niet gemeld en er is geen vordering benadeelde partij ingediend.
Gelet op de ernst van het gepleegde feit en het oriëntatiepunt voor de straftoemeting (jeugd) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren met betrekking tot openlijke geweldpleging, zou oplegging van een werkstraf ter hoogte van 40 uren in beginsel passend zijn.
Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen openheid heeft gegeven over het ten laste gelegde en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte heeft ook niet meegewerkt met de Reclassering. De rechtbank heeft dan ook geen recente informatie over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en evenmin is sprake van een strafadvies.
Voorts houdt de rechtbank rekening met het overschrijden van de redelijke termijn.
In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop [medeverdachte] in verzekering is gesteld als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 8 juni 2021. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 9 november 2023 – ligt een periode die de redelijke termijn met 5 maanden overschrijdt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte van 14 september 2023 Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Verdachte heeft, zoals hiervoor uiteengezet, 14 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis. De rechtbank is van oordeel dat dit voorarrest ruim voldoende is als sanctie voor hetgeen nu bewezen wordt geacht en dat het hierbij kan blijven. De ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis komt - omgerekend - neer op een taakstraf van 28 uren. Dat betekent dat [verdachte] deze taakstraf niet meer hoeft uit te voeren.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 18 september 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 96/134076-20 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 23 februari 2021 van de Rechtbank Amsterdam. Daarbij is [verdachte] onder meer veroordeeld tot 1 week hechtenis met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, in die zin dat verdachte in plaats van 1 week hechtenis 30 uur taakstraf moet verrichten.
De rechtbank is van oordeel dat het tenuitvoerleggen van de bij vonnis van 23 februari 2021 voorwaardelijk opgelegde straf geen redelijk doel meer dient, gelet op het grote tijdsverloop nadien. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77c, 77g, 77h, 77m, 77n, en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het primaire:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 28 uren, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96/134076-20
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P.C. Janssen voorzitter,
mrs. C.A.R. Bleijendaal en E.M. de Bie rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 november 2023.